Jobs

Hoe zuiver is Oegandese koffie

Het zwarte goud van Oeganda voorgeproefd

Drie miljoen Oegandezen zijn rechtstreeks afhankelijk van de koffieteelt.
Terwijl ze vroeger systematisch uitgebuit werden door opkopers, mastodontcoöperaties, multinationals en corrupte politici onderhandelen ze nu meer en meer zelf hun koffieprijs.
Vacature snoof de geur op van Oeganda's belangrijkste exportproduct.

De rit van Kampala naar Mbale, een stad ruim tweehonderd kilometer oostwaarts aan de voet van de majestueuze Mount Elgon, zou een makkie worden. “De route gaat over een hoofdweg, je kan het slechter treffen hier in Oeganda”, had de receptionist in het hotel me verzekerd. Ruim vijf uur later ligt de bewuste hoofdweg, een uitgelezen verzameling putten, rotsblokken, zandpiste en zorgeloos voortrazende spookrijders, eindelijk achter ons. En wenkt op de flanken van de Mount Elgon het echt zware werk. Van een echte weg is al lang geen sprake meer, onze tien jaar oude Corolla botst en hotst vrolijk van de ene put naar de andere bult. Het uitzicht daarentegen wordt almaar mooier: bananenbomen, koffieplantages en stukjes tropisch woud wisselen elkaar af, hier en daar onderbroken door een armzalige nederzetting waar de bewoners ons met een mengeling van lichte spot en stijgende verbazing op het juiste spoor trachten te zetten. Hier, vlakbij de grens met Kenia, klopt al decennialang het koffiehart van Oeganda.Twintig jaar geleden werd er op de flanken van de Mount Elgon nog ruim 20.000 ton koffie geproduceerd. Medio jaren negentig bleef daar nog hooguit de helft van over. Ronduit dramatisch voor een land waar koffie tot vandaag met een straatlengte voorsprong het belangrijkste exportproduct blijft.

“De exacte cijfers kent niemand, maar we gaan er van uit dat Oeganda vandaag nog steeds een half miljoen koffieboeren telt”, klinkt het later bij Joseph Nkandu, voorzitter van Nucafe (National Union of Coffee Agribusinesses and Farm Enterprises). “Dat betekent dus dat drie miljoen Oegandezen rechtstreeks afhankelijk zijn van de koffieteelt. Toen de koffiemarkt in 1991 wereldwijd geliberaliseerd werd, voelde zowat iedereen die hier over een eigen lapje grond beschikte zich plots geroepen om ook koffie te gaan verbouwen. Het grote geld wenkte immers, zo dacht men althans.”
De gevolgen lieten zich raden. De kwaliteit van de koffie ging zienderogen achteruit, omdat de meeste koffietelers gewoonweg niet over voldoende knowhow en expertise beschikten om aan de strenge kwaliteitseisen van de internationale markt te voldoen. Door het grote aanbod op de wereldmarkt zakten de prijzen als een pudding in elkaar. En doordat de meeste boeren hun koffie nu zelf probeerden te verpatsen aan opkopers, die in opdracht van grote exporteurs werkten, vielen ook de grote mastodontcoöperaties als los zand uit elkaar. Die coöperaties verenigden in Oeganda al sinds jaar en dag alle koffieproducenten en zorgden zo voor enige structuur in de sector. Omdat ruim 80 procent van de grote exporteurs op hun beurt voor grote multinationals werken, konden zij moeiteloos de marktprijzen hier bepalen. En daar waren de arme, vaak nog ongeletterde boeren, uiteraard de grootste dupe van. “Zij missen elke vorm van knowhow en moeten het meestal ook zonder de meest elementaire faciliteiten stellen om de koffie te sorteren of te drogen. Vaak hebben ze zelfs geen weegschaal om hun eigen oogsten te wegen. Kan je nagaan hoeveel de opkopers in eigen zak steken (grijnst). Omdat de inkomsten vaak zwaar tegenvallen, raken de koffieboeren ook almaar minder gemotiveerd, ze investeren nog minder tijd in hun koffie, en de kwaliteit boert verder achteruit.”

Koffieboeren vormen front
Genoeg van dat, vonden een aantal koffieboeren. Zij besloten enkele jaren terug de krachten te bundelen en stampten Nucafe uit de grond. “Doordat we samen veel grotere hoeveelheden op de markt gooien, hoeven we niet langer via tussenpersonen te passeren en kunnen we rechtstreeks met multinationals over de prijzen onderhandelen. In sommige gevallen krijgt de boer daardoor vandaag ruim zesmaal zoveel voor een kilo koffie als in het verleden. We trachten de multinationals er ook van te overtuigen dat zij op termijn ook meer gebaat zijn met goed opgeleide en gemotiveerde koffieboeren. Anders dreigen steeds meer koffieboeren er hier de brui aan te geven en vallen de productie en de kwaliteit nog verder terug. Daarnaast willen we onze leden ook meer expertise en trots bijbrengen over het product dat ze verbouwen. Willen we betere prijzen krijgen voor onze producten, dan moeten we zelf ook meer toegevoegde waarde creëren. Binnen Nucafe brengen we de koffieboeren nu samen in kleine clusters van telkens een vijfentwintigtal boeren, die we dan regelmatig opleiding en vormingssessies aanbieden. Vandaag vertegenwoordigen we al zowat 100.000 families, binnen 5 jaar moeten dat er 350.000 worden.”
Stonden heel wat koffieboeren aanvankelijk behoorlijk wantrouwig tegenover de nieuwe organisatie, dan lijkt dit nieuwe model nu stilaan aan te slaan. “Je moet begrijpen dat de mensen hier niet stonden te springen voor een terugkeer naar het systeem van de grote mastodontcoöperaties. Die werden volledig door de regering gecontroleerd. Een beperkt kransje politici maakte prijsafspraken met buitenlandse afnemers en zij streken vervolgens ook de grootste winsten op. Vandaag beslissen de boeren zelf wie hen moet vertegenwoordigen. Wij fungeren wel als tussenpersoon naar de grote multinationals toe, maar kopen zelf geen koffie op en kunnen dus ook geen centen in eigen zak steken. Nu, we maken ons geen illusies: voor sommige boeren zal het snelle geldgewin altijd heel verleidelijk blijven. Ze laten zich het hoofd op hol brengen door opkopers die met hun taxibrommertjes arriveren en dan met wat bankbiljetten beginnen te zwaaien. Die boeren worden bedrogen waar ze bijstaan, maar beseffen dat zelf niet. Wij werken op langere termijn, omdat we er van overtuigd zijn dat dit uiteindelijk veel meer rendeert. Tegelijk trachten we onze leden er van te overtuigen om hun teelt meer te gaan diversifiëren, en bijvoorbeeld ook bananen te gaan verbouwen.”

Oxfarm, eerlijke zakenpartner
Zes uur na ons vertrekt uit Kampala staan we in een van de zogenaamde 'primary societies', niet meer dan een handvol armzalige hutjes in de bergen. Oog in oog met de plant die voor miljoen mensen in dit land het verschil maakt tussen leven of overleven, tussen bittere armoede of een tikkeltje hoop. Ze oogt opvallend onopvallend, de koffiestruik, maar de brede glimlach van de eigenares van het lapje grond maakt alles goed. Twee hutten verderop liggen de witgrijze koffiebonen op een rieten mat te drogen in de zon. Wachtend op een betere toekomst, zo lijkt het wel. Net zoals de tienduizenden boeren in deze regio. Jarenlang zwaaide de mastodontcoöperatie BCU hier de plak. Honderdduizend boeren leverden hun oogst netjes in bij de coöperatie, waarna een legertje ambtenaren het zaakje overnam. Tot de markt geliberaliseerd werd en het hele zootje weggeblazen werd door kapitaalkrachtige en flexibele multinationals. Maar sinds kort bloeit er opnieuw iets moois in de bergen rond Mbale.
“Gumutindo is enkele jaren terug ontstaan op de puinhopen van de vroegere coöperatie. Vanuit het besef van een aantal boeren dat er dringend iets moest gebeuren om de kwaliteit van de Oegandese koffie opnieuw op te krikken. Zij begonnen te experimenteren met organische koffie, zonder toevoeging van meststoffen of chemicaliën. Dat leverde veelbelovende resultaten op, en vandaag zijn er al zowat vierduizend koffieboeren bij Gumutindo aangesloten”, vertelt manager Willington Wamayeye. “De mensen in deze streek verdienen al decennialang hun brood met koffie. Ze wisten dus perfect hoe ze de beste koffie konden verbouwen. We moesten hen enkel duidelijk maken dat hun drang naar snel geldgewin op langere termijn ronduit contraproductief werkt, en dat ze maar beter opnieuw aandacht konden besteden aan de kwaliteit van hun producten.”

Een goede strategie, zo blijkt, want sinds kort is de nieuwe coöperatie, die 6 primary societies groepeert, ook een van de nieuwe Afrikaanse partners van de eerlijke handelsorganisatie Oxfam. “En daar worden de aangesloten boeren alleen maar beter van. Wanneer zij hun oogst verkopen, ontvangen zij een bedrag dat grotendeels afhangt van de internationale marktprijzen. Daarnaast krijgen ze op het einde van het seizoen ook nog een supplement uitbetaald, zeg maar het bedrag dat de Westerse consument extra ophoest wanneer hij eerlijke handelsproducten koopt. Ook producttechnisch krijgen we nu de nodige ondersteuning. Last but not least ontvangen we ook een soort van sociale premie, waarmee we allerlei projecten kunnen financieren voor de lokale gemeenschap. Projecten waar iedereen beter van wordt.”
Dat zo'n deal met een organisatie als Oxfam hen geen windeieren legt, daar moet je de koffieboeren niet meer van overtuigen. “Nu ze merken dat onze aanpak aanslaat en dat ze er zelf beter van worden, zijn ze ook bereid om opnieuw te investeren in meer kwaliteit. De boeren staan vandaag letterlijk aan te schuiven om bij Gumutindo aan te sluiten. Helaas moeten we de boot afhouden. Enerzijds omdat de kwaliteit lang nog niet altijd voldoet, anderzijds omdat we voldoende afnemers moeten hebben voor onze koffie. De keuze van de Westerse consument heeft dus een rechtstreekse invloed op de lokale arbeidsmarkt en op de ontwikkelingsgraad van de koffieboeren hier, en dat is nieuw. Jarenlang zagen wij de prijzen op de internationale koffiemarkt verder in elkaar zakken, terwijl de gemiddelde Belg of Amerikaan almaar meer betaalde voor zijn kopje koffie. Dankzij dit model hebben jullie nu een rechtstreekse impact op de levensstandaard van tienduizenden Oegandezen. Onze koffie ligt sinds kort nu ook in de wereldwinkels in België in de rekken (grijnst).”
Toch legt Willington hiermee meteen de vinger op dé zwakke plek van het hele systeem, dat staat of valt met de bereidheid van Westerse consumenten om meer te betalen voor hun bakje troost. De zogenaamde eerlijke koffie maakt vandaag amper 1 procent uit van de totale koffieproductie in Oeganda. Behoorlijk veelzeggend toch? “We zijn hier nog maar enkele jaartjes bezig”, nuanceert hij. “Ik ben er van overtuigd dat dit model voldoende potentieel heeft om ook in de rest van het land aan te slaan. De cijfers geven overigens aan dat we op het goede spoor zitten. In 2001 konden we onze eerste oogsten exporteren: welgeteld een halve container. Vorig jaar waren dat er al 26. Geef ons dus wat tijd. Natuurlijk hangen we grotendeels af van de buitenlandse consument, maar die wil graag kwaliteit in zijn kopje. Net daar ligt voor ons een grote uitdaging. We kregen hier de voorbije twee jaar al flink wat schoon volk over de vloer en al die bonzen toonden zich stuk voor stuk verbaasd over de kwaliteit die onze boeren nu afleveren. Mede daardoor wordt er vanuit de koffiefederatie nu ook volop gelobbyd om de koffieteelt veel strikter te reglementeren. Vandaag zijn de Oegandese politici dus aan zet. Zij moeten er voor zorgen dat de Oegandese koffie, ooit een echt begrip in de wereld, op wereldvlak opnieuw de concurrentie kan aangaan met andere Afrikaanse of Zuid-Amerikaanse koffielanden. Ook daar wrong de voorbije jaren het schoentje: er is in dit land een ontstellend gebrek aan politieke visie. Toen de koffieprijzen in elkaar zakten, ging de overheid plots de thee-industrie en de visvangst op het Victoriameer promoten. En wat stellen we vandaag vast? Het Victoriameer is zowat leeggevist en duizenden arme landbouwers die door de regering aangemoedigd werden om met hun hele hebben en houden naar het meer te verkassen, wentelen zich daar nu in bittere armoede.”

Vrouwen doen koffiezaken
Gumutindo is niet enkel vernieuwend omwille van de grote aandacht vanuit het management voor kwaliteit en economische rendabiliteit. Minstens even opvallend is de belangrijke rol die de vrouwen er toebedeeld krijgen. Ook daar kunnen de meeste andere koffieproducenten in Oeganda nog wat van leren. “Het plukken, wassen, en drogen van de koffiebonen, het zware werk zeg maar, was hier altijd al een vrouwentaak. Waarna de mannen met de koffie naar de opkopers trokken, het geld incasseerden en het vaak ook in ijltempo verbrasten. Vandaag moedigen we de vrouwen aan om de koffie samen te gaan verkopen en de inkomsten zelf te beheren. Ook binnen het management hier krijgen vrouwen belangrijke taken toebedeeld. Vrouwen springen meestal op meer verantwoorde wijze om met geld, en zorgen ervoor dat hun hele gezin of de hele gemeenschap de vruchten plukt van de arbeid.”
Wanneer we de volgende dag in Kampala nog even naar het armzalige kantoortje van Joseph Nkandu, trekken om afscheid te nemen, heeft hij nog een laatste vraag voor ons. “Is de prijs van een kopje koffie in België de voorbije jaren dan echt zo opvallend gedaald?”, klinkt het haast onschuldig. Het antwoord heeft hij natuurlijk zelf al klaar. “Hoegenaamd niet. En hoe verklaar je dat , terwijl de internationale koffieprijzen – en dus ook het inkomen van de koffieboeren hier - enkele jaren terug volledig in elkaar gestuikt zijn? Wie strijkt dan de winsten op, denk je? Juist!”

“Starbucks of Oegandese koffie? Laat de klanten zelf oordelen!”
Koffie mag dan het belangrijkste exportproduct van Oeganda zijn, de doorsnee Oegandees nipt niet van het zwarte goud. Michaël Kijjambu, landbouwingenieur en eigenaar van een koffieshop in Kampala, dook in het gat van de inlandse koffiemarkt.

Een koffieshop in hartje Kampala, het is al even ongerijmd als een bordeel in een nonnenklooster. Een tasje thee, of liever nog een handvol halve liters Nile Beer, daarvoor komen ze in Kampala nog uit hun luie stoel. Maar koffie, dat is voor de Amerikanen of Europeanen. Michael Kijjambu, eigenaar van de stemmige, haast Europees ogende koffieshop middenin een wat gore buurt in Kampala, heeft dat nooit goed begrepen. “Toen ik ruim tien jaar geleden afstudeerde, kon ik aan de slag bij de “Coffee Board”. Daar besefte ik pas goed wat voor een potentieel deze business had. Oeganda overleeft al jarenlang dankzij de koffie-export. Die kreeg de voorbije jaren zware klappen, maar een beetje ondernemer weet dat het net dan het ideale moment is om in de business te stappen. Bovendien ligt het binnenlandse verbruik van koffie hier belachelijk laag. Het groeipotentieel in eigen land was voor mij een reden te meer om hier in Kampala een zaak op te starten. Enkele miljoenen Oegandezen zijn dagelijks met koffie bezig, maar thuis drinken ze thee. En elders zuipen ze bier. Ik vind dat we onze bevolking ook wat moeten opvoeden: als die twintig miljoen consumenten hier dagelijks nog maar één tasje koffie zouden drinken, dan spreken we over een markt van twintig miljoen dollar per dag. Met dat vooruitzicht in het achterhoofd kan ik hier wellicht nog wel enkele koffieshops extra openen (lacht). Alleen moet je als ondernemer dan wel bereid zijn uit je pijp te komen. Al die Oegandezen gaan niet vanzelf vallen voor de charmes van een lekker kopje koffie. Ik bied mijn klanten hier een uitgelezen selectie van koffiesoorten aan, maar tracht hen zelf ook op te voeden. Er moet in dit land een koffiecultuur groeien. Pessimisten zeggen: dit land heeft geen koffiecultuur, waar haal je het dan in je hoofd om uitgerekend in Kampala een koffieshop uit de grond te stampen. Ik zeg: cultuur is dynamisch en verandert. Aan mij om daar op in te spelen en als ondernemer zelf een gat in de markt te scheppen.”

Koffiesafari's voor toeristen
Het 1000 Cups Coffee House heeft zijn naam niet gestolen. Honderden kopjes, afkomstig uit alle windstreken, sieren de muren. Op de tafeltjes slingeren er wat internationale magazines rond, achterin de zaak kunnen klanten de koffiemelange van hun keuze zelf roosteren. En op de toonbank prijken, als ultiem statement, ook enkele pakjes Starbucks-koffie. “Ik ben nogal overtuigd van de kwaliteit van de Oegandese koffiemelanges die ik hier aanbied”, grijnst Michaël. “Wie graag de proef op de som wil nemen, kan gerust zijn gang gaan. Laat de klant zelf oordelen.”
Naar Oegandese normen liggen de prijzen voor een cappuccino of espresso er behoorlijk hoog, maar toch trekt Michaël naar eigen zeggen steeds meer lokale klanten aan. “Daarnaast mik ik natuurlijk ook op buitenlandse koffieliefhebbers of op toeristen die willen weten welk traject een koffieboon uiteindelijk aflegt alvorens ze in de koffiemolen belandt. Daarom organiseer ik sinds kort ook koffiesafari's. Een hele dag samen de hort op, en als afsluiter mag iedereen z'n eigen koffieplantje in de grond stoppen. Na zo'n tocht gaat het respect voor dit product én voor onze koffieboeren zienderogen de hoogte in. Dat soort klanten mail ik achteraf vaak ook nog artikels over koffie door die in allerlei internationale bladen verschenen zijn. Een druppel op een hete plaat? Misschien wel, maar willen we Oegandese koffie wereldwijd opnieuw tot een begrip laten uitgroeien, dan is er geen andere optie. En wil je als ondernemer in Oeganda iets uit de grond stampen, dan moet je het in eerste instantie van heel wat doorzettingsvermogen én originele ideeën hebben. Dat is jammer omdat dit land vandaag meer dan ooit nood heeft aan jonge mensen die mee aan de kar willen trekken. Je hebt er geen idee van hoeveel miljoenen dollars aan ontwikkelingshulp er de voorbije twintig jaar al naar Oeganda stroomden. En hoeveel miljoenen dollars er intussen in de zakken van zogenaamde leiders verdwenen zijn. Almaar meer hulporganisaties lijken dat nu stilaan ook te beseffen en gooien het over een andere boeg, maar intussen is het kwaad wel geschied. Miljoenen Oegandezen zijn vandaag volledig afhankelijk gemaakt van dat soort hulp en je moet in dat land dan ook met een vergrootglas op zoek naar enige vorm van ondernemingszin of ondernemerschap. Op de koop toe is krediet hier ook peperduur: wanneer je hier een zaak wil opstarten, leen je geld tegen een rentetarief van 20 tot 30 procent. Probeer jonge mensen dan maar eens te overtuigen om toch zelf de handen uit de mouwen te steken. Nochtans staan we hier vandaag op een belangrijk kruispunt: onze politici hebben het ondernemerschap nooit aangemoedigd, maar vandaag staat er stilaan een generatie klaar van goed opgeleide jonge mensen. Zwarten die de corruptie, de burgeroorlogen en het wanbeleid beu zijn en die bereid zijn om aan de kar te trekken. Ondernemen in Afrika is duur én risicovol, dat klopt, maar daar staat een bijzonder hoge return on investment tegenover. Wellicht de hoogste ter wereld.”

Oeganda in cijfers
Oppervlakte: 236.000 km2
28 miljoen inwoners
Gemiddelde levensverwachting: 51 jaar
38% van de bevolking leeft onder de armoedegrens
36% van de bevolking werkt in de landbouwsector, die goed is voor 51% van het BNP
Belangrijkste exportproducten: koffie, thee, vis
HIV-besmettingsgraad: 6,5% van de actieve bevolking

(29-03-2007)


Terug naar het overzicht van deze week

Schelstraete & DesmetDe PostDaikinStad Antwerpentempo-team HR ServicesEuroclearCPMDip Consulting

© Jobs & Careers CV 2010 - Havenlaan 86C, B 101, 1000 Brussel

Erkend Bureau Vacature VG.1186/B - Erkend Bureau Jobs & Careers VG. 1245/B

BTW BE 0860.375.251 - Fax: 02 482 03 43

metriwebIAB