Grootschalige overheidsinvesteringen zorgen voor meer jobs en economische groei

Als we nu eens massaal overheidsgeld pompten in grote infrastructuurprojecten, om de economie aan te zwengelen en nieuwe jobs te creëren? Wegen, schoolgebouwen, een spoorwegennet, energievoorziening: aan verouderde infrastructuur in België geen gebrek, maar waar halen we de centen voor iets nieuws? En is Europa bereid om hierin mee te gaan? We trokken naar Thailand, waar de overheid de voorbije decennia – tot grote vreugde van heel wat buitenlandse investeerders – zwaar inzetten op ambitieuze infrastructuurprojecten. We gingen praten met de Gentse macro-econoom Freddy Heylen. Hij ziet maar één uitweg uit deze crisis: investeren in groei.

Langs de snelweg die zich vanuit miljoenenstad Bangkok langsheen Pattaya richting Map Ta Phut slingert, spelen palmbomen haasje over met straatventers die tropisch fruit aan de man brengen. Bangkok is de grootste metropool van Zuidoost-Azië, maar Map Ta Phut doet niet echt onder, als belangrijkste economische ontwikkelingspool van Thailand. Tussen beide locaties liggen goed tweehonderd kilometer aan blinkend asfalt, feilloos functionerende tolpoortjes en industriële ontwikkelingsgebieden. “Nog geen acht jaar geleden deed ik er zes uur over om vanuit Bangkok naar hier te rijden,” glimlacht Pascal Baetens, directeur bij Katoen Natie Thailand. “Vijf jaar geleden kostte het traject me nog drie tot vier uur. En vandaag sta je hier, zonder files, op goed twee uur tijd.”

Het Thai Petrochemical Logistics Centre van Katoen Natie bevindt zich in de gloednieuwe industriezone van Map Ta Phut, op enkele boogscheuten van de nieuwe diepzeehaven van Chabang. De industriezone verdubbelde de voorbije jaren in omvang, goed voor een extra productie van twee tot drie miljoen ton petrochemische producten per jaar. Map Ta Phut en omgeving is dan ook een schoolvoorbeeld van wat de Thaise overheid in haar meerjarenplannen omschrijft als een ‘industrial key area’: zones waar zwaar wordt geïnvesteerd in nagelnieuwe infrastructuur, al dan niet met de hulp van de privésector, in een poging om zoveel mogelijk grote investeerders aan te trekken en het land op de kaart te zetten als een stabiele, logistiek hoogstaande investeringsomgeving.

En dat mag wat kosten, zo blijkt. Voor de periode 2012-2020 heeft de Thaise overheid nieuwe infrastructuurprojecten ter waarde van 59 miljard euro op de rails staan.
Thailand wordt door de Wereldbank aangehaald als een van de grote economische succesverhalen van het voorbije decennium. In de periode 2000-2007 zette het land een gemiddelde economische groei van 5 procent neer. De armoede nam spectaculair af en sinds kort wordt het land van de eeuwige glimlach door diezelfde Wereldbank officieel gecatalogeerd als een ‘upper middle income country’. Thailand laat met andere woorden traditionele groeilanden, zoals India en China, een stuk achter zich op het vlak van economische ontwikkeling.

Roadmap voor economische groei

Het keerpunt kwam er 15 jaar geleden, in juli 1997, toen in Bangkok de grote financiële crisis van Azië uitbrak. De Thaise munt stortte in elkaar, grote bouwwerven lagen plots stil en van de ene dag op de andere stonden topmanagers – die daags voordien nog duizenden dollars per dag raapten – werkloos op straat. Daarna heeft het land zich letterlijk uit de crisis gegraven, dixit een Belg ter plaatse. Hoe? Met infrastructuurprojecten die de binnenlandse economie opnieuw aanzwengelden, maar tegelijk de weg plaveiden voor massaal veel buitenlandse investeringen. Die creëerden op hun beurt nieuwe werkgelegenheid.

“De vooruitgang die Thailand de voorbije jaren geboekt heeft met zijn infrastructuur is ronduit indrukwekkend,” vertelt Pascal Baetens. “De opeenvolgende regeringen werken al jarenlang op basis van een soort roadmap, waarin wordt vastgelegd welke regio’s en welke industriële activiteiten de nodige economische groei kunnen realiseren, in de toekomst. In functie daarvan is er de voorbije jaren enorm zwaar geïnvesteerd in grote infrastructuurprojecten, gaande van de diepzeehavens, hier vlakbij, tot nieuwe wegen, ultramoderne industriezones, betere energievoorziening en de gloednieuwe luchthaven van Bangkok. Die laatste werd opgeleverd in 2006, verwerkt 45 miljoen passagiers per jaar, maar wordt nu al te klein.”

Of dat alles economisch rendeert? De industriezone van Map Tha Phut is goed voor zowat 15 procent (!) van het totale Thaise bnp. En de voorbije jaren groeide Thailand uit tot de grootste autoproducent van Azië, met een jaarproductie van 2,2 miljoen wagens, onder meer dankzij massale buitenlandse investeringen in productie en toeleveringsfabrieken. In eerste instantie had Thailand zijn groei te danken aan de relatief goedkope werkkrachten. Intussen wordt er vooral vooruitgang geboekt dankzij de uitstekende logistieke infrastructuur en de heel gerichte inspanningen van de Thaise overheid om, in het zog van de zuivere productie, ook een veel bredere toeleveringsindustrie aan te trekken.

Pascal Baetens: “Katoen Natie zit hier al sinds eind ’98. Twee jaar geleden nog hebben we een splinternieuw logistiek centrum opgetrokken, vanuit de vaststelling dat het merendeel van de ondersteunende infrastructuur hier gewoonweg superieur is aan wat we in West-Europa aantreffen. De Thaise overheid aarzelt uiteraard niet om de zware investeringen in dat domein uit te spelen als een argument om grote buitenlandse spelers naar hier te halen. Al moeten we daar eerlijkheidshalve aan toe voegen dat bepaalde fiscale voordelen daarin natuurlijk eveneens een rol spelen. In het verleden lokten ook de lage lonen, maar dat argument gaat almaar minder op. Thailand is niet langer een lagelonenland. Meer nog, almaar meer bedrijven hebben het hier nu bijzonder lastig om voldoende goed opgeleide arbeidskrachten te vinden. Daarin ligt dan ook een van de grootste uitdagingen voor dit land: het opleidingsniveau moet een stuk hoger. In afwachting leiden wij onze vele nieuwe werknemers noodgedwongen eerst zelf op. De overheid onderkent het probleem en speelt erop in door specialisten uit andere landen aan te trekken, of door beurzen te geven aan lokale studenten – als ze kiezen voor een richting waar een schaarste aan goed opgeleide werknemers dreigt. Visie op lange termijn en economische planning, gekoppeld aan zeer gerichte overheidsinvesteringen: dat zijn hier echt sleutelbegrippen.”

Een ‘New Deal’ in Europa?

Het debat komt ook in Europa almaar prominenter op de politieke agenda: moet de overheid investeren om de economie een tweede adem te geven en nieuwe banen te creëren, om zo uit de crisis te spartelen? Of moet ze besparen, in een poging om de nu al gigantische staatsschuld enigszins binnen de perken te houden? En als die overheid dan investeert in grote projecten, zal de economische impact dan wel vergelijkbaar zijn met die in een groeiland als Thailand, waar arbeid toch nog vele malen goedkoper is dan in West-Europa?

Freddy Heylen, die aan de UGent macro-economie doceert, laat er weinig twijfel over bestaan welk pad we in Europa zouden moeten volgen. “Verhoogde overheidsinvesteringen zijn niet enkel noodzakelijk, maar ook bijzonder efficiënt, in de huidige context. Ze zorgen op korte termijn voor extra vraag naar goederen en bestrijden zo mee de aanhoudende laagconjunctuur en de stijgende werkloosheid. Bovendien versterken overheidsinvesteringen de economische groei ook op langere termijn. Op korte tijd is de conjunctuur in Europa stevig achterui gegaan, de privéconsumptie in de eurozone blijft verder afnemen en de werkloosheid neemt toe, met alle menselijke en sociale gevolgen die daaruit voortvloeien. Op langere termijn komen daar andere, minstens even grote uitdagingen bovenop: de vergrijzingproblematiek en de vaststelling dat we er niet in slagen om mensen langer aan het werk te houden, zodat onze productiviteit op peil blijft.”

Geld is (bijna) gratis, jongens!

De rode draad in het economische beleid dat Europa de voorbije jaren aan de lidstaten oplegde, was er een van besparen om het overheidstekort overal terug te dringen. Een gemiste kans, vindt Freddy Heylen. “Als er vandaag één conclusie kan worden getrokken, dan is het wel dat dit beleid niet gewerkt heeft. Het consumentenvertrouwen is erop achteruit gegaan, er wordt niet meer maar net minder geïnvesteerd, de schuldgraad stijgt zowat overal. Saneren bij zwakke groei werkt niet, daar is al voldoende onderzoek naar gebeurd. Anno 2012 mogen we in Europa deze crisis niet als een kortstondige economische terugval beschouwen. Er vallen nogal wat parallellen te trekken tussen de crisis die wij hier nu doormaken en de situatie in de VS in de jaren dertig, ook wel bekend als ‘The Great Depression’. Toenmalig president Roosevelt slaagde er toen in om de economische motor opnieuw op gang te trekken met zijn ‘New Deal’. Een belangrijk onderdeel daarvan was een reusachtig investeringspakket waarbij de overheid als gangmaker fungeerde.”

Hamvraag is uiteraard: vallen de effecten van overheidsinvesteringen wel te becijferen? Freddy Heylen: “Onderzoek toont aan dat dit soort investeringen in infrastructuur op korte termijn voor een economische return zorgen die, per geïnvesteerde euro door de overheid, vlot anderhalve euro bedraagt. Dat multiplicatoreffect kan in laagconjunctuur voor een heel sterk triggereffect zorgen. Bovendien is het voor de overheid in landen als België, Frankrijk, Nederland of Duitsland quasi gratis om geld te lenen: de huidige, lage rentes liggen amper hoger, of zelfs lager, dan de inflatie. Met andere woorden: als de overheid vandaag 1 procent van het bbp in grote infrastructuurprojecten zou investeren, dan zorgt dat binnen één tot twee jaar voor minstens anderhalf procent extra groei.”

“Voor ons land, maar net zo goed voor heel wat buurlanden, wordt het dus bijna misdadig om deze kans niet te grijpen. Op voorwaarde, laat me daarover heel duidelijk zijn, dat er ook andere maatregelen komen om op langere termijn extra jobs te blijven scheppen: een beter activeringsbeleid, een pensioenhervorming, stimuli om vijftigplussers langer aan het werk te houden, werkloosheidsuitkeringen gradueel afbouwen, noem maar op. Een dergelijk complementair beleid zou de geloofwaardigheid en het macro-economisch effect van grote overheidsinvesteringen op de financiële markten verhogen. Tegelijk zorgt zo’n aanvullend beleid ervoor dat we op termijn onze sociale uitgaven kunnen verminderen, zodat het budgettaire plaatje blijft kloppen. Toegegeven, op korte termijn kan het overheidstekort oplopen, maar door de extra groei zal de schuld in verhouding tot het bbp dalen. De terugverdieneffecten via extra jobs en nieuwe investeringen vanuit de privé zijn zo groot dat je op termijn altijd winst boekt. Nieuwe en betere infrastructuur zorgt er immers voor dat je als land ook meer privékapitaal gaat aantrekken, omdat de rendabiliteit voor dat soort investeringen stijgt.”

Een nieuwe wind

Freddy Heylen wijst er ook op dat de Europese lidstaten een “belachelijk kleine” marge hebben om geld te lenen voor grote investeringprojecten, die daardoor virtueel onmogelijk worden gemaakt: “Het zogenaamde ‘Fiscal Compact’ (het begrotingspact dat wellicht begin volgend jaar in werking treedt, FMI) verplicht de lidstaten immers tot het opmaken van een begroting die op 0,5 procent na sluitend is. Terwijl u en ik, en privébedrijven net zo goed, gewoon geld kunnen blijven lenen om investeringen te doen. Het grote probleem is dat men vandaag alle Europese lidstaten over een en dezelfde kam scheert, en er gemakshalve van uitgaat dat buitensporige overheidsuitgaven aan de oorsprong liggen van de huidige crisis. Dat klopt voor Griekenland, waar de overheid de grote schuldige was, maar nergens anders.”

En wat dan met Duitsland, dat er blijkbaar wel in slaagt om de hand op de knip te houden en tegelijk toch uitstekende economische prestaties neer te zetten? Freddy Heylen: “Het is maar de vraag of Duitsland zijn relatief goede prestaties aan een consequent, streng begrotingsbeleid te danken heeft. Het Duitse verhaal is vooral een heel sterk exportverhaal, met kmo’s die wereldtop zijn in investeringsgoederen en bijzonder goed hebben ingespeeld op de vraag vanuit de groeilanden. En het vertoont, zeker op de arbeidsmarkt, ook een aantal schaduwzijden. Ik heb wel de indruk dat er, na de verkiezing van François Hollande in Frankrijk, stilaan een nieuwe wind waait in Europa. Met meer aandacht voor investeringen en groei, eerder dan voor eindeloze en uitzichtloze besparingen. Want laat ons wel wezen: dit is geen Belgisch verhaal, dit moet gestuurd worden vanuit Europa, bijvoorbeeld via de Europese investeringsbank. De Europese top van eind juni heeft daarin, heel voorzichtig nog, een aantal eerste stappen gezet.”

Belgische infrastructuur boert achteruit

In zijn jongste boek ‘Stop deze depressie nu’ breekt ook Nobelprijswinnaar Paul Krugman een lans voor meer overheidsinvesteringen in Europa, in plaats van besparingen. Volgens hem leidt het opgelegde strenge besparingsbeleid, waarin amper ruimte is voor investeringen van overheidswege, net tot een verdieping van de crisis. Criticasters van Krugman en co voeren aan dat de infrastructuur in België al op een dermate hoog niveau ligt dat de economische meeropbrengst van grote infrastructuurinvesteringen verwaarloosbaar zou zijn, maar daarmee is Freddy Heylen het hoegenaamd niet eens. “De effecten zullen natuurlijk kleiner zijn dan in een land als Thailand. Dat is de wet van de afnemende meeropbrengst. Maar wie dagelijks op weg is met de wagen weet wel beter. Heel wat van onze hoofdwegen verkeren in erbarmelijke staat. De mobiliteit is een ramp. Investeren in veiliger wegen én in slimme mobiliteit lijkt me dus geen overbodige luxe. Idem dito voor onze spoorinfrastructuur, of voor onze schoolgebouwen, die vaak in ronduit erbarmelijk staat verkeren. We hebben in de jaren 60 en 70 zwaar geïnvesteerd, maar intussen is België al 30 jaar een van de zwakste investeerders in nieuwe of moderne infrastructuur. In de Scandinavische landen wordt al jarenlang systematisch een hoger percentage van het bbp in infrastructuur geïnvesteerd.”

Die stelling werd ook bevestigd in het nieuwste rapport van het World Economic Forum. Terwijl ons land in het algemene klassement op een 17de plaats eindigt, tuimelen we qua infrastructuur naar de 21ste stek. “We boeren geleidelijk achteruit, en die trend zet zich al enkele jaren door,” klinkt het bij professor Wim Moesen (KU Leuven), die al jarenlang de WEF-rapporten begeleidt en analyseert. “Ons land schiet te kort in investeringen die de kwaliteit van onze infrastructuur fundamenteel verbeteren. Dat gaan dan over de wegen, maar net zo goed over spoorverbindingen en havens, of over schoolgebouwen die vervangen moeten worden door containerklassen. Terwijl een doorsnee Europees land jaarlijks zowat 3 procent van het bbp in publieke infrastructuur investeert, zitten we in België al jarenlang op amper 2,2 tot 2,5 procent van het bbp. En ja, grootschalige investeringen in publieke infrastructuur zouden een zeker economisch effect hebben, maar dan wel op voorwaarde dat dit op Europees niveau geregeld wordt.”

Tekst: Filip Michiels, Bangkok
Foto’s: Griet Dekoninck