Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

Nieuw fiscaal beleid bedrijfswagens is maat voor niks

Ondanks het nieuwe fiscale regime voor bedrijfswagens neemt hun aantal niet af. Wel worden ze goedkoper en groener. Toch is een bedrijfswagen niet voor elke werknemer een aangename extra, zeker niet door de almaar langer wordende files. Het mobiliteitsbudget is een mogelijk alternatief.

Soms lijkt het wel alsof er alleen maar bedrijfswagens rondrijden op de Belgische wegen. Ook op recepties is de auto van de zaak vaak hét gespreksonderwerp van de avond. Logisch, als je bedenkt dat in 2010 ongeveer 42 procent van de nieuwe wagens een bedrijfswagen was. Dat is bijna de helft. Maar dat aandeel slinkt danig als we de vergelijking maken met het totale wagenpark in ons land. Uit een recent onderzoek van het consultancybureau KPMG blijkt dat ongeveer 21 procent van de 5,3 miljoen auto’s op de Belgische wegen bedrijfswagens zijn. En in de jongste Salarisenquête van Vacature, in samenwerking met de KU Leuven, zegt slechts 17,6 procent van de deelnemers over een bedrijfswagen te beschikken. In de Salarisenquête van 2008 was dat 15,1 procent.

Professor Davy Janssens, verbonden aan het Instituut voor Mobiliteit (IMOB) van de universiteit Hasselt, gaat zelfs nog lager: “Volgens ons onderzoek zijn ongeveer tien procent van de personenauto’s op onze wegen bedrijfswagens. Precies hetzelfde cijfer als vijf jaar geleden. Dat wil zeggen dat de nieuwe regels voor de belasting op bedrijfswagens weinig in beweging hebben gebracht, hoewel ze een evolutie naar alternatieve vormen van woon-werkmobiliteit beoogden.”

Klein maar fijn

Meer nog, de bedrijfswagen blijft fiscaal even interessant als vroeger. Hij wordt immers nog steeds minder zwaar belast dan het gewone salaris. Daarnaast is het mooi meegenomen dat je je bedrijfswagen ook voor privédoeleinden mag gebruiken. Dat voordeel wordt bovendien belast op basis van een forfaitaire waarde, die vaak lager ligt dan de werkelijke waarde van dit voordeel.

26% van de deelnemers aan de Salarisenquête van Vacature (2012) is bereid om loon in te leveren in ruil voor een job dichter bij huis.

Frank Vancamp, partner bij KPMG Belastingconsulenten, schat de gevolgen in van het nieuwe fiscale regime voor bedrijfswagens van de regering-Di Rupo: “We hebben grote vloten bedrijfswagens onderzocht. Voor de werknemers met een middelgrote wagen is er meestal sprake van een status-quo: ze betalen evenveel belastingen als vroeger. Werknemers met een kleinere wagen boeken zelfs een voordeel. Het zijn vooral kaderleden met een premiumwagen die getroffen worden: bij auto’s als een Mercedes E-klasse, of een BMW 5, is het voordeel van alle aard sterk toegenomen, dus ook de belasting die je erop betaalt. Ook een reeks populaire monovolumes met een hogere CO2-uitstoot worden zwaarder belast.”

En dus reageren de bedrijven met een ander autobeleid. Veerle Michiels (SD Worx): “Voor de komende jaren adviseren wij onze klanten om hun wagenpark te vergroenen. Kleinere modellen met zuiniger motoren worden steeds vaker de norm. Ook elektrische wagens zitten in de lift. Die evolutie betekent minder inkomsten voor de overheid. Het is dus niet uitgesloten dat er opnieuw zal worden gesleuteld aan de waarderingsregels en dat dit zal leiden tot een zwaardere belasting van de bedrijfswagen.”

Veerle Michiels denkt niet dat de bedrijfswagens in België over hun hoogtepunt heen zijn. Wel verwacht ze de komende jaren auto’s die kleiner, zuiniger en milieuvriendelijker zijn. Frank Vancamp van KPMG gelooft evenmin dat er een structurele bocht is genomen: “De bedrijfswagen blijft voor een groot deel van de werknemers een noodzaak. Volgens de recente inschrijvingen boerde de markt van de bedrijfswagens dan ook niet achteruit, ondanks de economische crisis. Wel is de gemiddelde prijs van de bedrijfswagen wat gedaald. Bedrijven kiezen niet alleen vaker dan vroeger voor kleine en middelgrote auto’s, maar ze laten ook de extra opties achterwege. Want die jagen de catalogusprijs de hoogte in en dus ook de belastbare waarde van de wagen.”

Mobiliteitsbudget

Wat Frank Vancamp wel opvalt, is dat werknemers nu creatiever beginnen na te denken over hoe ze hun woon-werkmobiliteit organiseren. “De bedrijfswagen blijft daar deel van uitmaken, maar is geen heilige koe meer. Vooral jongere werknemers willen zich zo efficiënt mogelijk bewegen, dikwijls door gebruik te maken van verschillende vervoerwijzen. Er zijn al leaseformules op de markt die combinaties van een bedrijfswagen met een treinabonnement, of een scooter, aanbieden.”

Ander mogelijk alternatief is het mobiliteitsbudget, dat de werknemer vrij kan besteden. Het idee is niet nieuw, maar wordt amper gebruikt wegens te complex. Vancamp: “Er ontbreekt voorlopig een duidelijk fiscaal kader. Samen met het Vlaams Instituut voor Mobiliteit denken we na over de aanbevelingen die we hierover aan de overheid kunnen doen.” Ook SD Worx ziet een mentaliteitswijziging. Veerle Michiels: “Het idee van het mobiliteitsbudget leeft, zeker bij bedrijven die moeilijker bereikbaar worden door files en wegenwerken. Ze zoeken alternatieven, maar het feit dat de sociale en fiscale wetgeving niet altijd op elkaar afgestemd zijn, maakt die zoektocht er niet eenvoudiger op.”

Koning auto

Toch blijft de auto het woon-werkverkeer in Vlaanderen domineren, stelt professor Davy Janssens van het IMOB. “Ons meest recente onderzoek naar het verplaatsingsgedrag van de Vlamingen werd uitgevoerd in 2010 en 2011. Daaruit bleek dat ruim 69 procent van de Vlamingen zich het vaakst met de auto naar het werk begeeft. Toen we in 2007-2008 met het onderzoek startten, was dat ruim 66 procent. Koning wagen blijft dus dominant in ons woon-werkverkeer, ondanks alle pogingen om de auto uit de steden te weren. Meer nog: één op de drie verplaatsingen korter dan één kilometer gebeurt met de wagen. Bij verplaatsingen korter dan drie kilometer is dat zelfs al twee op de drie. De overheid kan dat gewoontegedrag alleen maar doorbreken met hogere benzineprijzen, of door het invoeren van rekeningrijden. Om de Vlaming aan te zetten tot een duurzaam rijgedrag is er uiteraard ook een kwalitatief en hoogfrequent openbaar vervoer nodig.”

Professor Janssens wijst erop dat bedrijfswagens en duurzaam transport niet samengaan: “Bedrijfswagens worden vooral gezien als een vrij goedkope manier om werknemers te belonen. Er hoort vaak ook een tankkaart bij, waardoor werknemers de prijsverhogingen van brandstof niet voelen in hun portemonnee. De bedrijfswagens meer belasten is een van de oplossingen om naar een duurzamer mobiliteitssysteem te evolueren, maar dat ligt politiek uiteraard gevoelig. De veelbesproken maatregelen van de regering-Di Rupo hebben vooral de grote bedrijfswagens echt geraakt. Als de regering echt drastisch had ingegrepen, dan was de verontwaardiging nog groter geweest.”

In duurzame versnelling

Uit verschillende internationale studies blijkt dat een gemiddeld gezin tien tot vijftien procent van zijn budget besteedt aan mobiliteit. Volgens economen ligt dit percentage nog te laag om mensen te doen nadenken over de kost van hun verplaatsingen en/of om op zoek te gaan naar goedkopere transportmiddelen. Professor Janssens gelooft sterk dat er oplossingen zijn, en dat het soms zelfs snel kan gaan. Hij verwijst naar de snelle adoptie van de elektronische fiets in Nederland. Nederlanders hebben dit vervoermiddel bijzonder snel omarmd als een echt alternatief om naar hun werk te gaan. Ongeveer een derde van de Nederlanders verplaatst zich dagelijks met de fiets. En in Amsterdam is de fiets goed voor bijna de helft van de verplaatsingen. In Vlaanderen schommelt dat tussen de twaalf en de veertien procent. Ondanks de vergoedingen is het gebruik van de fiets zelfs afgenomen in ons woon-werkverkeer.

Ook carpooling kan een mogelijke duurzame oplossing zijn, gelooft professor Janssens. Maar het IMOB-onderzoek biedt weinig hoopgevende cijfers: vier op de vijf werknemers die met de auto naar het werk rijdt, neemt nooit een tweede passagier mee. En amper één op de vijf doet af en toe aan carpooling. “De technologie is nochtans beschikbaar om mensen te vinden die hetzelfde woon-werktraject rijden, bijvoorbeeld via smartphones en websites. Deze technische systemen moeten uiteraard wel voldoende uitgerold zijn om een vlotte inburgering van carpooling te kunnen garanderen. Ook het herlokaliseren van kantoren kan soelaas bieden.

Werkgevers worden het beu dat werknemers te laat op het werk verschijnen door files of wegenwerken. Ondernemingen verhuizen daarom steeds vaker naar beter bereikbare locaties.”
Professor Janssens hoopt dat de Europese Unie ons uiteindelijk de weg zal wijzen: “Mobiliteit is een internationale markt, en met de negatieve effecten van mobiliteit krijgt elke lidstaat hoe langer hoe meer te maken. Daarom verwacht ik voor de toekomst een uniforme Europese regelgeving rond mobiliteit.”  

Een bedrijfswagen, (g)een kwestie van onderhandelen

Bij ongeveer twee derde van de deelnemers aan de Salarisenquête maakte een bedrijfswagen automatisch deel uit van hun volledige vergoedingspakket toen ze in dienst traden bij hun huidige werkgever. Een minderheid moet erover onderhandelen.

Automatisch voorzien bij indiensttreding

57,4%

Na een periode in dienst maar na onderhandeling

13,9%

Automatisch na een bepaalde periode in dienst

11,7%

Geen van deze

10,0%

Bij indiensttreding maar na onderhandeling

7,1%

Bron: Salarisenquête 2012

De sectoren met de meeste bedrijfswagens

Ruim 60% van de deelnemers aan de Salarisenquête die over een bedrijfswagen beschikken, werkt in de telecomsector. HR staat op de tweede plaats, gevolgd door de sector van de ‘fast moving consumer goods’.

1

Telecom, ICT en internet

60,3%

2

Human resources

50,0%

3

Fast moving consumer goods

49,7%

4

Engineering en studiebureaus

43,8%

5

Energie & milieu

32,8%

6

Elektronica en elektrotechniek

32,1%

7

Bouw

30,3%

8

Bank, financiën en verzekeringen

28,9%

9

Media, entertainment en marketing

27,3%

10

Overige diensten aan ondernemingen en particulieren

25,4%

Bron: Salarisenquête 2012

25 minuten

Een werknemer besteedt gemiddeld 25 minuten aan de verplaatsing van zijn woning naar het werk, of een klein uur voor het dagelijkse woon-werkverkeer.

Hoe raak jij op het werk?

Bijna 65 procent van de beroepsactieve Vlamingen gebruikt de auto om op het werk te raken. De fiets is ons tweede vervoersmiddel, gevolgd door de trein.

Hoofdvervoerswijze

In procent

Gemiddelde verplaatsingstijd

Als autobestuurder

64,73%

24 minuten

Met de fiets

12,17%

15 minuten

Per trein

6,15%

69 minuten

Te voet

5,48%

6 minuten

Als passagier in de auto

4,61%

23 minuten

Met de bromfiets

2,48 %

14 minuten

Met de bus

2,35%

41 minuten

Met een autocar

0,92%

36 minuten

Op een andere wijze

0,63%

13 minuten

Als passagier op bromfiets

0,49%

38 minuten

Bron: IMOB, Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen, 2010-2011