Vreemde job: taxidermist

Jean-Pierre Gérard-Simon is in zijn familie al de vijfde generatie die zich bezighoudt met het opzetten van dieren. Zijn bedrijf in Luik kent vandaag een ongelooflijk succes. Geen crisis dus voor Gérard-Simon, want zijn orderboekje staat nu al vol met bestellingen voor de komende drie jaar. De taxidermist werkt samen met kunstenaars en een dertigtal natuurhistorische musea, tot in Zuid-Korea toe. Onder zijn klanten zijn er ronkende namen zoals Valéry Giscard d’Estaing, Wim Delvoye, Daniel Firman en een emir uit Qatar. Zijn bekendste verwezenlijking heet Würsa en is een olifant van 5,60 meter die zijn evenwicht bewaart op zijn slurf. Het gevaarte was onder meer te zien in het keizerlijk paleis in Tokio. Een gesprek met een even gepassioneerde als originele ambachtsman.

Wat heeft je zin doen krijgen in dit beroep?

Gérard-Simon: “Dieren opzetten zit al lang in mijn familie. Ons bedrijf is opgericht in 1870. Mijn vader, die 85 jaar oud is, komt nog elke dag naar mijn atelier. Toen ik veertien jaar was ben ik gestopt met school omdat ik dit beroep wou doen. Ik was toen al gepassioneerd door dieren. En als taxidermist krijg je de kans om hen een tweede leven te geven.”

Welk parcours heb je precies afgelegd?

“In de eerste jaren heb ik veel geleerd van mijn vader. Hij was een dierenopzetter, terwijl we nu spreken over een taxidermist, wat niet helemaal hetzelfde is.”

“Vroeger werd er stro onder de huid van de dieren gestoken, terwijl we nu een sculptuur in polyurethaanschuim maken die we daarna overtrekken met het vel van het dier. Tegenwoordig kunnen we aders maken, kleine spiertjes, plooien in de huid … Vroeger was dat allemaal niet mogelijk.”

“Dieren opzetten is geleidelijk aan taxidermie geworden. Eerst gebruikten we vormen in stijf, gelijmd karton dat we bekleedden met dierenhuid. Maar aangezien die huid altijd een beetje vochtig is, werd het karton slap, wat natuurlijk niet ideaal is. Door polyurethaanschuim te gebruiken hebben we dat probleem nu niet meer.”

“In ons vak is er een grote evolutie geweest, ik heb dat gemerkt door nieuwe technieken te leren. Ik heb me hier en daar bijgeschoold. Ik was het gewoon om altijd maar stro in relatief kleine dieren te steken, terwijl ik nu ook heel grote dieren doe. Ik heb heel mijn leven al doende geleerd en ook vandaag leer ik nog steeds nieuwe technieken.”

Hoe ga je concreet tewerk om een dier op te zetten?

“Er zijn vijf grote stappen. Als eerste moeten we een dier, dat bijvoorbeeld gestorven is in een dierentuin, villen. We moeten dus op een bepaalde manier het vel wegnemen. Daarvoor maken we eerst heel precieze insnijdingen.”

“Daarna wordt de huid gelooid. Daarvoor dompelen we het vel eerst onder in een bad om de opperhuid te fixeren. Op die manier vermijden we dat ze gaat rotten. Dat is ook de reden waarom we er altijd snel moeten bij zijn na de dood van het dier. Is dat niet mogelijk, dan moet het lichaam gekoeld worden of moet de huid gezouten worden om te bewaren. Met grote dieren is dat niet altijd evident. Na dat eerste bad wordt de huid versneden met een machine. Eens de huid dunner gemaakt is, wordt ze ondergedompeld in een echt looibad. Na een nacht is dat proces klaar. De huid is dan soepel als een nat zeemvel.”

“Vervolgens maken we de sculptuur met de vorm van het dier klaar. Die bekleden we dan met de huid. We naaien en kleven die opnieuw samen. Dat is nodig omdat door het drogen de huid altijd nog een beetje vervormt.”

“Als het dier eenmaal gemonteerd is geven we hem zijn glazen ogen. Elke diersoort heeft andere ogen, met ronde of ovale pupillen. Er bestaan gespecialiseerde bedrijven die zulke ogen maken. Als alles klaar is laten we de sculptuur drogen.”

“Ten slotte ‘maquilleren’ we het dier nog met een airbrush. We herschilderen daarbij de neus, de ogen, de hoorns als die er zijn, de poten …”

Welke klanten heb je zoal?

“Er zijn verschillende soorten. Vooreerst zijn er wat ik de ‘basisklanten’ noem, mensen die al in de tijd van mijn vader klant waren bij ons. Dat zijn vooral jagers: ze hebben een everzwijn of een hert geschoten en willen dat graag laten opzetten. Ik houd me ook bezig met jagers die in Afrika of Azië zijn gaan jagen en die terugkeren met hun trofeeën. Zij moeten de dieren die ze geschoten hebben in meerdere delen inpakken en ter plaatse laten contoleren bij de douane. De huiden van die dieren worden geprepareerd door zogenaamde ‘skinners’. Die zijn niet in staat om de huid ter plekke al te looien, maar ze hebben wel opleidingen gevolgd om de eerste stap te kunnen uitvoeren. Die huiden komen dus hier gezouten en gedroogd aan.”

“Daarnaast werk ik ook voor een dertigtal natuurhistorische musea. Die vraag is de laatste tien jaar echt geëxplodeerd. Ik krijg vooral bestellingen uit het buitenland, uit Europa, maar ook uit Korea. Door tussenkomst van de Massai Gallery hebben we bijvoorbeeld veel dieren in Seoel.”

“Huisdieren zoals honden en katten doe ik niet meer. Ik heb te veel werk om dat soort van opdrachten nog te aanvaarden. Het is trouwens ondankbaar werk, want de mensen zijn altijd teleurgesteld. Als een hond of een kat dood is, wordt hij in één houding gefixeerd, terwijl de baasjes het dier altijd gekend hebben met verschillende uitdrukkingen. En wij bevriezen hem in één enkele expressie …”

“Ik werk ook samen met kunstenaars en interieurontwerpers. Tegenwoordig neemt taxidermie ongelooflijke vormen aan, terwijl het twintig jaar geleden taboe was om thuis een opgezet dier te hebben staan. Vandaag is dat compleet anders: er zijn heel wat mensen – en niet alleen jagers – die het mooi vinden om in hun interieur een zebra of een mooie vogel te hebben staan.”

Is er een bepaald dier dat je liefst van al opzet?

“Een dier opzetten is altijd moeilijk, maar er zijn desondanks soorten die nog delicater zijn dan andere. Vogels zijn bijvoorbeeld heel fragiel. Hun pluimen vallen vanzelf uit en dus moet je heel nauwkeurig tewerk gaan. Er zijn ook zoogdieren die delicater zijn dan andere. Het leer van een giraf is bijvoorbeeld iets speciaals, want de opperhuid laat bijna onmiddellijk los. Als zo’n dier sterft moet je er dus heel snel bij zijn.”

Wat was het vreemdste verzoek dat je ooit gekregen hebt?

“Ik heb al erg bijzondere dingen gemaakt. Ik werk vaak voor hedendaagse kunstenaars, zo heb ik bijvoorbeeld de getatoeëerde varkens van Wim Delvoye opgezet.”

“Maar mijn spectaculairste verwezenlijking is zonder twijfel die van een volledige olifant die op zijn slurf staat. Dat werk is 5,60 meter hoog. Ik heb het gemaakt op vraag van de Franse kunstenaar Daniel Firman. De waarde van zijn kunst is door dit werk trouwens geëxplodeerd en hij wordt nu overal gevraagd. Die olifant, die Würsa heet, werd tentoongesteld in paleizen in Tokio en Parijs en vervolgens in het kasteel Fontainebleau. Om die olifant te kunnen maken heb ik een staaf van bijna 2 meter in de slurf gestoken. Het was ook moeilijk om het zwaartepunt van de sculptuur te vinden. Nadat we de huid hadden aangebracht waren de poten veel zwaarder geworden, waardoor de olifant omgevallen is en we opnieuw zijn moeten beginnen.”

“Ik heb van kunstenaars ook al de vraag gekregen om fantasiedieren te maken. Iemand vroeg me bijvoorbeeld om een aap met de poten van een eend en hoorns.”

Wat zijn de belangrijkste problemen die je ondervindt bij je werk?

“Het is een beroep waarbij je moeilijk voldoening krijgt. Als je een dier monteert en hem laat drogen, bekijk je het daarna met andere ogen en zie je heel wat fouten. Dat is erg frustrerend, want het is heel moeilijk, zoniet onmogelijk, om die achteraf nog te verbeteren. Zelfs als een klant tevreden is, zie ik zelf vaak nog veel tekortkomingen.”

“Het is een ware ambacht. Dat betekent ook dat je steeds fouten kan maken. Het is niet bijvoorbeeld niet omdat je vijf leeuwen mooi hebt kunnen opzetten, dat de zesde even goed zal zijn. Je moet altijd jezelf in vraag stellen en nooit op je lauweren rusten.”

De verhuis van de olifant Würsa, van het paleis in Tokio naar het kasteel in Fontainebleau:

Foto's: Magali Henrard