Werklozen zien hun uitkering sinds 1 november sneller dalen

Sinds 1 november dalen de werkloosheidsuitkeringen sneller dan voorheen. Dat de uitkeringen sneller moeten dalen werd al afgesproken in het regeerakkoord van de regering Di Rupo I. De modaliteiten lieten echter even op zich wachten.

De sneller dalende werkloosheidsuitkeringen moeten voor meer budgettaire ruimte zorgen, maar moeten ook werklozen meer aansporen om aan het werk te gaan.

Uitzonderingen

Eerder bestond al de regeling dat de uitkeringen dalen in de tijd, maar sinds 1 november gaat dat sneller. Voor een aantal groepen werklozen geldt de regeling echter niet:

  • gezinshoofden of alleenstaanden die ouder zijn dan 55 jaar
  • werklozen met meer dan 20 jaar werkervaring onder de gordel
  • tijdelijke werklozen
  • werklozen die deeltijds werken en een inkomensgarantie-uitkering hebben

Voor alle andere werklozen, ook de huidige, geldt sinds 1 november de volgende regeling.

De werkloosheidsuitkering

Het eerste jaar van de werkloosheid

  1. De eerste drie maanden krijgt men 65% van het laatste brutoloon, met een maximum van 1.541 euro netto. Hiervoor was dat nog 60% van het brutoloon. Deze regeling gaat pas in vanaf januari 2013.
  2. De volgende drie maanden van de werkloosheid verandert er niets ten opzichte van de vorige regeling. Men krijgt 60% van het brutoloon, met een maximum van 1.422 euro netto.
  3. De volgende zes maanden van de werkloosheid krijgt men eveneens 60% van het brutoloon, begrensd op 1.326 euro. Ook hier verandert er niets ten opzichte van de vorige regeling.

Vanaf het tweede jaar van de werkloosheid

  1. De eerste twee maanden van het tweede jaar werkloosheid, plus twee maanden per gewerkt jaar, krijgen werklozen 40% tot 60% van het laatst verdiende brutoloon, afhankelijk van de gezinssituatie:
    • Gezinshoofden krijgen 60% van hun laatste brutoloon, met een maximum van 1.239 euro netto.
    • Alleenstaanden krijgen 55% van hun laatste brutoloon, met een maximum van 1.111 euro netto.
    • Samenwonenden krijgen 40% van hun laatste brutoloon, met een maximum van 826 euro netto.
  2. In de vijfde periode zijn twee mogelijkheden:
    • Als de werkloze minder dan zes jaar werkervaring heeft, gaat hij onmiddellijk door naar de minimale uitkering van de zesde periode.
    • Als de werkloze meer dan zes jaar werkervaring heeft daalt zijn werkloosheidsuitkering stelselmatig gedurende maximaal twee jaar. Na die periode valt hij terug op een minimale uitkering.
  3. Na minimaal 14 maanden en maximaal vier jaar werkloosheid valt elke werkloze terug op een minimale uitkering, die niet meer wordt berekend op basis van het laatst verdiende brutoloon.
    • Gezinshoofden krijgen 1.090 euro netto per maand
    • Alleenstaanden krijgen 916 euro netto per maand
    • Samenwonenden krijgen 484 euro netto per maand

    Anders dan voorheen zullen nu ook gezinshoofden en alleenstaanden terugvallen op de minimale uitkering. Tot nu toe was dat alleen het geval bij samenwonenden.

Voor- en tegenstanders

Vakbonden staan negatief tegenover de minimale uitkeringen. Het ACV oppert dat de minimale uitkering voor een gezinshoofd 30% onder de Europese armoedenorm ligt, terwijl de minimale uitkering voor een alleenstaande 11% onder die norm ligt. Het ABVV en ACLVB leggen gelijkaardige cijfers voor. Ook Groen-voorzitter Wouter Van Besien sprak zich uit tegen de degressiviteit: "Dit duwt werklozen regelrecht onder de armoedegrens", liet hij in mei dit jaar weten.

Uit de politieke liberale hoek is men wel tevreden met de hervormingen, vooral in het kader van een activeringsbeleid. Volgens Open Vld tonen internationale studies aan dat mensen de opstap naar werk vlotter maken wanneer uitkeringen worden afgebouwd. "Een blik over de landsgrenzen leert dat doorgedreven activering leidt tot méér ingevulde jobs en minder armoede," stelde voorzitter Alexander De Croo in mei. Werkgeversorganisatie Unizo snapt de kritiek van de vakbonden niet. Zij vinden de regel net "zeer redelijk, sociaal gecorrigeerd en uiterst voorzichtig vergeleken met de regeling in de meeste andere Europese lidstaten".