Aanvullend pensioen voor je werknemers: RSZ en fiscus kijken mee

Heel wat werkgevers bouwen een aanvullend pensioen op voor hun werknemers. Niet zelden worden daarbij echter de (para)fiscale implicaties over het hoofd gezien. Een korte opfrissing is dus op zijn plaats, zeker nu er een aantal nieuwigheden op ons afkomen, als gevolg van de nieuwe Programmawet van 22 juni 2012 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 juni 2012).
Het antwoord van Philippe Norman, HDP-Arista

Waarom een aanvullend pensioenplan?

De redenen om een aanvullend pensioenplan in te voeren in de onderneming zijn velerlei: aantrekken van nieuwe krachten (bij de werknemers groeit steeds meer het bewustzijn dat het wettelijke rustpensioen niet zal volstaan), retentie van personeel (de concurrentie biedt het ook vaak aan in het salarispakket), optimalisatie van het salarispakket (lagere socialezekerheidsbijdragen en belastingen – cfr. verder in dit artikel), etc.

Sommige sectoren hebben al een cao afgesloten waardoor de werkgevers die onder die sector vallen zelfs verplicht zijn om bijdragen te betalen voor de opbouw van een aanvullend pensioen voor hun werknemers (bijv. Paritair Comité 111, 112, 209, etc.).

Hoe wordt een aanvullend pensioen opgebouwd?

In de meeste gevallen wordt een aanvullend pensioen gefinancierd via een overeenkomst met een verzekeringsmaatschappij, in het kader van een zgn. groepsverzekering (de financiering via een pensioenfonds is ook mogelijk maar komt minder vaak voor). Naast een aanvullend pensioen wordt in een dergelijke groepsverzekering vaak ook voorzien in de dekking van een aantal andere risico’s (bijv. overlijden, arbeidsongeschiktheid, en dergelijke meer).

De werkgever betaalt een premie aan de verzekeringsmaatschappij, die op het ogenblik van de (vervroegde) pensionering resulteert in een opgebouwd pensioenkapitaal, bovenop het wettelijke rustpensioen. Veel pensioenplannen voorzien eveneens in een persoonlijke bijdrage door de werknemer die dan doorgaans van het nettoloon van de werknemer wordt ingehouden.

RSZ en fiscus

1. Werkgever

De premies die de werkgever betaalt in een aanvullend pensioenplan voor zijn werknemers zijn onderworpen aan een specifieke patronale bijdrage van 8,86%, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Wij stellen vast dat het aantal controles naar de betaling van deze bijzondere bijdrage stelselmatig stijgt. Bovendien worden die ook steeds doeltreffender. Met de verdere uitbouw van een database (DB2P genaamd, verwijzend naar database tweede pijler) met informatie over de aanvullende pensioenen) beschikt de overheid immers over steeds meer gegevens, die kunnen gekruist worden met de gegevens die gehaald worden uit de dmfa-aangiften.

Daarnaast dient de werkgever op de premies die aan de verzekeringsmaatschappij betaald worden, een zgn. premietaks gelijk aan 4,4% te betalen.

Daar komt nog bij dat de Programmawet van 22 juni 2012 voorziet in een extra patronale socialezekerheidsbijdrage van 1,5% op de “hoge” aanvullende pensioenen (i.e. aanvullende pensioenen waarvoor er patronale pensioenbijdragen van 30.000 euro per jaar en meer betaald worden) en dit al met ingang vanaf dit jaar!

De werkgever heeft de verplichting om na te gaan of er voor een bepaald jaar een overschrijding is van deze grens. Is dit het geval, dan is hij in het vierde kwartaal van dat jaar de extra bijdrage van 1,5% verschuldigd aan de RSZ. Dit betreft een voorlopige maatregel die buiten werking zal treden wanneer een andere – definitieve – regeling van kracht zal worden.

2. Werknemer

Voor de werknemer zijn de premies tijdens de opbouwfase vrijgesteld van sociale zekerheid en belastingen (er geldt zelfs een belastingvermindering voor de eventuele persoonlijke werknemersbijdragen).

Op het moment van het opnemen van het uiteindelijke pensioenkapitaal, wordt een RIZIV-bijdrage (3,55%) en een solidariteitsbijdrage (tussen 0% en 2%) ingehouden.

Bovendien zal er op de uitkering een belasting geheven worden van 16,5% (+ gemeentebelasting) van het kapitaal dat gevormd wordt door werkgeversbijdragen. Onder bepaalde voorwaarden kan het tarief zakken naar 10% (+ gemeentebelasting). Het kapitaal dat werd opgebouwd door persoonlijke werknemersbijdragen wordt steeds belast aan 10%.

Er dient wel al gewezen te worden op de nieuwe maatregelen die in het regeerakkoord Di Rupo I stonden en nu in de nieuwe Programmawet werden opgenomen. Daarin wordt de belastingvoet voor de kapitalen die zijn opgebouwd door werkgeversbijdragen namelijk gewijzigd voor de uitkeringen die worden betaald of toegekend vanaf 1 juli 2013. Dit worden vanaf dan de tarieven:

  • 20% + gemeentebelasting bij uitkering op 60 jaar
  • 18% + gemeentebelasting bij uitkering op 61 jaar
  • 16,5% + gemeentebelasting bij uitkering op 62 tot 64 jaar
  • 10% + gemeentebelasting bij uitkering op 65 jaar