Politieke paria én economisch wonderkind: lessen uit het beloofde land

Geen land ter wereld roept zoveel gepolariseerde reacties op als Israël. En geen land ter wereld trekt zoveel durfkapitalisten aan, zet zo zwaar in op innovatie of heeft zoveel technologiebedrijven op de Nasdaq genoteerd als datzelfde Israël. Net geen 5 procent economische groei in tijden van crisis: faut le faire. Een reportage uit het beloofde land.

Bekijk hier de uitgebreide fotoreportage!

Op het gigantische televisiescherm dat Ofer Wolf voor onze neus heeft neergepoot, dolt Lionel Messi met drie tegenstanders. Waarna de Argentijnse balkunstenaar de bal loepzuiver in de netten deponeert. Een actie van een hemelse schoonheid, altijd en overal, maar nog stukken indrukwekkender wanneer je het in 3D kan bewonderen. En laat dit wow-effect nu net de reden zijn waarom Wolf ons meegetroond heeft naar een achterafzaaltje in dit bedrijvencomplex – correctie: ‘incubator house’ – in een buitenwijk van Tel Aviv. Vijf jaar geleden was dit nog een stoffige zandvlakte, vandaag rijst hier het ene hightechbedrijfje na het andere uit de grond. Tot vandaag herbergt de incubator zelf er al 33 op een oppervlakte van 1700 m². Goed voor het absolute minimum aan kantoorruimte en hier en daar zelfs een klein laboratorium, de nodige administratieve en strategische ondersteuning en een soort gemeenschappelijke cafetaria waar even ambitieuze als briljante ondernemers elkaar op elk moment van de dag kunnen treffen bij een kop koffie.

“Jaarlijks krijgen we minimaal 400 aanvragen van starters op zoek naar centen. Hooguit 10 tot 12 krijgen finaal ook verlossend nieuws, na een zware selectie door vakspecialisten,” vertelt managing partner Uri Weinheber. “Zij vangen minstens 500.000 dollar investeringssteun per start-up. Voor wat hoort wat, en in ruil voor al dat moois bemoeien wij ons dan ook heel actief met de strategische keuzes van die bedrijfjes. We ontmoeten hun ceo’s wekelijks. Ik vind dat ook niet zo vreemd: uiteindelijk zijn wij het die de risico’s nemen.”

SterGen, waar we net de fluwelen baltoets van Lionel Messi in 3D gedemonstreerd kregen, zag hier twee jaar terug het daglicht. Ofer Wolf: “Wij hebben een technologie ontwikkeld om gewone 2D-beelden van grote sportwedstrijden ter plekke meteen om te zetten in 3D-beelden. Tot vandaag moest je daarvoor een hele rist 3D-camera’s en flink wat extra mensen inzetten. Dankzij onze software is dat voltooid verleden tijd. In sommige landen bestaan er al sportzenders die enkel in 3D uitzenden, en de prijs van dat soort televisieschermen is al spectaculair gezakt. Het potentieel voor onze technologie wordt dus almaar groter en sinds kort biedt HTC nu ook smartphones aan die geschikt zijn voor 3D-beelden.”

Alvorens hij SterGen mee uit de grond stampte, bekleedde Wolf topmanagementfuncties bij andere succesvolle lokale technologiebedrijven. “Ik had daar soms honderden mensen onder mij, maar kon finaal niet de echt strategische beslissingen nemen. Hier neem ik die beslissingen wél zelf, al heb ik in ruil daarvoor natuurlijk flink wat zekerheid en loon moeten inleveren. Het zal je verbazen, maar dat is hier in Israël heel gewoon. Ik heb nogal wat vrienden en ex-collega’s bij wie het runnen van een start-up hoog op het verlanglijstje prijkt. Op dat vlak verschillen we fundamenteel van Europa: ik heb enkele jaren in Italië gewerkt, en het viel me toen al op dat mensen daar veel meer op hun comfort gesteld zijn, veel minder bereid risico’s te nemen ook.”

Ballen aan je lijf

Die wat aparte mix van lef, branie, zelfvertrouwen en ondernemingszin: de Israëli’s hebben er zelfs een speciaal woord voor: ‘chutzpah’. Of ‘gotspe’ in het Nederlands: ballen aan je lijf, guts zeg maar. Wolf illustreert het ons met een voorbeeld uit de dagdagelijkse praktijk. “Ik was er nogal sterk van overtuigd dat onze technologie voldoende innovatief was om de interesse van de grote jongens te wekken. En dus heb ik ooit een mailtje gestuurd naar Steve Jobs. Met de vraag wat hij vond van onze technologie. Ik kende hem van haar noch pluim, had ook geen mailadres, maar vond het wel het proberen waard. De volgende dag kregen we al een bemoedigend antwoord, met een aantal lijnmanagers bij Apple in kopie om de zaak verder op te volgen.”

De rol van de overheid in het dynamische start-up- en innovatielandschap in Israël kan amper overschat worden. In theorie kan een startende ondernemer tot 85 procent van zijn startkapitaal door de overheid voorgeschoten krijgen. “Dat is ronduit uniek, geen enkel ander land ter wereld durft op dat vlak zo veel risico’s te nemen,” stelt Harold Wiener, oprichter en partner van het ‘groene’ investeringsfonds Terra Venture Partners. Zelf is hij afkomstig uit Uruguay, belandde op zijn twintigste in het beloofde land en maakte er carrière in de chemiesector alvorens in te zetten op groene start-ups.

“Met het oog op de screening en financiering van beloftevolle start-ups werd tot op het niveau van elk ministerie een fijnmazig systeem uitgewerkt. Centraal daarbij staat de zogenaamde ‘chief scientist’, een overkoepelend investeringsorgaan voor start-ups dat over specialisten in de meest uiteenlopende technologische domeinen beschikt. Zij onderzoeken alle dossiers op technologische relevantie maar net zo goed op het internationale marktpotentieel.”

Wie daar bot vangt, kan ook aankloppen bij een van de vele lokale ‘business angels’: investeerders die goed geld verdiend hebben aan hun eigen start-up en nu op zoek zijn naar beloftevolle nieuwe bedrijfjes om hun centen in te investeren. Zij schieten doorgaans niet enkel geld voor, maar kunnen ook heel wat deuren open. Een derde belangrijke speler zijn de talloze durfkapitaalfondsen die hun centen massaal in jonge Israëlische start-ups willen investeren. Ter illustratie: Israël trekt jaarlijks 170 dollar durfkapitaal aan per inwoner. In de VS is dat 75 dollar per jaar, in België welgeteld 12 dollar. Zij treden doorgaans pas aan wanneer een start-up al bewezen heeft wel degelijk iets in zijn mars te hebben. “Het volstaat om even de websites aan te klikken van de belangrijkste durfkapitalisten ter wereld,” vertelt Wiener. “Doorgaans hebben zij een vestiging in Silicon Valley, eentje in China, eentje in India en een vierde in Israël. Dat is geen toeval.”

De rol van de overheid gaat evenwel een stuk verder dan puur het financieren van beloftevolle bedrijfjes of technologieën. Ofer Wolf: “Minstens even belangrijk zijn de strategische keuzes die de overheid maakt om veelbelovende technologieën die hier ontwikkeld worden een duwtje in de rug te geven. In ons concrete geval stimuleert de overheid bijvoorbeeld mobiele operatoren of televisiezenders om zelf ook in te zetten op deze 3D-technologie, bijvoorbeeld door het verkopen van licenties daarvoor. Dat hebben ze afgekeken van de Chinezen, al bakken die het doorgaans nog iets bruiner. Zo dwong de Chinese regering de televisiezender CCTV haast letterlijk om een eigen 3D-kanaal op te starten. Enkel en alleen om de Chinese bedrijven te steunen die hiermee bezig zijn.”

Omdat de Chinese markt toch net dat tikkeltje groter is dan de Israëlische markt, houdt elke verdere gelijkenis daar ook op. Meer nog: geen enkele Israëlische startende onderneming denkt er zelfs maar aan producten te ontwikkelen voor de lokale markt. “Die is veel te klein. Naar de buurlanden moeten we ook al niet kijken, want die weigeren zaken te doen met ons. Dus mikken de meeste starters hier van bij het begin resoluut op de VS of Europa, en beschouwen ze de lokale markt als de ideale testmarkt,” aldus nog Wolf. “Intussen zijn wij er in geslaagd ook de aandacht te trekken van een grotere speler in onze markt, en zij hebben twee miljoen dollar in ons bedrijf gestopt, in ruil voor 20 procent van de aandelen. Dat geld laat ons nu toe om internationaal op meerdere paarden tegelijk te wedden.”

Gek

Waarin schuilt dan het grootste verschil tussen een Israëlische ondernemer en pakweg een Europese of Zuid-Amerikaanse? Wiener hoeft er niet lang over na te denken. “Het is geen kwestie van knowhow of opleiding. Het is een kwestie van mentaliteit: wij zijn gek genoeg om door te gaan waar andere ondernemers al lang zouden gestopt zijn, we hebben geen angst om risico’s te nemen. Ikzelf bijvoorbeeld heb nooit eerder in mijn carrière zo weinig verdiend als in de laatste jaren, sinds ik dit investeringsfonds heb opgericht. Dat  kan me weinig schelen, omdat ik ervan overtuigd ben dat ik een rol te spelen heb in dit land. En omdat ik geloof dat we alles op alles moeten zetten om minder afhankelijk te worden van olie en al evenmin kunnen doorgaan met het verspillen van water zoals we dat al vele decennia doen. Deels vloeien die durf en ondernemingszin ook voort uit de liefde voor dit land: als we voorlopen op technologisch vlak, of het nu om puur militaire toepassingen of om brandstofcellen gaat, dragen we ook een  steentje bij tot onze overlevingskansen.”

Ofer Wolf beaamt: “Dat lef, die bereidheid om er helemaal voor te gaan en nieuwe bedrijfjes op te starten, zit gewoonweg in onze cultuur. Omgekeerd hebben we lak aan regeltjes, overdreven veel administratie en hiërarchie. En misschien is dat ook niet zo verbazingwekkend als je dag in dag uit op de rand van de afgrond leeft, in het besef dat één goed gemikte raket het einde kan betekenen. (droog) Nogal wat mensen in onze buurlanden vinden ons niet echt overdreven leuk. En dus begint die drang om te overleven, om altijd en overal de besten te zijn, al in het leger. Mannen hebben hier drie jaar dienstplicht, vrouwen twee jaar. Het leger selecteert mensen op basis van hun achtergrond en opleiding en test ze ook, en enkel het neusje van de zalm komt samen in afdelingen waar aan onderzoek en ontwikkeling wordt gedaan. Het is heus niet voor niets dat de antiraketsystemen die wij hier vandaag gebruiken de beste ter wereld zijn.”

Het succesrecept voor een ‘start-up nation’

“Geen enkel land ter wereld heeft zoveel technologiestarters als Israël,” stelt Saul Singer, Amerikaans journalist en auteur van het boek ‘Start-Up Nation’. “Bovendien trekt het land wereldwijd per capita ook veruit het hoogste bedrag aan durfkapitaal aan en spenderen we jaarlijks 4,5 procent van het bnp – ter vergelijking: in België halen we met moeite 2 procent, nvdr – aan onderzoek en ontwikkeling. De regering heeft twintig jaar geleden een soort superfonds ontwikkeld waarin ze samen met lokale én Amerikaanse durfkapitalisten geld stortte. Omdat diezelfde regering zich toen ook bereid toonde om een stevig gedeelte van het risico op zich te nemen, kende dat initiatief onverwacht veel succes. Daardoor is Israël op enkele jaren tijd geëvolueerd van een land waar het bijzonder lastig was om startkapitaal te vinden tot de lieveling van investeerders wereldwijd. In die mate zelfs dat, toen dat fonds een aantal succesbedrijven in portefeuille had, de durfkapitalisten de regering uitkochten waardoor we nog meer buitenlands geld konden aantrekken.

Daarnaast beseffen politici hier dat het land er alle belang bij heeft om zich heel soepel en welwillend opstellen tegenover startende ondernemers, vooral in de technologische sector. Dat vertaalde zich concreet in zeer aantrekkelijke financieringsregelingen voor nieuwe technologiebedrijfjes en in een minimum aan regels en administratieve poespas. Maar ook in een behoorlijk ambitieus incubatorprogramma, dat deels met overheidsgeld gefinancierd wordt. In heel het land zijn er 24 van dergelijke incubators. Het zijn heel actieve investeerders die na een uitgebreide screening logistieke en financiële ondersteuning bieden aan starters. Daar komt nog bovenop dat haast alle ministeries een eigen O&O-programma hebben, net zoals heel wat ziekenhuizen en universiteiten, en ook inzetten op de commercialisering daarvan.”

Iedereen droomt van het Israëlische model, maar hoe begin je daaraan?

“Het vaakst gehoorde antwoord daarop is clustervorming, en ik denk dat dit ook klopt. In Silicon Valley waren het Stanford University als onderzoeksinstituut en HP als bedrijf die de toon hebben gezet. Hier was het onder meer Intel, dat hier ruim 30 jaar geleden al zijn eerste buitenlandse R&D-centrum opende, dat mee aan de kar trok. In hun zog volgden tal van andere bedrijven, die samen clusters gingen vormen."

"Toch spelen in Israël ook nog enkele andere factoren. Dit is een land van immigranten, en zij beschikken bij uitstek over twee essentiële karaktertrekken voor innovatie: de gedrevenheid om ervoor te gaan en de bereidheid om risico’s te nemen. Het is een groot misverstand dat het bij innovatie in eerste instantie om goede ideeën draait: in elk land ter wereld hebben mensen goede ideeën. Migranten zijn ‘natuurlijke’ ondernemers, alleen al door het feit dat ze bereid zijn om van het ene land naar het andere te trekken.”

Terwijl immigratie in de meeste Europese landen vandaag geen kans maar veeleer een probleem lijkt?

“Dat klopt, maar om tot een geslaagd huwelijk te komen moeten migranten ook bereid zijn opgenomen, geabsorbeerd te worden door het gastland, en zich de lokale cultuur eigen te maken. Daarnaast moeten er ook inspanningen gedaan worden om hen te integreren. Beide voorwaarden zijn hier vervuld. Jaarlijks keren tienduizenden Joden uit alle werelddelen naar Israël terug, vrijwillig, en wij bieden hen daarbij ook een goed uitgekiend integratieparcours aan. Dat vertaalt zich dan bijvoorbeeld in financiële steun en lessen Hebreeuws.”

In welke mate is het Israëlische model ook echt kopieerbaar?

“De regering kan innovatie ondersteunen, maar in essentie moet dat van beneden uit groeien. En ook al zijn Belgen van nature uit misschien niet zo ondernemend of bereid om risico’s te nemen, je kan zoiets ook stimuleren, zodat er een soort ‘subcultuur’ontstaat. Het mooiste voorbeeld daarvan zijn de VS versus Silicon Valley: één land, allemaal Amerikanen, maar toch groeide maar een klein deeltje van dat land uit tot hét innovatiemekka van de wereld. Een aantal succesverhalen kunnen op dat vlak wonderen doen: meer dan wat ook zetten die andere mensen aan om het ook te proberen. Toegegeven, dit is een beetje het verhaal van de kip en het ei, maar net vandaag, in tijden van economische crisis, voelen mensen soms sneller de nood om uit hun comfortzone te treden.”

Innovatie vraagt vooral ook veel centen: hoe kom je als land of regio op de radar van durfkapitalisten of grote investeerders?

“Daar is een taak weggelegd voor de politici: zij moeten hun land op de radar plaatsen, de succesverhalen uitdragen. En vergeet niet: wie massaal inzet op innovatie lokt op iets langere termijn ook massaal de grote jongens aan die kansen tot schaalvergroting zien, iets waar zij doorgaans veel beter in zijn dan de echte ondernemers. Kijk maar naar wie hier vandaag zoal zit: van Google of Intel over Microsoft of Yahoo tot IBM en Cisco. IBM kocht hier intussen zelfs al 11 start-ups op.”

Belgische bedrijfsleiders klagen steen en been over de te hoge loonkosten, of dreigen zelfs  met een vertrek naar het buitenland. Hoe pakt Israël dat dan, met al die dure ingenieurs en it’ers?

Arbeid is hier nog iets goedkoper dan in West-Europa of Silicon Valley, maar het verschil wordt almaar kleiner. Landen met een goed opgeleide bevolking moeten gewoonweg aanvaarden dat hun toegevoegde waarde enkel in innovatie kan schuilen, niet in relatief goedkope repetitieve arbeid. En dus moet je investeren in bedrijven en technologieën die genoeg toegevoegde waarde bieden. Ook hier zal en moet er altijd een vorm van industriële productie overblijven, maar in essentie zit er in landen als Israël, de VS of België niets anders op dan nog veel zwaarder in te zetten op opleiding en onderwijs. Dat zie je vandaag overigens ook al in China, waar ze maar al te goed beseffen dat hun toekomst niet zal blijven liggen in de productie van goedkope broodroosters of televisieschermen.”

Het leger als übernetwerk én hightechbedrijf

“Drie jaar heb ik in het leger gewerkt, een volwaardige onderzoeksbaan samen met duizenden andere ingenieurs”, vertelt Shai (34), vandaag hoofd O&O bij SterGen. “Als ingenieur verdiende ik er zowat 2.800 euro netto per maand en ik legde er de basis voor mijn latere carrière.”
Mannen moet in Israël drie jaar het leger in, vrouwen twee jaar. Wie eerst naar de universiteit wil, moet achteraf ook nog drie jaar ‘werken’ in militaire dienst. “Het leger en de inlichtingendiensten spelen een essentiële rol op vlak van innovatie. Alleen bet beste van het beste is daar goed genoeg. En dus gaat onderzoek en innovatie voor militaire doeleinden vaak stukken verder, waarna de zo ontwikkelde technologie later vaak ook voor gewone commerciële doeleinden bruikbaar is. Bovendien is die verplichte legerdienst van drie jaar in het gezelschap van mensen met een gelijklopende achtergrond en expertise ook van onschatbare waarde voor je latere netwerk: het aantal deals en start-ups dat hier voortkomt uit de legerdienst is onwaarschijnlijk hoog.”

Regering, bedrijven en vakbonden: één strijd

“Binnen de Manufacturers’ Association of Israel (MAI) –  het plaatselijke VBO zeg maar, nvdr –  werd onlangs een speciale afdeling voor start-ups opgericht,” vertelt Dan Catarivas, directeur internationale relaties van de organisatie. “Dit moet ons toelaten om kleine, innovatieve bedrijfjes van bij de start te helpen en te promoten. Daarnaast hebben wij ook een rechtstreekse lijn met de regering om bepaalde strategieën door te drukken, om meer geld te krijgen voor bepaalde sectoren of technologieën, noem maar op. In die zin zijn wij ook een belangrijke politieke speler."

"We hebben overigens ook een heel goede band met de vakbonden: de voorbije 5 jaar hebben we hier haast geen stakingen meer gekend, en zes maanden geleden zijn wij – samen met de vakbonden – bij de regering gaan lobbyen om de minimumlonen op te trekken. Vanuit het besef dat de levensduurte hier te snel gestegen was. We hebben toen samen ook onze slag thuisgehaald, en nu ligt het minimumloon op zowat 900 euro.”

Omdat de binnenlandse markt heel klein is en omdat Israël omringd is door buurlanden waarmee het weinig of geen betrekkingen onderhoudt, moesten de Israëli’s zich van meet af aan focussen op de Europese en Amerikaanse markten. “Ergens hebben we een groot nadeel omgedraaid in een voordeel: export is voor ons nu een echte groeimotor geworden,” aldus nog Catarivas. “De enige strategie om te scoren op die Europese en Amerikaanse markt is innovatie. De regering heeft dan ook een aantal organismen gecreëerd die uitsluitend bezig zijn met het faciliteren van de toegang tot buitenlandse markten en met exportpromotie. En ondernemers hier weten ook dat innovatie met het oog op de export de enige garantie op commercieel succes is.”

Better Place: icoon van de Israëlische innovatiedrang

Een bedrijf dat – o ironie - onderdak vond in oude opslagtanks voor olie, voor de deur met een eigen proefcircuit pronkt en in de toonzaal kwistig met iPads zwaait? Hip en modern, jazeker, soms wat kitscherig Californisch ook, maar Better Place is vandaag zonder meer het meest succesvolle uithangbord van de Israëlische ondernemingszin.

“How do you make the world a better place by 2020?” luidde de centrale vraag op het World Economic Forum 2005. Shai Agassi, een Israëliër met Iraakse roots die carrière maakte bij softwaregigant SAP en het daar tot gedoodverfde opvolger van de toenmalige topman schopte, besloot de uitdaging aan te gaan en zijn riante loon en dito carrière vaarwel te zwaaien. Hij vond het antwoord in een start-up die de elektrische wagen betaalbaar wil maken. En meteen ook komaf wil maken met de grootste handicap ervan: het al te beperkte bereik van de peperdure batterij. “Als dit verhaal aanslaat, verbeteren we de wereld al op minstens twee vlakken,” klinkt het. “We zijn niet langer met handen en voeten gebonden aan olie en we maken een einde aan de massale uitstoot van schadelijke uitstootgassen.”

Anno 2012 lijkt hij goed op weg zijn droom waar te maken. Na een proefrit in de volledig elektrische Renault Fluence kunnen we enkel maar toegeven dat die wagen stukken geruislozer en zachter bolt dan ons eigen exemplaar thuis op de oprit. En dankzij een bijzonder goed uitgekiend businessmodel biedt Shai een pasklaar antwoord op de twee grootste operationele uitdagingen: het prijskaartje van de lithiumbatterij – tot 10.000 euro – en het veel te beperkte rijbereik van hooguit 200 kilometer. Better Place koppelt biedt nu elektrische wagens aan zonder batterij, waarbij de batterijen eigendom blijven van het bedrijf. Lege batterijen kunnen in een handomdraai ingeruild worden voor een volle in één van de nu al ruim 40 oplaadstations in Israël. Privéklanten of de ruim vierhonderd leasebedrijven die intussen al inschreven op een meerjarencontract krijgen, naast een bijzonder verregaande service en technische ondersteuning, toegang tot al die oplaadstations. Daarnaast zorgt Better Place ook voor oplaadpunten in de eigen garage of op de bedrijfsparking. “Het principe is simpel,” legt Shai uit. “De meeste bestuurders gebruiken hun wagen hooguit twee uurtjes per dag. De rest van de tijd staat die bolide stil, en kan hij dus ook perfect worden opgeladen. Dat duurt zes tot acht uren. Daarvoor bouwen we in Israël een netwerk uit van laadpunten en oplaadstations waar je je lege batterij kan inruilen voor een volle. Dankzij onze technologie gaat dit sneller dan benzine tanken. We mikken vooral op die bestuurders die hun wagen dagelijks gebruiken, want dat zijn ook de grootste vervuilers.”

En wat moet dat zoal kosten? “De prijzen lopen sterk uiteen, afhankelijk van de formule waarvoor je opteert, maar reken – bovenop de aankoopprijs van de elektrische wagen zelf – op een bedrag ergens tussen de 100 en 300 dollar per maand. Daarin zit alles inbegrepen: het gebruik van de batterijen en laadstations, bijstand, onderhoud van de wagen, noem maar op.”

Dat de plannen van Better Place behoorlijk ambitieus zijn, is een understatement. Het bedrijf haalde de voorbije jaren zomaar eventjes 750 miljoen dollar durfkapitaal op. Die centen zijn ook broodnodig, want het uitrollen van de nodige infrastructuur in een klein land als Israël kostte het bedrijf al 175 miljoen dollar. “Dat lijkt veel, maar het is exact evenveel als wat dit land in één week uitgeeft aan olie,” klinkt het. In Israël rijden er sinds kort al een honderdtal volledig elektrische wagens rond. En Better Place trok intussen ook al de Middellandse Zee over, naar Denemarken en enkele grote steden in Australië.

En wat met de kritiek dat de stroom die elektrische wagens verbruikt ook via vervuilende centrales wordt geproduceerd? “We kopen zoveel mogelijk groene stroom, en dat aandeel zal in de toekomst enkel maar toenemen. Dit is dus een eerste stap, een opstapje naar een betere wereld.”

Tekst: Filip Michiels vanuit Tel Aviv
Foto’s: Griet Dekoninck