Doni, 76 en nog aan de slag: "Tot mijn 70ste werkte ik voltijds"

Met het voorstel om de wettelijke pensioenleeftijd gradueel op te trekken tot zeventig jaar, gooide denktank Itinera vorige week een stevige kei in de Belgische kikkerpoel. Onze almaar stijgende levensverwachting maakt dit idee nochtans het overwegen waard, klinkt het bij specialisten én ervaringsdeskundigen.

76 en nog aan het werk

Doni, een ingenieur met enkele decennia ervaring in de verkoop van industriële koelsystemen op de teller, mocht vorige maand 76 kaarsjes uitblazen. Dat belet hem allerminst om wekelijks nog flink wat uurtjes te kloppen in dienst van Johnson Controls.

Doni: “Stoppen op mijn vijfenzestigste, het zei me helemaal niets. Ik deed mijn werk nog altijd heel graag en lag goed in de markt bij de collega’s. En vooral: ik had geen zin om van de ene dag op de andere alle ervaring en kennis die ik in al die jaren had opgedaan op te geven en het zwarte gat in te duiken. Die bedenking geldt overigens in twee richtingen: het gebeurt regelmatig dat jongere collega’s bij me aankloppen en me om raad vragen, ook zij kunnen mijn ervaring dus best waarderen.

"Na mijn 65ste besloten verder te werken"

Toen ik 65 werd en officieel met pensioen kon, heeft mijn werkgever mijn lopend contract gewoon verlengd. Wettelijk leverde dat geen problemen op: je bent niet verplicht om er op 65 mee te kappen, tenzij in een beperkt aantal beroepen en sectoren. Tot mijn zeventigste ben ik voltijds aan de slag gebleven, alsof er niets veranderd was. Mijn werkgever was maar al te blij dat hij nog wat langer op mijn ervaring en commerciële relaties kon terugvallen. Ook de klanten zelf zagen daar totaal geen graten in.

Wegens omstandigheden tijdelijk moeten stoppen

Toen ik zeventig was, is mijn vrouw ernstig ziek geworden. Op dat moment besloot ik er een punt achter te zetten en heb ik officieel mijn pensioen aangevraagd. Toen zij uiteindelijk overleed, ben ik toch opnieuw bij mijn vroegere werkgever aan de slag gegaan. Omdat ik toen al met pensioen was, kon ik niet langer voltijds werken (het bedrag dat je bovenop je pensioen nog mag bijverdienen, is wettelijk beperkt, nvdr). Officieel werk ik nu nog dertien uren per week, in praktijk zijn dat er vaak wel wat meer.

Meer nog: mocht mijn vrouw niet ziek geworden zijn, dan werkte ik vandaag vast en zeker nog altijd voltijds. Anderzijds kan ik me wel vinden in de huidige regeling: ik geniet nu wat meer vrijheid en spring bij waar en wanneer nodig. Ik klamp me ook niet wanhopig vast aan die job. Als mijn baas me morgen vraagt om een stap opzij te zetten, bijvoorbeeld omdat er mensen moeten afvloeien, dan is dat ook maar zo.

Leeftijd te arbitrair

Wel heb ik het altijd merkwaardig gevonden dat een wat arbitrair gekozen leeftijd het allesbepalende criterium zou zijn om er de stekker volledig uit te moeten trekken. Je gezondheid bijvoorbeeld, dat lijkt me een stuk relevanter als criterium. Mocht ik daarmee beginnen sukkelen, dan ben ik de eerste om er mijn conclusies uit te trekken. Al ben ik er intussen ook van overtuigd geraakt dat net het in beweging blijven ook heel wat positieve effecten heeft. Natuurlijk hebben jongere collega’s soms andere vaardigheden dan ik, of zijn ze op bepaalde vlakken gewoon een stuk beter mee of werken ze sneller, maar met een minimum aan creativiteit kan daar vlot een mouw aan gepast worden.”

Lees het volledige artikel in Vacature Magazine van 21 mei 2011.

Tekst Filip Michiels - Foto Tim Dirven