Woordanalogieën
Als je tijdens een sollicitatieprocedure geconfronteerd wordt met psychotechnische testen, krijg je meestal ook een aantal woordanalogieën voorgeschoteld. In zo'n testen moet je het logische verband tussen woordenreeksen vinden. De bedoeling van de rekruteerder is een beeld te krijgen van de vlotheid waarmee jij combinaties en associaties maakt op het verbale vlak.
Voorbeeld:
Vrouw : vrouwelijk
Man : ?
Logica: Je ziet meteen al dat je 'mannelijk' moet invullen. De dubbele punt bij de woordanalogieën betekent 'verhoudt zich tot'.
Aanpak
Achter elke woordtest kan een andere logica schuilen, wat verduidelijking kan dus handig van pas komen voor je je op de oefeningen stort.
- 1. Gemeenschappelijke categorie
- Hamer : beitel = appel : kers
- De woorden van het voorbeeldpaar behoren tot dezelfde categorie (hier werktuigen), de twee woorden van het te voltooien paar moeten ook tot dezelfde categorie behoren (hier: vruchten)
- 2. Categorie en lid
- Tang : werktuig = appel : vrucht
- Het tweede woord is de categorie waartoe het eerste behoort
- 3. Tegendeel
- Groot : klein = oud : jong
- Het eerste en tweede woord zijn het tegendeel van elkaar.
- 4. Deel en geheel
- Fiets : fietsbel = overhemd : knoop
- Het tweede woord duidt steeds een onderdeel van het eerste begrip aan.
- 5. Object en subject
- Straat : auto = fietspad : fiets
- Het subject heeft steeds een causaal verband met het object: de auto rijdt op de weg
- 6. Synoniem
- Walmen : roken = ogenblik : moment
- Aardappel : pieper = auto : wagen
- De woorden in de woordparen duiden hetzelfde voorwerp of dezelfde eigenschap of handeling aan.
- 7. Grammaticale betrekking
- Werpen : wierp = wassen : waste
- Tussen de twee woorden waaruit het woordpaar is samengesteld, bestaat een grammaticaal verband, in het verbeeld 'infinitief' : '1e persoon verleden tijd'
- 8. Samenstelling
- Avond : ster = snel : weg
- De woorden van een woordpaar vormen steeds een samengesteld begrip
- 9. Formele analogie
- Aap : avondkostuum = keuken : kaars
- Stout : hout = hek : rek
- Kort : bank = lever : zwaar
- In het eerste voorbeeld beginnen de woorden van elk woordpaar met dezelfde letter, in het tweede voorbeeld rijmen ze en in het derde voorbeeld bestaan ze steeds uit hetzelfde aantal letters.