Dossier farma: Staan R&D-afdelingen in farma met koffers klaar?
© Dominic Verhulst via ImageDesk De farmasector waarschuwt dat de investeringen in R&D teruglopen en jobs mogelijk in gevaar zijn als er verder bespaard wordt op het geneesmiddelenbudget. Een gewone kattebel voor de regeringsonderhandelaars of een oprechte noodkreet?
‘De R&D-investeringen bevinden zich op een keerpunt’. En ‘Blijft de geneesmiddelensector een belangrijke werkgever in België?’ Afgaand op de titels boven de laatste twee persberichten van belangenorganisatie Pharma.be, staan de farmabedrijven – en met name hun onderzoeksafdelingen - met de koffers klaar. De opgeheven vinger wijst naar de overheid, die binnen het gezondheidsbudget vooral op de uitgaven voor geneesmiddelen bespaart. De sector heeft naar eigen zeggen 65 procent van de besparingen moeten dragen, terwijl ze maar verantwoordelijk is voor 16,5 procent van de 24 miljard euro die de overheid jaarlijks aan gezondheid uitgeeft.
Nu er een nieuwe ronde zware besparingen aankomt, vreest de farmasector dat ze weer de kop van jut is. Vandaar dat ze twee tere punten aanraakt: de tanende R&D-investeringen in België en mogelijk jobverlies. Een sector die 31.500 mensen tewerkstelt, heeft natuurlijk recht van spreken als het over werkgelegenheid gaat. De vraag is echter of de situatie zo dramatisch is als ze wordt voorgesteld.
Tussen 2008 en 2010 hebben farmabedrijven in België goed 100 miljoen minder geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling (een daling van 1,88 miljard euro naar 1,78 miljard euro). In die periode gingen ook bijna 750 jobs verloren. Pfizer, Astra Zeneca en Boehringer Ingelheim saneerden dit jaar, Bayer en Roche vorig jaar. Het gros daarvan waren medische vertegenwoordigers en administratieve krachten. Zuivere onderzoeksjobs sneuvelden nauwelijks.
Het wegknippen van banen is dan ook een zuivere kostenoperatie. De grote farmabedrijven worstelen nog altijd met het verval van octrooien op goed verkopende geneesmiddelen. Het totale omzetverlies over de volgende vijf jaar wordt geschat op 100 miljard euro, met een piek in de periode 2010-2013. “Ze hebben maar een optie. En dat is grondig snoeien in hun verkoopsteams”, zegt Danny Van Quaethem, hoofdanalist bij Societé Générale Private Banking. Het patentverval op de blockbusters zorgt al jaren voor een stille aardverschuiving in de big pharma. Nieuwe verkoopssuccessen liggen niet meer voor het rapen. Niet alleen omdat het ‘laag hangende fruit’ er nu wel uit is, ook de geneesmiddelenwetgeving maakt het de bedrijven lastiger om een middel door de drie ontwikkelingsfasen te loodsen.
R&D uitbesteden aan universiteiten
Overnames en fusies zijn de enige manier om aan winstgroeiverwachtingen te voldoen. Zelfs op het hoogtepunt van de kredietcrisis gingen de grote farmabedrijven lustig door met overnemen. “Overnames zijn meestal rampzalig voor de R&D-afdelingen”, meent Van Quaethem. Hij verwijst naar de overname van Schering Plough door Merck in Nederland, waarbij de onderzoeksafdeling Organon (Akzo) werd gesloten en duizenden jobs verloren gingen.
Farmabedrijven mogen zich dan graag voorstellen als de hoeders van het geneesmiddelenonderzoek, hun houding tegenover R&D is de afgelopen jaren sterk veranderd. In plaats van er in huis dure onderzoeksafdelingen op na te houden, besteden ze de meest risicovolle research vandaag uit aan universiteiten of kleine biotechbedrijven. “Dat is een gevolg van de financiële logica die voet aan grond heeft gekregen in de farma”, zegt Jan Van Den Bossche, analist bij Petercam. “Beleggers nemen geen genoegen meer met het aantal nieuwe moleculen dat een onderzoeksafdeling heeft gevonden. Het rendement op investeringen in onderzoek is laag. Bedrijven hebben de keuze, ofwel meer rendement – zeg maar nieuwe producten, ofwel knippen in de R&D.” Het management aanvaardt die harde financiële wetten en betaalt liever een milestonefee aan een externe partner, dan een dure mislukking te moeten presenteren aan de aandeelhouders.
De verschuiving van R&D naar buitenshuis is niet echt nieuw. Al in 2001 berekende het Amerikaanse National Health Institute dat het onderzoek voor de vijf best verkopende medicijnen van dat moment (waaronder Prozac) voor meer dan de helft aan universiteiten en door de belastingbetaler gefinancierde onderzoeksinstituten was gebeurd. Slechts 14 procent van het volledige R&D-budget van de grote farmabedrijven ging naar onderzoek voor nieuwe geneesmiddelen, het gros was gereserveerd voor toegepast onderzoek en productontwikkeling.
Opvallend ook, een farmabedrijf spendeert gemiddeld 15 procent van zijn totaal budget aan onderzoek en liefst 30 procent aan marketing. De bewering van de Belgische farmasector dat ze de helft van wat ze terugkrijgt via de ziekteverzekering in R&D investeert, krijgt in dat licht een interessante betekenis. ‘Het boeiende gevecht om de geneesmiddelen bij de patiënt te brengen’, zoals Leo Neels, Algemeen Directeur van Pharma.be het uitdrukt, is ook complexer geworden sinds de merkproducten de markt moeten delen met de generieken.
Generieken versus merken
In ons land stelt de sector van de generische middelen 700 mensen te werk. “Een pak minder dat de grote farmabedrijven, maar in tegenstelling tot hun onderzoekers allemaal mensen die een band hebben met de Belgische markt”, zegt Olivier Remels, woordvoerder van belangenorganisatie Febelgen. Generieken zijn bij lancering verplicht 44 procent goedkoper dan een merkproduct (in sommige gevallen tot 90 procent). “Ondanks die zware prijserosie blijven we op een verkoopvolume van 20 procent hangen. In de ziekenhuizen, waar de merken een sterkere voet aan de grond hebben, zelfs maar 2 procent. Zelfs met de lancering van nieuwe middelen kunnen we dat gat niet dichtrijden”, zegt Remels.
Nu al blijven generische medicamenten in de kast liggen omdat ze niet rendabel zijn. Grote farma’s vertragen ook doelbewust de lancering van generieken door gebruik te maken van de extensiemogelijkheden op patenten. “Doordat een farmabedrijf een pediatrische toepasssing kon afdwingen voor een cholesterolverlager, hebben we zes maanden langer moeten wachten. Het Riziv is zo een besparing van 24 miljoen euro misgelopen.”
Vreemd eigenlijk, want dergelijke besparingen in het geneesmiddelenbudget maken bovendien geld vrij voor nieuwe ‘innovatieve’ geneesmiddelen, die op dit moment volgens Pharma.be niet tot bij de patiënt geraken.
De jobs zouden daarom wel eens sneller kunnen sneuvelen bij de producenten van generica dan in de traditionele grote farmabedrijven. “Het wordt steeds moeilijker om nieuwe middelen en biosimilars op de markt te krijgen. Het risico op jobverlies of delokalisatie neemt daardoor toe”, zegt Olivier Remels. “En dat is jammer, want daarmee verdwijnen niet alleen de banen, maar ook onze maatschappelijke functie om een goedkoop alternatief te bieden.”
R&D blijft aantrekkelijk in België
De kans dat de big pharma zijn R&D-afdelingen in België sluit en naar China verhuist bestaat, maar van een acute dreiging is geen sprake. “Investeringen zullen vaker naar ziektebeelden gaan die in Azië en Latijns-Amerika voorkomen”, zegt Jan Van Den Bossche van Petercam. “Maar dat betekent niet dat de R&D hier ophoudt. Als de sector in België snel reageert op de verschuiving naar de groeilanden, dan hoeft het zover niet te komen.”
Dankzij de fiscale gunstmaatregelen (een belastingvoet van 6,8 procent op inkomsten uit geneesmiddelen met een Belgisch patent, vrijstelling van storting van 50 procent van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoek) blijft ons land volgens Van Den Bossche een aantrekkelijke plek om aan geneesmiddelenonderzoek te doen. “Er is vandaag nog heel veel R&D in België. Kijk naar de grote centra van UCB in Anderlecht, GSK in Rixensart en Janssen in Beerse, plus alle biotechclusters rond Leuven en Gent. We zijn erin geslaagd om het talent naar hier te halen, nu moeten we hen hier trachten te houden. De volgende stap moet zijn dat we ondernemingen creëren die voldoende gefinancierd zijn om op eigen benen te kunnen staan.”