Zo vindt u een slaaf op 4 uur tijd …

U zoekt een slaaf? Een vliegtuigticket richting Boekarest of Istanbul en enkele honderden euro’s  volstaan. De Amerikaanse onderzoeksjournalist Benjamin Skinner nam alvast de proef op de som. Verslag van zijn hallucinante trip, niet voor gevoelige ogen.

Honderd dollar moest hij kosten, papieren inclusief. Honderd dollar voor een manusje-van-alles, even gehoorzaam als onderdanig: dat is wat men in economische kringen terecht als een investering met een hoge ‘return on investment’ zou omschrijven. Na wat heen en waar gepraat bleek de prijs bovendien nog wel enkele tientallen dollars te kunnen zakken. Maar toch: misschien verkoos hij wel eerder een meisje? Leeftijd tien tot twaalf jaar, potentieel zat en multifunctioneel inzetbaar bovendien. Uitermate geschikt voor het huishouden, veelbelovend in de slaapkamer. Toegegeven, de prijs zou dan wellicht iets hoger uitvallen, maar voor een goede honderd dollar waren er toch al mooie exemplaren beschikbaar.

We schrijven 2006 en amper enkele uren eerder had de Amerikaanse onderzoeksjournalist Benjamin Skinner (34) een taxi genomen bij het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York. Vanuit deze wolkenkrabber aan de East River, hartje Manhattan, was het buiten de spits hooguit een klein uurtje rijden tot JFK Airport. Een rechtstreekse vlucht en nog eens drie uurtjes later zette hij voet aan de grond in Port-au-Prince, Haïti.
“De douaneformaliteiten verlopen verrassend vlot, en nauwelijks een halfuurtje sta ik al buiten in de felle middagzon. Nog vlug even een tolk zoeken – het gangbare tarief is 20 dollar per dag – en we kunnen vertrekken. Bij het verlaten van de luchthaven komen we langs twee soldaten van de VN-vredesmacht, die amper opkijken wanneer je hen vrolijk zwaaiend passeert. Onderweg naar het centrum, op de route de Delmas, bots ik op enkele straatkinderen, die me voor twee dollar onveilige seks aanbieden. Even verderop valt mijn blik op een groot bord langs de weg: ‘Geef me je hand, geef me een toekomst. Weg met de kindslavernij.’ Ik negeer het, net zoals de Haïtianen dat doen. Stilaan, al besef ik dat op dat moment nog niet, duiken ook de eerste kindslaven in het straatbeeld op. Ze hebben littekens, stille getuigen van de afranselingen die ze af en toe krijgen, en laveren op blote voeten tussen de glasscherven en het puin terwijl ze grote emmers met twintig liter water op het hoofd sjouwen. En vooral: ze kijken je nooit aan. Slaven kijken je nooit aan.”

“Op Delmas 69 bedank en betaal ik de chauffeur. Een groepje mannen staat wat verderop te lanterfanten voor een kapperszaak die – o ironie – onder de naam ‘Le Réseau’ (‘het netwerk’) door het leven gaat. Zodra ik uitstap, komt één van de mannen op me toegelopen. Benavil is wat ze op Haïti een ‘courtier’ noemen, een makelaar. Al krijgt dat begrip hier een ietwat andere invulling: de man heeft wel enkele huizen of krotwoningen in de aanbieding, maar twee derde van zijn koopwaar bestaat uit slaven, kindslaven.” De onderhandelingen verlopen bijzonder vlot: binnen het uur heeft Skinner een twaalfjarige slaaf geritseld, inclusief papieren om hem ook mee de grens over te kunnen nemen. Prijskaartje: om en bij de zestig dollar, net iets meer dan de taxirit van Manhattan naar JFK Airport.

Slavensolden: van 30.000 naar 50 dollar

De voorbije decennia werden er al minstens 12 internationale conventies goedgekeurd om slavernij voor eens en altijd uit de wereld te bannen. Of slavenhandelaars daar nu zwaar van onder de indruk zijn, lijkt hoogst twijfelachtig. Het aantal slaven wereldwijd wordt vandaag op 20 tot 25 miljoen geschat, en op de drughandel na is er geen criminele activiteit die jaarlijks zoveel geld in het laatje brengt. En daar houdt het goede nieuws niet op: daar waar je 150 jaar terug omgerekend 30.000 dollar moest neertellen voor een beetje slaaf kan je er nu dus al eentje op de kop tikken voor 50 tot honderd dollar. Van een koopje gesproken.
De Amerikaanse onderzoeksjournalist Benjamin Skinner nam de voorbije jaren de proef op de som. Maandenlang reisde hij de wereld af, op zoek naar slaven en slavenhandelaars. Hij vond ze overal: niet enkel in de vergeetputten van deze planeet in Azië en Afrika, maar net zo goed in Europa of Amerika, van Miami of Washington over Boekarest tot Amsterdam. En voor alle duidelijkheid: we hebben het hierbij niet over mensen die in mensonwaardige omstandigheden tewerkgesteld worden, of die zwaar onderbetaald worden en te lange dagen moeten kloppen. We hebben het over sukkelaars die gedwongen worden om te werken, op basis van puur fysiek geweld of op basis van een denkbeeldige schuld die ze zo jarenlang moeten afbetalen. En die geen halve euro ontvangen voor hun hard labeur, en daarnaast meestal ook nog eens mentaal en fysiek mishandeld worden.
We ontmoeten Benjamin Skinner in een fraai pand langs de Amsterdamse grachten. Hooguit een steenworp verwijderd van de plek waar hij drie jaar eerder voor het eerst met Tatjana sprak, een Oost-Europese die jarenlang als seksslavin van de ene rosse buurt naar het andere ‘quartier chaud’ was gebracht. Zij kon uiteindelijk ontsnappen, waarna ze in Amsterdam een vereniging oprichtte die vrouwelijke seksslaven tracht te bereiken. 

Slavernij, daar kunnen we ons in Europa nog amper iets bij voorstellen. Helemaal hallucinant wordt het wanneer blijkt dat je ook hier zonder al te veel problemen een slaaf op de kop kan tikken?

Benjamin Skinner: Tweehonderd jaar geleden was slavernij nog heel zichtbaar. Vandaag is het overal en nergens. Neem hier het vliegtuig op Schiphol, boek een vlucht naar Boekarest en neem daar een taxi naar het treinstation. Had ik gewild dan stond ik vijf uur later met een slaaf of slavin om het even waar in Europa. Anno 2010 zouden er in de VS minstens 50.000 slaven aan het werk zijn en zelfs hier, hooguit een kilometer verderop langs de Walletjes, zitten er echte seksslavinnen aan het raam. Rode draad doorheen hun verhaal: ze werken onder dwang, om een uitstaande schuld af te lossen of omdat hun meester verwanten of kinderen in het land van herkomst mentaal of fysiek in zijn macht heeft. Wie die vlucht naar Boekarest niet boekt, of wie dit soort verhalen niet leest, kan rustig in volledige onwetendheid voortleven. 
Nu, we hoeven zelfs geen vliegtuig te nemen: in het recentste rapport over mensenhandel van het US Department of State is er sprake van minstens 138 mannelijke slaven vorig jaar, hier in Nederland. Zij waren afkomstig uit landen zoals Roemenië, Ghana of Nigeria en werden ingezet in de land- en tuinbouwsector en in de bouwsector. Hierbij ging het dus uitdrukkelijk niet om seksslavinnen. Als er al een verschil bestaat tussen slavernij in Westerse  landen en in de derde wereld dan zit hem dat vooral in de duur: de meeste slaven in de VS of Europa worden na enkele jaren vrijgelaten, of ze kunnen ontsnappen. Wie in Afrika of Azië in de slavernij belandt of er in opgroeit, sterft heel vaak ook als slaaf.

Zijn er in West-Europa of in de VS bepaalde sectoren waarin slavernij regelmatig voorkomt?

In het Westen is seksslavernij wellicht de meest voorkomende vorm van slavernij. Enerzijds omdat dit soort activiteiten zich haast altijd in de illegaliteit of in een op zijn minst bijzonder wazige schemerzone afspelen, anderzijds omdat het een miljardenbusiness is waarin weinig scrupules bestaan. Zelfs in een land als Nederland, waar betaalde seks volledig gelegaliseerd werd, heb ik seksslaven teruggevonden. Laten we elkaar op dat vlak dan ook niets wijsmaken: prostitutie is geen baan als een andere, zelfs niet hier in Nederland. Ik ken bijzonder weinig vrouwen die drie jaar achter een raam of in een seksclub zitten en vervolgens vrolijk in de banksector aan de slag gaan. Net zomin als de grootverdieners uit de seksindustrie hier elk jaar netjes al hun inkomsten aangeven bij de belastingen.
Daarnaast treffen we, zowel hier als in de VS, regelmatig slaven aan in de land- en tuinbouwsector. Ook onder het huispersoneel vinden we af en toe echte slaven terug. Het probleem is uiteraard dat het quasi onmogelijk is daar betrouwbare statistieken over bij te houden. In een vorig jaar verschenen rapport stelt de ILO (Internationale Arbeidsorganisatie, een VN-orgaan, nvdr) dat hooguit tien procent van de moderne slaven seksslaven zijn. Toegegeven, ook dit is min of meer nattevingerwerk, maar na jarenlange research voor dit boek kwam ik tot eenzelfde conclusie.

Vanwaar dan die misvatting bij het grote publiek dat moderne slavernij voor het overgrote deel seksslavernij is?

Seksslavernij is de meest zichtbare en wellicht ook felst gemediatiseerde vorm van moderne slavernij, maar de problematiek reikt veel verder dan dat. Bij de Westerse media gaan verhalen over vrouwen die misbruikt en gefolterd worden er natuurlijk een stuk vlotter in dan verhalen over straatarme Indiërs die jaren aan een stuk veertien uren per dag moeten zwoegen in een steenkapperij, maar voor mij maakt dat geen verschil. Geen enkele vorm van slavernij is sociaal meer aanvaardbaar dan een andere. Net zomin als seksueel geweld tegenover vrouwen meer of minder kan worden getolereerd naarmate het nu echte slaven, huisbedienden of goed verdienende prostituees zijn.

U opent uw boek met een duidelijke, niets aan de verbeelding overlatende omschrijving van het begrip slavernij. Bestaan daar dan soms misverstanden over?

Vreemd genoeg wel. Meer nog, de betekenis van het woord is de laatste jaren almaar feller uitgehold doordat het te pas en te onpas gebruikt wordt.  Als ik mensen in volle ernst hoor beweren dat een topvoetballer als Christiano Ronaldo als slaaf gegijzeld werd door Manchester United omdat hij niet naar het buitenland mocht vertrekken, tja, dan keert mijn maag. Wereldwijd zijn er ook miljoenen mensen die in ellendige omstandigheden moeten werken, en daarvoor veel te weinig betaald krijgen, maar dat zijn geen slaven. Ik heb het uitsluitend over mensen, vaak kinderen of vrouwen, die gedwongen worden om te werken en daar helemaal niets voor ontvangen. Heel typisch voor tal van onderontwikkelde maatschappijen in Zuid-Azië of zwart-Afrika zij de generatieslavernij en de schuldslavernij. In het eerste geval behoort een familie, van ouders op kinderen, gewoonweg toe aan een meester die hen een schamel onderdak en wat eten aanbiedt. In het tweede geval moeten de slaven met hun werk een – al dan niet denkbeeldige – schuld aflossen. In een aantal regio’s vormt dit systeem echt de ruggengraat van het lokale sociaal systeem. Niet toevallig gaat dit vaak hand in met een reusachtig hoge corruptiegraad, die slavernij in de hand werkt en in stand houdt.

Waarom treedt de overheid in landen als Nederland of de VS dan niet op tegen slavernij?

Omdat politiemensen er doorgaans, net als de meeste andere mensen, van uitgaan dat er in onze ‘ontwikkelde’ landen enkel nog seksslavernij bestaat. In Nederland bijvoorbeeld was er vorig jaar welgeteld één dossier waarin de politie een netwerk van niet-seksueel gebonden slavernij op het spoor was gekomen. Nu, als je er van uitgaat dat iets niet bestaat, kan je ook moeilijk een gericht beleid ontwikkelen. Het komt er dus vooral op aan de publieke opinie sterker te sensibiliseren rond deze problematiek. Kijk, zowel hier in Amsterdam als in Brussel of New York kan je winkels binnenstappen waar producten worden verkocht die zo onvoorstelbaar goedkoop zijn dat ze nooit het uitvloeisel kunnen zijn van een volledig legaal productieproces. Niet toevallig zijn die producten haast altijd afkomstig uit landen waar kinderarbeid én slavernij geen utopie zijn. De kans is dan reëel dat er ergens in de productieketen slavernij aan te pas is gekomen. Als consument kunnen we op dat vlak dus wel onze verantwoordelijkheid nemen.

Voor een doorsnee consument is zoiets toch onmogelijk uit te vlooien?

Ja, maar het is aan journalisten en aan de overheid om bedrijven op dat vlak te bevragen en desnoods een onderzoek in te stellen. Je kan perfect een aantal filters in het systeem stoppen die er voor moeten zorgen dat bepaalde producten niet langer in onze rekken belanden als de herkomst of productie niet honderd procent koosjer blijkt. Je zal me niet horen beweren dat we een volledig waterdicht controlesysteem kunnen opzetten, maar mocht het maatschappelijk bewustzijn daarover in Europa en de VS groeien, dan zou dit ook sommige producenten in derdewereldlanden aan het denken zetten. Vandaag is het voedsel dat in onze supermarkten ligt bijvoorbeeld haast volledig traceerbaar. Waarom zouden we dat ook niet kunnen doen met onze kledij, met T-shirts van 8 euro die onze winkelstraten overspoelen? Alleen, het is aan de consument om de overheid op dat vlak onder druk te zetten, anders gebeurt er niets.

U beschouwt slavernij niet enkel als een sociaal probleem, het is ook een groot economisch verlies?

Inderdaad. Laat er ons voor het gemak even van uitgaan dat er vandaag wereldwijd twintig miljoen slaven zijn. Dat zijn dus evenveel mensen die geen enkel inkomen genieten en dus totaal niet consumeren of investeren. Vanaf een inkomen van twee dollar per dag beginnen mensen ook te consumeren en leveren ze een bijdrage tot de economie. Wil een land als India, waar je je vandaag op grote delen van het platteland nog in de veertiende eeuw waant, echt een grote sprong vooruit maken, dan moet het onder meer de slavernij veel ernstiger aanpakken. Wil dat land ook op het platteland een stevige middenklasse krijgen, dan moet het komaf maken met de alles verlammende generatieslavernij en schuldslavernij. En vergis je niet: de noodzakelijke wetgeving bestaat, maar lokale machtshebbers vinden het niet in hun eigen belang om het feodale systeem te veranderen. Koppel dat aan het feit dat de federale staat in India nog behoorlijk zwak staat, en de cirkel is rond. Het laatste wat de federale overheid vandaag wil is al die plaatselijke machtshebbers tegen zich in het harnas te jagen.

U trok voor uw boek de hele wereld rond. Wat was de meest shockerende ervaring?

Moeilijk te zeggen. Het was sowieso nooit een plezierreisje, maar wat ik in Boekarest meemaakte, heeft toch een bijzonder diepe indruk nagelaten. Toen ik in de buurt van het treinstation Gara de Nord rondreed, werd ik aangesproken door een jongen met een opvallende glazige blik in de ogen. Een lijmsnuiver, zo begreep ik achteraf. In ruil voor enkele sigaretten wilde hij me wel een huis tonen iets verderop waar ik een meisje zou kunnen kopen. Daarop reden we naar Basarab, een soort getto voor Roma-zigeuners. We stapten uit voor een oud, vervallen herenhuis en meteen kwam er een agressief ogende Roma op me af. Toen ik hem duidelijk maakte dat ik een meisje wilde kopen, leidde hij me naar binnen. Na wat heen- en weergepraat kon ik doorlopen naar de eerste verdieping, waar een vrouw een meisje uit een verduisterde kamer haalde. Haar make-up was uitgelopen, ze vertoonde overduidelijk sporen van mishandeling en – dat sloeg me helemaal met verstomming – ze leed overduidelijk aan het syndroom van Down. Volgens de vrouw die haar bij de arm vasthield, was ze 28. Ze moest tweeduizend euro kosten voor twee maanden. Toen ik aangaf dat ik haar liever definitief wilde kopen, ontspon zich een hele discussie tussen de Roma met de platgeslagen neus en mijn tolk. Uiteindelijk kwam hij met een ander voorstel op de proppen: ik mocht haar drie maanden meenemen naar het buitenland – hij zou ook voor de nodige papieren zorgen – in ruil voor de Roemeense auto waarmee ik gekomen was. Als voorzorgsmaatregel eiste hij ook een extra borg, zodat ik niet op het onzalige idee zou komen haar niet terug te brengen. Ik heb hem verteld dat ik eerst nog enkele telefoontjes moest doen en ben naar buiten gewandeld. Als verdoofd.

Tekst: Filip Michiels - Foto’s: Kay Chernush

“A Crime So Monstrous” van Benjamin Skinner werd in Nederland uitgegeven bij Cossee Uitgeverij (“Mensenhandel op Klaarlichte Dag”)