Wonen in Singapore: clean, cleaner, cleanst

Toa Payoh zouden we in België gemakshalve als een sociale woonwijk omschrijven. Tientallen gigantische woonblokken in fletse pastelkleuren, stuk voor stuk 25 of meer verdiepingen hoog, op een kluitje bij elkaar. Een school, enkele sportpleintjes, flink wat groen, een kerk en een grote supermarkt bij de metro-uitgang vervolledigen het plaatje.

Sommige expats omschrijven het wat geringschattend als woonkazernes, maar daarmee doen ze toch enigszins afbreuk aan de goed doordachte filosofie die erachter schuilgaat. Bij gebrek aan ruimte woont ruim 80 procent van alle Singaporezen in dit soort woonblokken, de ene al wat moderner en luxueuzer dan de andere. Via  een soort sociale bijdrage van de werkgever kunnen de echte Singaporezen – en dus niet de expats of de tijdelijke werkkrachten uit pakweg India of China – dit soort woningen relatief goedkoop aankopen van de overheid. Deze woonwijken, voorzien van alle basisfaciliteiten en vlot bereikbaar met het openbaar vervoer, vormen een hoeksteen in het ruimtelijke concept voor de stad. Dat focust op een sterke decentralisering, die moet vermijden dat het ‘centrale district’ overbevolkt en oververzadigd raakt. En Singapore zou Singapore niet zijn mocht de overheid ook hier de teugels niet bijzonder strak in handen houden, gaande van de planning of de toewijzing van de woningen – waarbij vaste quota gelden per bevolkingsgroep – tot de netheid van de liften. ‘Armed with urine detection service’, zo lazen we in de lift op weg naar het vijfentwintigste. Want ook dat is Singapore: zeventigplussers die in volle avondspits de letterlijk blinkende metrogangen dweilen (!) en absurd hoge boetes op alles wat van veraf of dichtbij naar sociaal onwenselijk gedrag ruikt. Drughandelaars wacht de doodstraf, en een Zwitserse zakenman die in een zatte bui wat graffiti meende te moeten spuiten, zat wekenlang in voorhechtenis en riskeert nu ettelijke maanden cel. Toeval of niet, de criminaliteitsgraad in de stad ligt bijzonder laag.

Vicieuze cirkel

Veel meer dan een eenvoudige optelsom van diverse succesfactoren is Singapore een schoolvoorbeeld van een doordachte en succesvolle integratie van een hele rist beleidsdomeinen en sleutelfactoren. Naast planning is samenwerking wellicht het belangrijkste ingrediënt in het succesrecept. Vanuit die overtuiging stampte de regering enkele jaren terug het ‘Centre for Liveable Cities (CLC)’ uit de grond. “Tal van agentschappen en organismen, doorgaans gestuwd vanuit de overheid, hebben de voorbije decennia in hun domein gigantisch veel expertise opgebouwd”, vertelt CLC adjunct-directeur Cheng Hsing Yao. “Al die agentschappen worden gedwongen om nauw samen te werken. Zo maken we het verschil met heel wat andere grootsteden. Daarmee bedoel ik: we zijn hier quasi van niets gestart, en de stad zag er dus ook niet meteen zo groen en netjes uit als vandaag. Wel hebben we er van bij het prille begin over gewaakt niet enkel aandacht te besteden aan het economische aspect, maar bijvoorbeeld ook te investeren in de groenvoorziening. Het is net de combinatie van verschillende factoren – uitstekend openbaar vervoer, lage criminaliteit, propere straten, goede investeringsvoorwaarden, noem maar op – die finaal mensen lokt die ook belang hechten aan een goede levenskwaliteit. Eens dat proces gestart, is het vaak een soort vicieuze cirkel: hoe meer grote bedrijven we aanlokken, hoe meer internationaal talent ook naar hier afzakt en hoe meer we kunnen investeren in een aangenaam woonklimaat.”
Nogal wat expats die we ter plekke ontmoetten, bevestigden dat, maar gaven ook grif toe dat de stad na enkele jaren net iets te ‘clean’ kan overkomen, dat het allemaal soms te saai wordt. Dat lijken de Singaporezen zelf ook te beseffen: er wordt de laatste jaren meer aandacht besteed aan de aanleg en verfraaiing van stranden, aan meer recreatieve faciliteiten en, jawel, aan een heuse café-zone vlakbij Singapore river. De stad als multiculturele woon- en werkomgeving, uiteraard, maar net zo goed als bruisende internationale hub, 24 uur per dag.

Stabiel politiek klimaat

Plannen maken is één ding, ze achteraf ook uitvoeren is vaak een heel ander paar mouwen. Het feit dat de Singaporezen daar een stuk beter lijken in te slagen dan heel wat westerse steden heeft ongetwijfeld ook te maken met het politieke systeem in Singapore? “Dat klopt”, geeft Cheng na enig aarzelen toe. “De stabiliteit van onze regering (in Singapore is al veertig jaar lang eenzelfde partij aan de macht en de huidige premier is de zoon van de man die ooit de onafhankelijkheid bewerkstelligde, nvdr) is zeker een grote troef. Minstens even belangrijk, en volgens mij echt wel inherent aan het Singaporese beslissingsproces op alle niveaus, is het belang van puur rationele argumenten en denkpatronen. Emoties en persoonlijke voorkeuren spelen haast geen rol, en dat geldt zowel voor kortetermijnbeslissingen als voor onze langetermijnplannen. Daarnaast komen belangrijke strategische keuzes ook altijd in nauw overleg tussen overheid en privésector tot stand. Neem nu onze economische planning. De voorbije decennia ontwikkelde Singapore zich, niet in het minst dankzij de strategische ligging, tot een uitermate belangrijk logistiek centrum en ’s werelds belangrijkste doorvoerhaven voor petroleum. Sinds eind jaren negentig is ons duidelijk geworden dat deze economische strategie op terrmijn niet vol te houden viel. Omwille van plaatsgebrek, maar ook omwille van de milieu-impact van dit soort activiteiten en omdat het opleidingsniveau van de bevolking sterk gestegen was. Daarom besliste het economic review committee in 2003 om het gedeeltelijk over een andere boeg te gooien, Singapore meer te profileren als een wereldwijd dienstencentrum annex financiële draaischijf en en zwaarder in te zetten op sectoren als ict en biotechnologie. Die koerswijziging kwam er op initiatief van de regering, maar wel in samenspraak met de privésector. De ontwikkeling van het nieuwe financiële centrum Marina Bay – op opgespoten land – is het urbanistische verlengstuk van die nieuwe strategie. Die koerswijziging impliceert ook dat we op zoek moeten gaan naar mensen die in die sectoren kunnen werken, en over voldoende expertise beschikken om de lokale bevolking op te leiden. En hoe lokken we dat internationaal talent? Juist, met een aantrekkelijke woon- en werkomgeving.”

Wat hij er niet bij vertelt, is dat de overheid desnoods ook andere paden bewandelt. Talentvolle Singaporese jongeren worden in het bijzonder hiërarchisch gestructureerde schoolsysteem heel snel opgespoord, en krijgen indien nodig een beurs om verder te studeren. In ruil daarvoor moeten ze achteraf dan wel minstens vijf jaar in overheidsdienst aan de slag. Waar ze dan ook bijzonder goed betaald worden, vaak zelfs in die mate dat het lokale toptalent eerder voor een baan bij de overheid dan voor een carrière in de privé kiest. Een andere favoriete techniek bestaat er in om beloftevolle technologieën of bedrijven in het buitenland op te kopen, ze te ‘nationaliseren’ en verder te ontwikkelen en er finaal een nieuwe business op te enten. Wat dan op zijn beurt vaak in nieuwe spin-offs en buitenlands talent resulteert. Of zoals “minister-mentor” Lee Kuan, vader van de huidige premier en grote bezieler van het Singaporese mirakel, het onlangs in een toespraak op de Moscow School of Management nog stelde: “Singapore will no longer be seen just as an Asian city one day, but as a cosmopolitan one, connected to the world.”

Tekst: Filip Michiels
Verschenen in Vacature Magazine van 9 oktober 2010.