Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

Werk en wereld - Lipton Kenia: the business of theebuiltjes

Een zakje Yellow Label Tea weegt twee gram. Maar bij Lipton Kenia verzetten ze ieder jaar 350.000 ton thee, handgeplukt door 15.000 Kenianen in loondienst, plus een half miljoen onafhankelijke theeboeren. Vacature ging op de thee in het hart van Afrika.

Gratis onderwijs en zorg

Kericho is een provincie in het westen van Kenia, 43 kilometer ten zuiden van de evenaar, niet ver van het Victoriameer, daar liggen de grootste theeplantages van Kenia. Die van Lipton telt 8.800 hectare. Er werken 15.000 mensen. Die wonen met hun familie in huizen die Lipton ter beschikking stelt. Verder zijn er scholen en is de medische verzorging gratis. Kericho genereert stroom met een waterkrachtcentrale, stookt met hernieuwbaar eucalyptushout en plant zoveel mogelijk inheemse bomen aan. Het leverde de plantage een Rainforest Alliance-certificaat op, met gegarandeerd respect voor mens en milieu. Lipton is één van de merken onder portefeuille van merkleverancier Unilever. Unilever draagt de drie p's hoog in het vaandel: people, planet én profit. Kwestie dat de consument op de hoogte is. Wie een kopje thee van Lipton drinkt, hoeft zich niet schuldig te voelen.

80 euro per maand, voor 40 kilo per dag

“Hoeveel betalen jullie in Brussel voor een kilo thee”, klinkt het in het struikgewas in Kenia. Want theeplukkers krijgen 80 euro per maand voor 40 kilo per dag. Tenminste als ze voor Lipton werken, want Lipton betaalt goed, drie keer meer dan in de Employment Act staat.  De Keniaanse arbeidswet dateert uit 1997 en beslaat 80 pagina's. Het staat er allemaal in, van stakingsrecht tot zwangerschapsverlof. Wettelijk is alles in orde, maar de financiële standaarden zijn laag. Vorig jaar heeft de regering de minimumlonen in de landbouw nog opgetrokken. Tot dik 26 euro per maand.

Kortom, het is raar om te moeten antwoorden dat een doosje thee in Brussel minstens 1 euro kost, voor  40 gram. Voor 1 kilo thee maakt dat 25 euro, makkelijk een heel Keniaans maandloon. Ook de theeplukker vindt het een rare rekensom. Maar hij plukt verder. In Kenia is 40 procent van de mensen werkloos. De helft van de Kenianen leeft onder de armoedegrens. Er is niet veel keus.

Op de vraag of we in Brussel eventueel iets kunnen doen, antwoordt een opzichter uit de theefabriek van Momul: “Meer betalen voor onze thee. Hoeven jullie daarna niet meer aan liefdadigheid te doen.” Hij lacht. Want het is niet al kommer en kwel in de theetuinen van Kenia. Toen de Britse queen nog de scepter zwaaide in Kenia was het anders. Toen was het bij wet verboden om theestruiken te hebben. Of toch voor de Kenianen zelf. Na de onafhankelijkheid in 1963 kwam daar een einde aan.  “De kolonisten hadden een systeem bedacht om ons uit te buiten”, zegt de opzichter uit de fabriek. “ Nu gebruiken we zelf het systeem om elkaar uit te buiten. Mijn hart breekt als ik zie hoe Keniaans geld op Zwitserse bankrekeningen belandt. Je vraagt je af waarom je belasting betaalt met zoveel corruptie. Maar goed, we zijn stap voor stap onderweg om Kenia te hervormen. We hebben de beste grondwet van de wereld, dezelfde als die van Amerika, maar dan in verbeterde versie. Ik heb goede hoop voor de verkiezingen in 2012.”

Tustawi pamoja

In ieder geval, de kolonisten zijn weg. Kenianen mogen met een gerust hart zélf thee verbouwen. Goed voor Simion Langat. De man woont op een boerderijtje in de buurt van Kericho. Hij heeft een koe en een kalf, een moestuin, wat kippen en 5.903 theestruiken. Hij plukt van maandag tot en met zaterdag, van 8 uur 's morgens tot 13 uur 's middags. 's Zondags gaat hij met zijn vrouw naar de kerk Vorig jaar leverde zijn perceel 700 kilo theeblaadjes op. Dit jaar zit Simion Lagat al aan 800 kilo per maand. Komt omdat hij naar de landbouwschool gaat. Daar leert hij hoe hij duurzaam thee moet verbouwen, met minder meststoffen en meer aandacht voor het milieu. Het is een idee van Lipton, want Lipton wil dat al zijn theeleveranciers tegen 2015 een certificaat hebben van Rainforest Alliance. Intussen krijgt Simion Lagat 12 shilling per kilo geplukte thee, oftewel 0,11 eurocent. De prijs wordt onderhandeld door de het Kenya Tea Development Agency, een conglomeraat van 61 theefabrieken en 500.000 kleine theeboeren. Ze streven naar Fair Trade. Twee fabrieken hebben het keurmerk al gekregen. De thee daar heeft een premium price. Lipton betaalt er 10 procent meer voor, in 2009 kwam dat neer op 2 miljoen euro extra. Het motto van Lipton Kenia is We zullen er samen iets van maken, Tustawi pamoja in het Swahili. Het staat op alle Powerpoint-presentaties die ze geven.

Lipton Kenia verbouwt 11 procent van zijn thee zelf. De theeplantages in Kericho hebben een oppervlakte van 7.750 hectare. Het land is niet van Lipton.  Lipton heeft een leasecontract met de Keniaanse overheid voor 99 jaar. De struiken zijn allemaal dezelfde: Cammelia Sinensis. Als de plant zijn gang gaat, wordt hij een boom van 17 meter hoog. Niet in Kericho. Daar worden de struiken kort gehouden. Om de veertien dagen wordt de hele theetuin geplukt. Om de vier jaar is het grote snoei. Het resultaat is een reusachtige groengegolfde vlakte tegen de flanken van de Great Rift Valley.

Als het onweert, is het hier levensgevaarlijk. Daarom heeft Lipton een systeem geïnstalleerd dat bliksem detecteert. Bij alarm moet iedereen onmiddellijk van het veld. Verder zijn ze in Kericho alleen maar blij met onweer en stortregens. Als het in november te vroeg stopt met regenen komen daar problemen van in januari. Ze zijn de droogte van 1998 en 2008 nog niet vergeten. En de prijsdalingen nog veel minder. In 2007 waren de prijzen ronduit slecht. Intussen gaat het iets beter. Op de veiling van Mombassa schommelt de prijs rond 2,5 dollar voor een  kilo thee. Groene thee, zwarte thee of oolong thee, maakt geen verschil. De varianten komen allemaal van dezelfde struik. Alleen is groene thee niet geoxideerd en zwarte thee helemaal geoxideerd.

Vier mensen en een machine

De vakbond maakt zich intussen zorgen over de technieken die er tegenwoordig zijn om de theeplantages mechanisch te plukken, met zijn vieren aan een machine, goed voor 600 kilo blaadjes per dag. Vakbondsman Joseph Ongudi heeft geen problemen met de automatisering. En de plukkers ook niet. Thee plukken is hard werken. Als het met een machine sneller gaat, zoveel te beter. Het probleem is dat met 600 kilo per dag, alle premies voor extra geplukte thee wegvallen. In casu 10,50 shilling, ofte dik 0,01 eurocent per kilo. Nog een klacht is de gevraagde flexibiliteit. Thee is immers een natuurproduct dat meedraait met de seizoenen. In het hoogseizoen moet er  harder worden gewerkt en neemt Lipton een hoop seizoensarbeiders aan. Joseph Ongudi verstaat heel goed  dat Lipton de oogst niet gelijkmatig kan verdelen. “Maar als ze flexibiliteit van ons verwachten willen wij daar graag wat flexibiliteit voor terug”, zegt hij. “Na elf maanden werken, krijgen we één maand vrijaf. We zouden die vrije dagen graag een beetje spreiden, of naar eigen keuze opnemen. Daar pleiten we bij de vakbond voor.”

Marc Suge, hr-manager voor Lipton Kenia, heeft er wel oren naar. Al heeft hij andere katten te geselen op de plantage: absenteïsme. Joseph Ongudi knikt. “Op zondag willen veel plukkers een bezoek brengen aan hun familie. Maar die woont vaak aan de andere kant van Kenia. Daardoor zijn ze 's maandags vaak niet op tijd terug voor het werk.”

Gesponsorde balpennen

Winfred Kiplangat is één van de theeplukkers in loondienst bij Lipton. Hij is zwart en mager. De mensen in de streek van Kericho lopen er allemaal opvallend afgetraind bij. Het zijn atletische types. Maar om het nu een sportdieet te noemen... Winfred Kiplangat is 30 jaar en woont met zijn vrouw en hun twee kinderen in een witgekalkt huisje van Lipton Kenia. Al zijn sommige huisjes ook volledig met reclame beschilderd. Omo, brilliant results even on dried in stains. Er is marketing in de cité, én zuiver water én stroom. Hier woont Winfred Kiplangat, samen met 50.000 anderen. Zijn kinderen gaan naar school in één van de 19 lagere scholen die op de plantage liggen. De gebouwen worden ter beschikking gesteld door Lipton. Het loon van de onderwijzers wordt betaald door de Keniaanse overheid. Solomon Langát is hoofdonderwijzer, al 5 jaar. Voordien gaf hij les in een dorpsschooltje. Hij vindt het jammer dat hij werd overgeplaatst. Nu moet hij immers iedere ochtend zes kilometer lopen om op zijn werk te geraken. 

Kevin Kerecha is 13 jaar en één van de 45 leerlingen uit de achtste klas van mijnheer Langát. Hij bereidt zich voor op het National Exam. Volgend jaar gaat hij naar het middelbaar. De jongen draagt een felblauw uniform, maar onder zijn trui zit een geel hemd. Dat heeft hij van Unilever gekregen omdat zijn ouders het uniform niet konden betalen. Verder heeft hij een schriftje dat compleet volgeschreven staat. Er is geen lijntje meer vrij. Zijn lesboek moet hij delen met de buurman in zijn bank. Mijnheer Lagát vindt het jammer. Dat er te weinig boeken zijn. En dat er te weinig balpennen zijn. Het rantsoen is één balpen per drie maanden per kind. Vooral de leerlingen uit de eerste klas komen er niet mee toe. “Ze zijn nog klein”, zegt de schooldirecteur. “Bovendien hebben veel ouders geen geld om hun kinderen een boekentas te kopen.”

Een mens weet niet wat zeggen. Vooral niet met een handtas vol gesponsorde balpennen. Van Hilton Nairobi, garage Lemmens én Lipton. Maar Lipton wil niet plooien. Het bedrijf vindt dat de Keniaanse overheid zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Ook inzake de balpennen. Trouwens, veel kinderen van de plantage schoppen het tot het middelbaar én de universiteit. Desnoods met maar één balpen om de drie maanden.

Solliciteren aan de poort

Enfin, Winfred Kiplangat dus, 30 jaar, getrouwd, twee kinderen, theeplukker in Kericho, al zes jaar. Hij zegt niet veel, kan niet goed Engels, spreekt niet veel Swahili, is niet lang genoeg naar school geweest. In Kenia circuleren meer dan 40 Afrikaanse talen. Swahili is de lingua franca, samen met Engels de officiële voertaal. Het maakt niet uit. Winfred moet plukken en ik moet zwijgen en helpen. We dragen allebei een dikke gele schort en staan tot aan onze middel in de theeblaadjes. De struiken zijn zo dicht dat je jezelf amper hoeft recht te houden. Hij plukt veel en veel sneller dan ik, 45 kilo per dag. Eigenlijk stoor ik alleen maar om dit verhaal te kunnen vertellen. Ik ben géén troef op het veld. Hij lacht en zegt zacht: Exercise leads to perfection. Hij heeft al héél veel geoefend. Alle dagen van 7 tot 15 uur, met 's middags een kwartier pauze. Om de elf gewerkte maanden heeft hij één maand vrijaf. We hebben op het eerste gezicht niets gemeenschappelijk. Tot ik ineens vanuit het struikgewas wordt aangestaard, door twee zwarte sprinkhaanoogjes. Ik schrik en hij lacht. Roemoeroer, zegt hij. Sprinkhaan in zijn eigen taal. Zijn buurman hoort het ook. Roemoeroer. We lachen alledrie. Het is een prul, maar een mens moet proberen zichzelf in een ander te herkennen.

Vacaturegewijs is de rekrutering van theeplukkers in Kericho totaal verschillend. Als Lipton nieuwe werkkrachten nodig heeft, wordt het aantal mondeling bekend gemaakt. Aan de poort van de plantage komt een affiche te hangen met de datum van aanmelding. Wie op tijd aan de poort staat moet eerst op gesprek, mag daarna een briefje kiezen. Staat er Ja op, dan mag de plukker beginnen. Staat er Nee, dan heeft hij pech. Want iedereen weet dat het goed werken is op de plantages van Lipton,  compleet met huisvesting, medische verzorging en opleidingsprogramma's.

Verschenen in Vacature Magazine van 30 oktober 2010.