Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

Werk en wereld - Hoogopgeleide Afrikanen voor Afrika: het failliet van een Belgisch beleid

De nieuwe Belgische beleidskeuze leek even eenvoudig als geniaal: stort niet langer geld in bodemloze Afrikaanse putten, maar betrek hoogopgeleide Afrikanen in Europa – de zogenaamde diaspora – actief bij de economische ontwikkeling en heropbouw van hun geboorteland. We trokken naar het straatarme Burundi, en konden daar vaststellen dat de kloof tussen theorie en praktijk nergens zo diep gaapt als in Afrika.

De bordjes aan de rand van het schitterende Tanganyika-meer laten weinig aan de verbeelding over: “Opgelet voor nijlpaarden, zwemmen op eigen risico”. Lokale vissers laten zich weinig gelegen aan die waarschuwing en duiken ’s ochtends vrolijk het meer in voor hun dagelijkse douche, maar de lokale expats die regelmatig naar de fraaie stranden afzakken, weten wel beter. In een land als Burundi kan je maar beter niet ziek worden, laat staan enkele ledematen zien verdwijnen in de maag van een hongerig nijlpaard of een overijverige krokodil. Ziekenhuizen zonder dokters zijn er eerder regel dan uitzondering, en van de negentig gediplomeerde apothekers die het land rijk is werken er driekwart in de hoofdstad Bujumbura. Burundi telt welgeteld één medische scanner, en het verhaal gaat dat enkel de vroegere minister van Gezondheid die weet te bedienen.

De al vijftien jaar aanslepende burgeroorlog bracht het land niet enkel economisch en sociaal op de rand van de afgrond, hij lag ook aan de basis van een massale hersenvlucht. Onder meer naar België, waar vandaag paradoxaal genoeg bijna evenveel apothekers van Burundese afkomst aan de slag zijn als in Burundi zelf. In de wetenschap dat de enige opleiding farmacie in het land al vijftien jaar geleden de deuren sloot, lijkt er ook niet meteen beterschap in zicht. Almaar meer gewiekste lokale handelaars doken de voorbije jaren in dat gat in de markt. Zij openden met een rotvaart nieuwe ‘apotheken’ in Bujumbura.

Joseph Niyonzima, voorzitter van de nationale apothekersbond en  eigenaar van de “Pharmacie la Différence’ in hartje Bujumbura – niet veel meer dan enkele dozen babyvoeding en drie wankele rekjes met medicijnen – is er het hart van in. “Die nepapotheken schieten hier als paddenstoelen uit de grond, maar geen kat op het  ministerie van Gezondheid die daar wakker van ligt. De uitbaters – die doorgaans nog geen doosje aspirine van een laxeermiddel kunnen onderscheiden - doen ons, gediplomeerde apothekers, oneerlijke concurrentie aan met gesmokkelde en vaak ook valse geneesmiddelen. Een flink gedeelte van de bevolking hier is straatarm en vaak ook ongeletterd, en zij opteren dus systematisch voor de zogenaamd goedkopere apotheken. Een doosje aspirine kost officieel 4 dollar, terwijl het gemiddelde jaarinkomen rond 130 dollar schommelt. Daar hoeft geen tekening bij, niet? De gevolgen op gezondheidsvlak zijn dramatisch: regelmatig vallen er doden omdat de mensen om het even wat slikken. Wanneer we het ministerie van Gezondheid, of wat daarvoor moet doorgaan, vragen om in te grijpen vragen ze ons of we dan misschien het vrije ondernemerschap willen beteugelen.”

Grote Meren-project

Geen geld, te weinig lokale expertise, gebrekkige opleidingen en massale hersenvlucht: het patroon loopt als een rode draad doorheen tal van Afrikaanse landen waar oorlog, wanbestuur en ontbering de voorbije decennia hele intellectuele elites richting Europa joegen. Die vaststelling – en het gegeven dat er ook in Brussel een belangrijke Afrikaanse diaspora leeft – inspireerde toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking Charles Michel enkele jaren terug al tot een opmerkelijke koerswijziging in het Belgische ontwikkelingsbeleid.

Nadat hij in mei 2008 op het Wereldforum voor Migratie en Ontwikkeling al een warm pleidooi hield voor een grotere inbreng van de Afrikaanse diaspora, voegde hij zelf de daad bij het woord. Datzelfde jaar werd het programma “MIDA Grands Lacs” boven de doopvont gehouden. MIDA staat voluit voor ‘Migration for Development in Africa’ en werd goed tien jaar terug in de steigers gezet door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Vanuit de overtuiging dat vele duizenden goed opgeleide Afrikanen in Europa betrokken wilden en konden worden bij de economische opbouw van hun land van herkomst. Met het Grote Meren-project mikte de Belgische ontwikkelingssamenwerking resoluut op de duizenden hooggeschoolde Congolezen, Burundezen en Rwandezen in ons land. Het geld – ruim 3,8 miljoen euro in een eerste fase – kwam van de Belgische overheid, de selectie en uitvoering van de projecten kwamen in handen van IOM en van de drie betrokken landen.

Begin dit jaar, ruim tweeënhalf jaar nadat het Belgische MIDA-project uit de startblokken schoot, hadden we in een grauwe buitenwijk van Charleroi een afspraak met Emmanuel Bamenyekanye. Een apotheker van Burundese origine, en tevens de grote bezieler van de werkgroep “gezondheid” binnen de Burundese diaspora in ons land. Die telt zowat zesduizend zielen, en daar zitten opvallend veel geschoolde apothekers en artsen tussen. “Dat is geen toeval”, klinkt het. “De enige apothekersopleiding in Burundi werd lange tijd volledig gefinancierd door de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Op een gegeven moment besliste men in België die opleiding in Bujumbura stop te zetten, maar apothekers in spe kregen wel de kans hun opleiding in België te volgen. Zo ben ik hier zelf ook beland. Nogal wat Burundese apothekers die in België hun diploma behaalden, zagen het achteraf niet meer zitten om terug te keren naar hun geboorteland dat verscheurd werd door een gruwelijke burgeroorlog. Zij vestigden zich in België en bouwden hier een carrière uit. Toch is die goed opgeleide Burundese diaspora altijd geïnteresseerd gebleven in wat er in Burundi gebeurde. Niet in het minst omdat de situatie op vlak van gezondheidszorg in mijn geboorteland almaar dramatischer werd. Het probleem is dat die diaspora noch hier noch in Burundi zelf politieke steun kreeg om  haar steentje bij te dragen bij de heropbouw van hun geboorteland. Persoonlijk ben ik al verschillende keren ter plekke poolshoogte gaan nemen, maar ik voelde meteen dat de politieke machthebbers niet op die goed opgeleide Burundezen uit het buitenland zaten te wachten. Zonder hun steun kan je bitter weinig beginnen.”

Gratis reisbureau

In België lagen de kaarten sinds kort enigszins anders. In theorie dan toch. Het Grote Meren-project waar Charles Michel zich een vurig pleitbezorger van toonde, moest een forum worden voor de intellectuele en financiële elite uit die landen die in België verblijft. Het zou hen toelaten om op gestructureerde wijze hulpprojecten in Burundi, Rwanda of Congo op poten te zetten.

Emmanuel Bamenyekanye: “In praktijk was het voor de Belgische regering ook een handig instrument om zich van een aantal lastige Congolezen in Brussel te ontdoen. Stop ze wat centen in hun handen, en stuur hen terug naar hun geboorteland, iets in die aard. Daarnaast gingen nogal wat arme sloebers uit de diaspora IOM ook als een gratis reisbureau beschouwen, dat hen de kans bood regelmatig naar hun geboorteland terug te keren en daar nog gratis te logeren ook. Net die mensen beschikten doorgaans niet echt over die expertise waar ze in Afrika op zaten te wachten. Omgekeerd ging IOM hier dan wel op zoek naar ervaringsdeskundigen in verschillende domeinen, maar als die dan eerst enkele maanden en nu vier weken (één van de inschrijvingscriteria voor MIDA-projecten, nvdr) in Afrika moeten blijven, dan weet je vooraf dat weinig artsen of apothekers die hier een gezin en praktijk hebben zich zo lang kunnen vrijmaken. Last but not least is er nog het financiële aspect: zelf had ik me aangemeld om twee weken lang les te geven in een paramedische school in Burundi. MIDA betaalde me daarvoor 750 euro, maar heel die reis heeft me minstens 3.000 euro gekost omdat ik intussen zelf een andere apotheker moest betalen om me hier te vervangen. Hoeveel hoogopgeleide Afrikanen zal je onder die voorwaarden bereid vinden om hun expertise een tijdlang ter beschikking te stellen?”

Eind 2009 organiseerde de Burundese apotheker in Charleroi zelf een groot symposium voor Belgische Burundezen uit de gezondheidssector die bereid waren hun jaarlijkse vakantie op te offeren om in Burundi opleidings- en vormingsprojecten op te zetten. Het initiatief bleek een groot succes: 50 artsen, 30 verplegers en 7 apothekers meldden zich aan om naar enkele weken naar Burundi te trekken. In de wetenschap dat vandaag 80 procent van alle Burundezen sterft zonder ooit een dokter te hebben gezien, betekent dat al iets.

“De contacten met zieken huizen en scholen in Burundi waren al gelegd, waarop we gingen aankloppen bij de Burundese regering om onze verplaatsingskosten te financieren met geld dat ze in het kader van internationale ontwikkelingsprojecten ontvingen. Veel verder dan het kantoortje van een lokale ambtenaar die zich met de diaspora in het buitenland zou bezighouden zijn we nooit geraakt. Toen we vervolgens ook hier bij minister Charles Michel gingen aankloppen met dit toch al vrij concrete project, kregen we daar te horen dat we daarvoor dan maar bij IOM moesten gaan aankloppen. Alle initiatieven vanuit de diaspora moeten voortaan immers via het MIDA-project passeren. Waarna we bij IOM in Brussel dan te horen kregen dat het ons vrij stond ons in te schrijven voor een van hun eigen projecten. Einde verhaal dus, en of we ooit nog eens zoveel hooggeschoolden van Burundese origine bereid gaan vinden hun vakantie op te offeren, is hoogst twijfelachtig.”

Onkostenvergoeding

Het verhaal klinkt Jozef Smets, de Belgische ambassadeur in Bujumbura, niet eens zo verrassend in de oren. “Er keren de laatste jaren stilaan meer en meer Burundezen uit Europa terug naar hun geboorteland. Een aantal onder hen slaagt er daadwerkelijk in een mooie positie te bemachtigen, maar daar tegenover staan ook nogal wat mislukkingen en frustraties. Niet in het minst omdat ze hier vaak niet de omkadering en steun krijgen die ze verwachten of die hen beloofd was. Er loopt hier dus wel wat fout, en als ik met collega-ambassaseurs uit Rwanda en Congo praat, merk ik dat ik met die vaststelling niet bepaald alleen sta.”

Kathelyne Craenen, attaché voor ontwikkelingssamenwerking op de ambassade in Bujumbura: “Oorspronkelijk mikte het MIDA-programma op goed opgeleide Burundezen die voor enkele maanden vanuit Europa naar hier kwamen afgezakt. Vandaag heeft MIDA wat ons betreft meer weg van een reisbureau: vanuit Europa komen Burundezen voor drie tot vier weken naar hier, waar ze dan dankbaar gebruik van maken om familie en vrienden met een bezoekje te vereren. Bovendien ontvangt pakweg een arts hier dan op vier weken een ‘onkostenvergoeding’ die zowat even hoog ligt als wat een lokale arts in een heel jaar verdient. Natuurlijk kan ik ook begrip opbrengen voor het argument dat goed opgeleide artsen of apothekers van Burundese afkomst zich in België geen twee maanden kunnen vrijmaken, maar waarom zouden we de diaspora dan niet op een andere wijze proberen in te schakelen? Ik denk bijvoorbeeld aan programma’s op vlak van e-learning – die vroeger wel bestonden – maar die door MIDA intussen zijn afgevoerd.”

“Een tweede pijnpunt zijn de lokale projecten zelf. Die worden voorgesteld en geselecteerd door de lokale overheid en door IOM Brussel, maar persoonlijk zijn we lang niet altijd overtuigd van de grote toegevoegde waarde daarvan. Met die kritiek staan we overigens niet alleen, maar blijkbaar volstaat dat niet om IOM in Brussel op andere ideeën te brengen. Neem nu de steun aan het psychiatrische ziekenhuis van Kamenge, hier in een buitenwijk van Bujumbura: dat project loopt al verschillende jaren, maar de meerwaarde daarvan ontgaat me nog altijd.”

Hoogst merkwaardig toch, dat de Belgische regering het hele MIDA-project wel financiert, maar tegelijk zelf geen projectvoorstellen kan indienen. Terwijl pakweg de attachés voor ontwikkelingssamenwerking in de Belgische ambassades in Bujumbura, Kigali of Kinshasa toch redelijk goed geplaatst zijn om de lokale noden te kunnen inschatten. Ambassadeur Jozef Smets: “De kritiek vanuit de ambassades hier op de criteria en de uitvoering van het MIDA “Grote Meren” is niet nieuw, maar helaas hebben we zelf geen vinger in de pap. Ik vraag me echt af of we niet eerder moeten bekijken hoe we goed opgeleide mensen vanuit de diaspora kunnen helpen om definitief naar hier terug te keren. Dat lijkt me op lange termijn veel zinvoller en efficiënter. Vandaag lukt dat doorgaans niet, omdat ze hier van het kastje naar de muur gestuurd worden en op de koop toe op allerlei praktische problemen botsen. Neem nu de onderwijsproblematiek: de kinderen van Burundezen die jarenlang in België gewoond hebben, kunnen hier meestal niet terecht op de Belgische school omdat die school peperduur is. Wat is dan het alternatief? Lokaal onderwijs, dat van bijzonder laag niveau is. Zoiets is voor vele hooggeschoolden uit Europa echt een afknapper.”

IOM opende intussen zelf ook een kantoortje in Bujumbura. De nieuwe vertegenwoordiger daar – die jarenlang verantwoordelijk was voor het MIDA-programma in West-Afrika – liet intussen zelf ook al uitschijnen dat het ‘Grote Meren’-programma voor flink wat verbetering vatbaar was. “Ik hoop dat er dan eindelijk ook eens naar onze kritiek zal geluisterd worden, want tot nog toe verliep de dialoog met IOM bijzonder stroef”, aldus nog Jozef Smets. “Op de koop toe krijgen we als enige financier ook amper toegang tot de projecten zelf en vallen onze opmerkingen doorgaans in dovemansoren. Ook bij de Burundese overheid trouwens. Om je nog één voorbeeld te geven: wat voor zin heeft het om in juli en augustus professoren vanuit België naar hier te laten overkomen, wanneer de universiteiten gesloten zijn? Vorig jaar liep er nochtans zo een project. We hebben dat in Brussel ook aangekaart, maar het bleef daar oorverdovend stil. Niet dat we vinden dat het hele MIDA-programma daarom maar geschrapt moet worden, maar een grondige bijsturing is absoluut noodzakelijk. En het lijkt me geen overbodige luxe om de impact en toegevoegde waarde van projecten die vanuit Brussel worden opgezet achteraf ook minstens even op het terrein na te gaan.”

Verwachtingen te hooggespannen

Als er iemand goed geplaatst is om de potentiële inbreng van hoogopgeleid ‘Belgische Burundezen’ in hun land van herkomst te bekijken, dan moet het wel Epimaque Ntirushwubwenge zijn. Jarenlang woonde hij zelf in de buurt van Namen, maar sinds kort betrekt hij een naar Afrikaanse normen behoorlijk goed uitgerust kantoortje in hartje Bujumbura. Als lokale coördinator - lees officieuze verbindingsofficier met de lokale regering - voor het MIDA-programma. Ook hij maakt verrassend genoeg flink wat kritische kanttekeningen bij het hoge verwachtingspatroon naar de diaspora toe.

“Enkele jaren terug mikte het MIDA-programma vooral op academische samenwerkingsprojecten. Dat leidde toen al regelmatig tot flink wat wrevel, omdat niet alle professoren en artsen hier even enthousiast waren over de komst van goed opgeleide landgenoten uit België, die ze in de eerste plaats als concurrenten zagen. Vandaag zijn de projecten een stuk praktischer en concreter – landbouw, medische opleidingen, noem maar op – en lopen ze doorgaans maar over enkele weken. Omdat we ondervonden hebben dat het anders haast onmogelijk is om goed opgeleide specialisten uit Europa te laten overkomen. Samen met u kan ik enkel maar vaststellen dat we flink wat geld en energie stoppen in het mobiliseren van de diaspora in Europa en in de selectie van geschikte projecten hier ter plaatse, maar dat de Burundese autoriteiten zelf vaak op de rem gaan staan. Zodat er op het terrein inderdaad niet al te veel beweegt, al enkele jaren lang. Dat is onbegrijpelijk als je nagaat hoeveel goed opgeleide Burundezen in West-Europa staan te popelen om hier hun steentje bij te dragen. Tegelijk vrees ik dat de verwachtingen hier naar de diaspora toe soms te hooggespannen zijn: wanneer iemand bereid is om hier een maand van zijn vakantie op te offeren dan vind ik dat al heel wat.”

De onverbloemde kritiek op de weinig opbouwende, lees soms zelf ronduit negatieve, houding van de Burundese regering naar de diaspora toe vingen we ook bij andere Burundese gesprekspartners op. Al werden er ook hardop vragen gesteld bij het beleid van de toenmalige Belgische minister van Ontwikkelingssamenwerking, Charles Michel. “Het is wel heel gemakkelijk om eerst een grotere inbreng van de Afrikaanse diaspora te bepleiten en de bal vervolgens systematisch door te spelen naar IOM en zelf geen enkel initiatief te steunen. Voor het ‘Grote Meren’-project heeft België goed 3,8 miljoen euro uitgetrokken. Het is een illusie te denken dat je daarmee snel eventjes de Congolese, Rwandese en Burundese diaspora in Brussel kan mobiliseren. Waarom weigert de officiële bilaterale ontwikkelingssamenwerking in België met de diaspora samen te werken? Als het de Belgische regering echt menens is wat betreft een grotere rol van de diaspora in het ontwikkelingsbeleid, dan zou dat toch de logica zelf moeten zijn?”

Minister Chastel reageert (niet): “I know nothing”

Olivier Chastel, die enkele maanden terug Charles Michel opvolgde als minister van Ontwikkelingssamenwerking, wilde zelf niet reageren op de reportage. Erwin De Wandel, adviseur op het kabinet-Chastel, benadrukt dat het MIDA-programma de voorbije jaren al enkele malen grondig werd geëvalueerd en bijgestuurd.

“Kritiek vanuit de ambassades wordt indien nodig ook overgemaakt aan OIM, maar dit uiteraard zonder te vervallen in micromanagement”, klinkt het. Het feit dat een heel concreet project van de Burundese diaspora in ons land op geen financiële steun kon rekenen vanuit de bilaterale ontwikkelingshulp, ligt volgens De Wandel aan de Burundese autoriteiten.

”Als Burundi zelf vraagt om de diaspora te steunen, zal dat ook gebeuren.” Merkwaardig toch, hoe het blijkbaar de Burundese autoriteiten zijn – die vaak niet echt zitten te wachten op goed opgeleide lastposten uit België – die mee bepalen hoe het Belgische ontwikkelingsbudget wordt besteed.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van de Koning Boudewijnstichting