Succestape - De beschermheer van de planten

Hij is één van de tien meest geciteerde plantenbiologen. Ter wereld. Onder zijn leiding schopte het Gentse Plants Biology Systems het tot allerbeste onderzoekscentrum in plantenbiotechnologie. Ter wereld. Critici beschimpen genetisch gemodificeerde gewassen als Frankenstein-voedsel, Dirk Inzé gelooft rotsvast dat ze mee kunnen zorgen voor een duurzame landbouw en voedselzekerheid.



Een witte jas staat met de armen gespreid als een vogelverschrikker in een tarweveld.  “‘De beschermheer van de planten’,” lacht plantenbioloog Dirk Inzé wanneer hij de ludieke foto in zijn kantoor in het Zwijnaardse Technologiepark aanwijst. De man doet zijn bijnaam in vele opzichten eer aan. Al jaren geldt hij in de plantenwetenschap als één van de tien meest geciteerde wetenschappers. Wereldwijd, welteverstaan. Twee weken geleden raakte bekend dat het onderzoeksinstituut Plant Systems Biology (PSB), verbonden aan het Vlaams Instituut voor Biotechnologie waar hij directeur is, is uitgeroepen tot het beste onderzoekscentrum in biotechnologie wereldwijd. Een erkenning die het PSB geen windeieren legt. “De beste studenten wereldwijd en de grote geldschieters zijn nu eenmaal meer geneigd aan te kloppen bij een topinstituut. Toen ik hier wetenschappelijk directeur werd in 2002 telden we een handvol buitenlanders en 140 medewerkers in onze rangen. Vandaag zitten we al aan meer dan een derde buitenlanders en 250 medewerkers. Chinezen, Zuid-Amerikanen: wetenschappers die meestal na een paar jaar naar hun thuisland terugkeren. Zo creëren we een vitaal wereldwijd netwerk.”
 
‘Plantensysteembiologie’: ik weet niet hoeveel schappen er in uw boekenkast aan gewijd zijn, maar in de bibliotheek van mijn brein valt er onder de ‘P’ drie keer niks terug te vinden. Dirk Inzé blijkt gelukkig één van die topwetenschappers die behendig afzakt naar de minder mistige regionen van het taalgebied: “Planten hebben ongeveer 30.000 genen. Elk gen is een blokje met een specifieke functie. We leggen ons hier toe op onderzoek naar de groei en de vorm van planten. We proberen onder meer na te gaan welke genen verantwoordelijk zijn voor groei. Geen sinecure, want het is een complex samenspel van allerhande genen. We proberen met andere woorden dat biologische systeem te doorgronden.”
 

Microscoop in plaats van sneeuwklas

‘Het biologische systeem doorgronden’, op kinderlijke wijze was Dirk Inzé er al als tienjarige druk doende mee. “We woonden in landbouwgebied, in het Oost-Vlaamse Grembergen. Veertig jaar geleden was de biodiversiteit nog zoveel rijker. De lokale jeugd verzamelde allerhande dieren en schelpen voor me. Schedels van knaagdieren en vogels, kikkerdrillen, kevers, libellen, vlinders, tot zelfs stenen: de speelruimte aan ons huis stond werkelijk vol met verzamelingen. Ik was geabonneerd op de ‘Encyclopedie van de dieren’. Elk week legde ik een aanzienlijke afstand af met de fiets om het nieuwe deel in mijn farde te kunnen steken. Ik las dat meteen van voor naar achter.” De uitdrukking ‘jongens en wetenschap’ zit Dirk Inzé als gegoten. “Ik herinner me een sneeuwklas naar Zwitserland met het ziekenfonds. Veertien was ik. Ik weigerde mee te gaan en heb mijn ouders gevraagd of ik dat geld niet nuttiger mocht besteden. Uiteindelijk heb ik er een stereoscopische microscoop mee gekocht.”
 
“Pas na mijn vijftiende begon ik me voor andere wetenschappen als scheikunde en fysica te interesseren. Zodanig zelfs dat ik niet meer wist wat ik wou studeren.” Uiteindelijk keerde Dirk Inzé terug naar zijn roots, en studeerde hij biologie aan de UGent. Specialisaties dierkunde en biochemie. Als thesisstudent ontmoette hij Jeff Schell, een legendarische professor genetica.   Dirk Inzé zat voorgoed op de rails van het plantenonderzoek.  “Schell was een begeesterend onderzoeker. Hij werkte met Marc Van Montagu, wereldwijd beroemd als pionier in gentechnologie bij planten. Ik had de eer en het genoegen terecht te komen in een wetenschappelijk labo van 30, 40 mensen dat snel wereldwijd naam en faam maakte. Schell en Van Montagu ontdekten het mechanisme van genentransfer, van het grootste belang voor de genetische wijziging van planten. Mijn doctoraat spitte uit hoe een bacterie in staat was tumoren aan te maken op planten, door er via een proces van natuurlijke modificatie erfelijke informatie binnen te brengen. Kort samengevat: we zijn erin geslaagd de erfelijke info voor tumorvorming uit te schakelen. De bacterie kon door ons gekozen genen nog altijd overzetten op een plant, maar de plant maakte niet langer tumoren aan.” Die wereldwijde primeur leverde de 24-jarige Dirk Inzé een publicatie op in het tijdschrift Cell, het summum in zijn vakgebied. “Het is gemakkelijk groot worden op de schouders van reuzen als Schell en Van Montagu. Dergelijk onderzoek is trouwens altijd teamwork.”     
 
Het bewuste team van bevlogen plantenonderzoekers in het Gentse maakte begin jaren tachtig razendsnel internationaal furore. Ondertussen had Marc Van Montagu in 1982 het bedrijf Plant Genetic Systems opgericht (nu Bayer CropScience). De Franse minister van Wetenschap kreeg het er danig van op de heupen. Hoe was het mogelijk: 8.000 gelijkaardige Franse onderzoekers, maar nog geen enkel bedrijf. De Fransen wilden een geassocieerd labo in België, betaald door de Franse overheid. Dirk Inzé stelde zich kandidaat en werkte uiteindelijk acht jaar als onderzoeksdirecteur voor het Franse Institut National de la Recherche Agronomique, met stamplaats Gent. Op basis van onderzoeksresultaten uit die periode richtte hij in 1998 met twee zakenpartners het Gentse biotechbedrijf CropDesign op (sinds 2006 BASF Plant Science, eigendom van het Duitse BASF). Inzé zwaaide zijn vaste benoeming aan het INRA vaarwel en ging als ‘chief scientific officer’ bij CropDesign aan de slag. “Ik heb dat één jaar lang erg graag gedaan. En er erg veel geleerd: hoe een bedrijf functioneert, hoe je met patenten en contracten omgaat, zaken die ik nu nog elke dag kan gebruiken. Je hebt doorgaans meer middelen in een bedrijf, maar men werkt er veel meer productgericht. Terwijl het in de wetenschappelijke wereld soms eens goed is een zijweg te bewandelen om de meest vernieuwende zaken te vinden.”
 

Als de dood voor ‘me too’-onderzoek

We schrijven ondertussen 2002. Dirk Inzé had een vorstelijke aanbieding als directeur van het gereputeerde Max Planck Instituut in Berlijn aanvaard. “Maar op het laatste moment deed het VIB een tegenbod dat ik eenvoudigweg niet kon weigeren. Het directeurschap van het Plant Systems Biology (PSB), gekoppeld aan een nieuwbouw die hier destijds werd neergepoot. Bovendien is Vlaanderen een pionier en wereldspeler als het op plantentechnologie aankomt. Op deze campus in het Technologiepark werken er  vandaag al ongeveer 800 mensen (bedrijven incluis). Vele technologieën die wereldwijd aan de basis liggen van verbeterde planten zijn hier ontwikkeld.” Plantensysteembiologie is nog een relatief jonge wetenschap, aldus Dirk Inzé. “Vroeger werd de complexiteit van de plant onderschat. De laatste jaren zien we meer en meer een convergentie tussen wiskunde, biologie en informatica. Je hebt wiskundige modellen en erg performante computers nodig om ons genetisch onderzoek te ondersteunen. Daarom hebben we ook 25 niet-biologen in dienst, pure wiskundigen en natuurkundigen. Ik pleit voor een nagelnieuwe opleiding, waarin bio-informatie en systeembiologie van in het begin aangeleerd worden. In Duitsland en Denemarken kan je zo’n opleiding al volgen.”
 
Dirk Inzé verdeelt zijn tijd tussen een beperkte lesopdracht aan de vakgroep Plantenbiotechnologie en Genetica van de UGent en het PSB. Als instituut specialiseert het PSB zich vooral in de groei en ontwikkeling van planten. “Alles wat aan de basis ligt van de voedselproductie. We hebben negentien onderzoeksgroepen in huis, die mekaar goed aanvullen. Andere instituten specialiseren zich dan weer veel meer in ziekten.” Inzé en consoorten zijn als de dood voor ‘me too’-onderzoek. “Dat zie je veel in de wetenschappen: elkaar kopiëren. We willen grenzen verleggen. Een open discussiecultuur is cruciaal. Tweemaandelijks zijn er informele evenementen waarbij de negentien onderzoeksgroepen elkaar ontmoeten. We ontvangen daarnaast wekelijks gereputeerde wetenschappers die elders een onderzoeksgroep leiden. Ze geven een lezing, blijven een paar dagen en vormen een verfrissend klankbord voor onze mensen. Uit die ontmoetingen groeien nieuwe ideeën.” Topwetenschap heeft veel weg van topsport: niet voor doetjes. Wie niet voldoet, mag beschikken. “Een ‘science advisory board’ van vijf internationale wetenschappers (Japanners, Amerikanen en Europeanen) licht om het anderhalf  jaar onze negentien onderzoeksgroepen door. Externe comités doen hetzelfde om de vijf jaar. Harde beslissingen, over groepen die niet aan de verwachtingen voldoen, zijn het moeilijkste aspect van de job. Heel wat getalenteerde onderzoekers staan te drummen om die plaatsen in te vullen.”
 

Frankenstein-voedsel

1994: Europese wetenschapsprijs van de Körber-stichting. 2005: de Belgische Francquiprijs biologische en medische wetenschappen. Dit jaar: vijfjaarlijkse FWO-excellentieprijs exacte wetenschappen. Top-10 meest geciteerde plantenbiologen wereldwijd. En nu het PSB uitgeroepen als beste onderzoekscentrum voor plantenbiotechnologie ter wereld. Een mens zou van minder beginnen zweven. “Fantastische bijdragen kunnen binnen tien jaar hopeloos achterhaald zijn. Tenzij je naam Einstein is. Uiteraard zijn al die tijdelijke erkenningen bijzonder aangenaam. Ik beschouw mijn bijdrage maar als een klein onderdeel van een veel groter mondiaal geheel.”
 
Planten genetisch aanpassen, het onderzoeksveld van PSB, verhit al jaren de gemoederen. ‘Frankenstein-voedsel’, ‘een ramp voor mens en milieu’, schreeuwen de Greenpeaces van deze wereld. Dirk Inzé windt zich op. Al is het de duizendste keer. “Wetenschap is een zelfregulerend systeem. Als ik onzin op papier zet, springen er meteen vijf wetenschappers recht om mijn naam te kelderen. Ik zit toch al dertig jaar in deze business: nog nooit heb ik enig verifieerbaar bewijs gezien dat genetisch gemanipuleerde planten een gevaar zouden vormen voor mens en milieu. Let op de nuance ‘verifieerbaar’. Er wordt inderdaad vanalles geclaimd, maar die data zijn vals en wetenschappelijk niet bewijsbaar. Dat stoort me mateloos. Denk aan de aardappelschimmel. Ook onze boeren moeten een aantal keer per jaar hun veld met pesticiden besproeien. Terwijl er volledig resistente biotechaardappelen op de markt zijn. Die nota bene gebruik maken van natuurlijke genen van aardappelen, uit een wilde variëteit geïsoleerd. Daar kan je toch niet tegen zijn? Ik geloof rotsvast dat biotechgewassen dé manier zijn om aan ecologisch verantwoorde landbouw te doen. Het gebruik van pesticiden zal verminderen. Want die genetisch gemodificeerde planten zijn meer ziektebestendig. We werken er aan planten toleranter te maken voor droogte, zodat je minder opbrengstverliezen hebt en je efficiënter kan omgaan met het steeds schaarsere water. 70% van alle zoetwater wereldwijd vloeit vandaag naar landbouw. Het grondwaterpeil in India neemt schrikbarend snel af.” Ondertussen zijn al 91% van alle sojabonen en 85% van alle maïs in de VS genetisch gewijzigd. “Het grote verschil met Europa is dat de Food and Drug Administration, het Amerikaanse voedselagentschap, al vroeg het licht op groen heeft gezet. Europa was zeer lang verdeeld, maar heeft nu ook een Europese tegenhanger van de FDA, het EFSA, op poten gezet. We merken stilaan meer politiek pragmatisme hier.”  
 
Geduld, je hebt er als wetenschapper maar beter een overdosis van in je lijf. “In de slipstream van de start van CropDesign, in 1998, komen heel wat genen nu pas in het veld terecht. We hopen dat er binnen twee, drie jaar commerciële producten op de markt komen. Die naïeviteit houdt ons gaande: dat we mee kunnen bijdragen aan het oplossen van het wereldvoedselprobleem.” Over een job met een missie gesproken.

Tekst Nico Schoofs – foto Isabel Pousset