Peter Heller: "Geen toekomst zonder productie"

Keulenaar Peter Heller (68) maakte naam en faam als directeur van Ford Genk in de glorievolle jaren negentig en groeide nadien door tot vicepresident van Ford Europa. In 2002 ging hij officieel met pensioen, maar tot vandaag is hij actief als consultant voor verschillende privébedrijven en overheden.

Peter Heller is een man van vele oorlogen. Half Duitser, half Limburger. Spreekt Nederlands met een sterke Duitse tongval. Ademt twee culturen en legt moeiteloos economische parallellen en verschillen bloot tussen Duitsland en Vlaanderen. Blikt graag terug naar vroeger, niet vanuit een nostalgisch gevoel, maar om er lessen uit te trekken voor de toekomst. Heeft het hart op de goede plaats, want zette mee zijn schouders onder Hart voor Limburg, een instelling van Concentra Media die zich inzet voor maatschappelijk kwetsbare kinderen. En woont sinds bijna 20 jaar in Limburg, de provincie die hem nooit meer loslaat.

U was baas van Ford Genk in de glorieperiode: van 1990 tot 1997. Dat moet fantastisch geweest zijn?

Peter Heller: “Een van de eerste Nederlandse uitdrukkingen die ik leerde was ‘met vallen en opstaan’, al had ik vooral het gevoel te ‘vallen’ in het begin. Ik startte in februari 1990 en zes weken later werd ik geconfronteerd met een staking die zeven weken duurde. We telden toen 13.500 werknemers, waarvan 1.700 met een tijdelijk contract. De laatsten hadden natuurlijk niets te verliezen. Achteraf bekeken was die staking een zegen. Ik leerde heel snel Nederlands, en leerde ook heel snel de vakbonden en mijn management kennen, in moeilijke omstandigheden.”

U klom op tot vicepresident voor Ford in Europa?

Peter Heller: “Een schitterende job, maar wat me enorm frustreerde, waren de politieke spelletjes op het allerhoogste niveau. Weet je, ik ben nooit bewust bezig geweest met mijn carrière, behalve als jonge ingenieur, omdat ik toen zo snel mogelijk het niveau wou bereiken waarop ik een bedrijfswagen kreeg. Soms kreeg ik ook het verwijt dat ik te vriendelijk was tegen mijn mensen, maar zo verkeerd was dat blijkbaar niet, want men bleef me promoveren.”

In 2002 ging u met pensioen. Nog geen twee jaar later trok Patrick Dewael, toen minister-president van de Vlaamse regering, u aan als strategiemanager.

Peter Heller: “Hij vroeg me om een strategie te ontwikkelen voor de toekomst van Limburg. De politici hadden toen het gevoel dat de Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM) te weinig deed met de beschikbare middelen. Vandaag levert die trouwens uitstekend werk en investeert ze in bedrijven met hoofdzetel in Limburg. Daarnaast was ik ook voorzitter van een organisatie binnen de hogeschool van Keulen, waar ik bruggen bouwde tussen kmo’s, professoren en ingenieurs in spe die hun eindwerk maakten in de kmo’s. In Duitsland zijn de technische opleidingen veel praktischer ingericht. Een elektricien of automecanicien leert er de stiel in de fabriek en gaat ondertussen naar school. In België begint men nu pas goed te beseffen dat jongeren goeie stages moeten volgen. De technische opleidingen zijn in België fel ondergewaardeerd. Daardoor kampen we nu met een groot tekort aan industrieel ingenieurs en technici. In Duitsland wordt een technisch geschoolde arbeider alom gerespecteerd, hier veel minder. Misschien moeten we de naam ‘technisch onderwijs’ maar veranderen in ‘technologisch onderwijs’.”

U schreef toen in uw rapport dat Limburg het in zich heeft om de voorraadkamer van Europa te worden. Gelooft u daar nog steeds in?

Peter Heller: “Jazeker. Limburg telt veel grote distributiecentra, zoals SKF in Tongeren en IKEA in Genk. Maar op het vlak van infrastructuur schieten we serieus tekort. De Noord-Zuidverbinding blijft maar aanslepen en over de IJzeren Rijn wordt al bijna 100 jaar gepalaverd. Daarnaast moeten we inzetten op ‘value added logistics’, zoals voorassemblage, supply chain management … Zo creëer je toegevoegde waarde en jobs. In Limburg is er trouwens nog veel industriegrond beschikbaar, ook al hoor je andere geluiden. En laten we niet vergeten dat economische of technische werkloosheid gesubsidieerd wordt in België. Die flexibiliteit vind je bijna nergens anders in Europa. Limburg kijkt trouwens veel te weinig over de grenzen. De fruitsector is daar een typisch voorbeeld van.”

Op welke sectoren moet Vlaanderen in de nabije toekomst inzetten?

Peter Heller: “Vlaanderen heeft een aantal heel sterke biotechbedrijven. We moeten ook blijven inzetten op de bouwsector, want de Vlaamse bouw- en baggerbedrijven zijn wereldwijd actief. Daarnaast moet milieutechnologie zeker een speerpunt zijn. Duitsland, in tegenstelling tot België, zag daar heel snel een nieuwe groeisector in. In 2004 heeft Vlaanderen trouwens een grote kans gemist. Ik zei toen dat we hier 500 windturbines moesten plaatsen, en dat we ook zelf de onderdelen moesten produceren. Dat is er niet van gekomen, hoewel pakweg automecaniciens perfect in staat zijn om ook windmolens te bouwen. Op voorwaarde dat je hierin investeert natuurlijk.”

Ziet u nog een toekomst voor de automobielsector in Vlaanderen?

Peter Heller: “Ja, maar vooral voor slimme toeleveranciers, zoals LMS International, die zich verdiepen in nieuwe technologieën. Ik geloof ook in Flanders Drive, het Vlaamse initiatief dat competenties voor de voertuigindustrie ontwikkelt met het oog op innovatie in producten en processen.”

Moeten we onze bedrijven ook niet weer meer verankeren in België?

Peter Heller: “Klopt. Voorbeelden zoals Philips en Ford Genk hebben aangetoond dat één beslissing vérstrekkende gevolgen kan hebben, als het kapitaal en de aandeelhouders in het buitenland zitten. Maar één ding is zeker: we moeten dingen blijven produceren. In de jaren 90 heerste hier een dienstenhype, maar de dienstverlening in de computertechnologie van Ford zit ondertussen in India. Ook diensten kunnen gedelokaliseerd worden.”

Een van uw stokpaardjes is: geef meer kansen aan spin-offs. Maar België telt er veel te weinig…

Peter Heller: “Uit een McKinsey-rapport uit 2004 bleek al dat België een van de beste onderwijssystemen ter wereld heeft, maar dat we er veel te weinig mee doen. Momenteel zijn er bijvoorbeeld 7.500 doctorandi in België, maar minder dan één procent onder hen is betrokken bij de opstart van een nieuw bedrijf. Het is simpel: we hebben steengoede universiteiten en goed opgeleide mensen met ideeën, maar te weinig studenten met het ondernemersvirus. De meesten willen professor worden en publiceren, wat wel hun imago opkrikt, maar niet onze tewerkstelling. Ik vind het fantastisch om als adviseur van die jonge ondernemers in spe mijn steentje bij te dragen. We moeten durven te investeren in spin-offs.”

Slotvraag: de Peter Heller Talent Award is naar u genoemd en bekroont de beste geïntegreerde proef (GIP) bij studenten. Wil u op die manier het imago van het technisch en beroepsonderwijs opwaarderen?

Peter Heller: “Jazeker. Ik wil jongeren ook diets maken dat je in teamverband gemakkelijker resultaten kunt boeken. Als er iemand iets niet verstaat in een groep, noemt men hem snel een idioot. Maar waarschijnlijk heeft men de materie niet goed uitgelegd, en vaak zijn de domme vragen van de idioot helemaal geen domme vragen. In het beroepsleven staat of valt alles met een goed team en dito teamwork.”

 

Broeihaarden van innovatie en hoop

 

SO Kwadraat

SO Kwadraat coacht sinds 2006 briljante doctoraatsstudenten bij de opstart van een bedrijf. Binnen SO (staat voor spin-off) geven succesvolle ondernemers hun eigen spin-offervaring door aan een nieuwe generatie. De begeleiding is individueel en biedt ondersteuning bij het schrijven van een businessplan, het aantrekken van kapitaal, tot en met het opstellen van de noodzakelijke notariële documenten. Deze formule resulteerde op enkele jaren tijd in de geboorte van 65 nieuwe technologiebedrijven, 500 directe jobs en nog eens 500 indirecte jobs. Pulse Foundation is dan weer een initiatief van privéschenkers uit Wallonië, onder leiding van Herman Daems, dat verenigingen ondersteunt die het ondernemerschap aanzwengelen. Pulse Foundation heeft onlangs aangekondigd dat het 540.000 euro wil investeren in SO Kwadraat, met de ambitie om hightech ondernemerschap te bevorderen, zowel in Vlaanderen als in Wallonië.

 

Flanders’ DRIVE

Flanders’ DRIVE is het Vlaams onderzoekscentrum voor de voertuigindustrie dat samen met toonaangevende bedrijven en onderzoeksinstellingen werkt aan hoogtechnologisch, toepassingsgericht onderzoek naar het voertuig van de toekomst, met financiële steun van de Vlaamse overheid. ‘Vision’ bijvoorbeeld is een concreet onderzoeksproject naar het gebruik van visiesystemen in het voertuig en langs de weg, om bestuurders tijdig te kunnen informeren over andere weggebruikers en indien nodig te waarschuwen, om ongelukken en files te vermijden. ‘Electric Powertrain’ draait dan weer om de ontwikkeling van een nieuwe aandrijflijn met individueel elektrisch aangedreven wielen en een geoptimaliseerd batterijpakket.