Opleiding industrieel ingenieur binnenkort naar universiteit?

De Vlaamse regering moet tegen volgende zomer beslissen of de opleiding industrieel ingenieur naar de universiteiten overgeheveld wordt. De Europese Bologna-hervorming maakte van de opleiding industrieel ingenieur een ‘academische master’. Dat betekent dat ze tegen 2012 moet ‘academiseren’: meer op wetenschappelijke leest geschoeid, meer aandacht voor onderzoek. Hoe dat precies moet gebeuren, daarover zijn de meningen scherp verdeeld.

De voorstander

André Oosterlinck (KU Leuven): “Kent de industrie ons wel?”

André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie K.U. Leuven, wil dat de opleiding industrieel ingenieur geïntegreerd wordt in  de universiteiten. “Als je dat goed uitvoert, is dat een verrijking voor de industrieel ingenieur, de universiteit én de bedrijfswereld. Academisch onderwijs vereist voldoende en gedegen onderzoek.  Het zou dom zijn om dat onderzoek te versplinteren over hogescholen en universiteiten. Onderzoek is nu al één van de hoofdtaken van universiteiten. Het komt er op aan onze schaarse middelen zo rationeel mogelijk in te zetten. Alle associaties (samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en hogescholen, nvdr) in Vlaanderen zijn het er over eens dat integratie in de universiteit de beste oplossing is.”

Agoria heeft bezwaren tegen de overstap naar universiteiten, omdat zij vrezen dat de afgestudeerden dan minder vlug inzetbaar zouden zijn. “Ik heb alle begrip voor de zorgen van Agoria, maar hun zorgen zijn ook de onze. Wij willen óók afgestudeerden die zeer snel inzetbaar zijn. Maar wij willen ook het innovatiepotentieel van de bedrijven vergroten, iets wat toch ook de zorg van Agoria is. Zij vrezen dat het profiel tussen burgerlijk en industrieel ingenieur vervaagt, maar aan de universiteit bestaan er al lang zeer uiteenlopende profielen. Je hebt mensen die sport studeren, die krijgen een totaal andere opleiding als de wiskundigen. Bij ons hebben burgerlijk ingenieur en bio-ingenieur een duidelijk verschillend profiel. Universiteiten hebben er zelf alle belang bij om hun opleidingen sterk te profileren.”
De kritiek is bovendien vaak gebaseerd op vooroordelen, vindt Oosterlinck. “Dat de doorstroming naar de bedrijfswereld veel minder vanzelfsprekend is voor universitair afgestudeerden.: dat is larie en apekool. Kennen ze de universiteiten wel goed genoeg? Sommige mensen uit de industrie denken dat universiteiten alleen maar theoretici opleiden. Wij hebben  ook praktijkgerichte profielen, meestal met stages en dat stellen we nu ook voor de opleiding industrieel ingenieur voor. We moeten evolueren naar een vijfde jaar dat een projectjaar met een innovatief eindwerk in de bedrijfswereld is. En dat laatste mag je gerust breed zien: ook een ziekenhuis of een verzorgingstehuis vallen daar onder. Op die manier heb je ook een heel duidelijk profiel en onderscheidt de opleiding zich van die van burgerlijk ingenieur. Nee, dat er geen aansluiting is met de bedrijfswereld aan de universiteit is een achterhaald idee. Weet je hoe dat komt? Veel mensen uit de bedrijfswereld hebben het beeld van de universiteit van toen ze zelf nog studeerden. Een goed overleg en uitwisseling van informatie kan hier een oplossing bieden.

De tegenstanders

Bedrijfsleider Jan Vercammen: “Ik hou mijn hart vast”

Jan Vercammen is goed geplaatst om een oordeel te vellen over de eventuele overheveling van de opleiding naar de universiteiten: hij is ceo van Egemin, een bedrijf met 500 werknemers - waaronder een pak ingenieurs - , is lid van het directiecomité van Agoria én heeft een diploma industrieel en burgerlijk ingenieur. “Om te beginnen: we mogen in Vlaanderen trots zijn op onze burgerlijk en industrieel ingenieurs. Internationaal bekeken zijn ze erg goed. Maar ik hou mijn hart vast voor wat er nu dreigt te gebeuren. Overheveling naar de universiteit houdt in dat industrieel ingenieurs een soort pseudo-burgerlijke ingenieurs worden: universiteiten focussen per definitie meer op het academische, terwijl industrieel ingenieurs nu praktisch opgeleid worden. Ze weten hoe motoren werken, hoe scheikundige processen in elkaar zitten, ... . Dat wordt gesmaakt door de industrie. Het is belangrijk om die twee verschillende profielen naast elkaar te laten bestaan, dat is de sterkte van onze ingenieursopleidingen nu. Of je die twee profielen niet kan combineren aan de universiteit? Ik ben daar minder categoriek in, op voorwaarde dat het een aparte faculteit zou worden. En op voorwaarde dat het om praktijkgericht onderzoek gaat, dat doorstroomt naar bedrijven en zo onze concurrentie- en innovatiekracht doet toenemen. De industriële realiteit draait rond het omzetten van technologie in iets concreets, niet rond het aantal wetenschappelijke publicaties.”

Jan Vercammen heeft nog meer bedenkingen. Vooral het idee van een bijkomend (stage)jaar vindt in zijn ogen weinig genade. “Ik pleit voor een meer ervaringsgerichte opleiding, voor mensen uit de bedrijfswereld die les komen geven aan ingenieurs. Laat iemand van het technisch middenkader van een bedrijf iets vertellen over zijn vak. Met een stage rendeert de ervaring niet die studenten opdoen. Elk bedrijf geeft kansen aan jonge ingenieurs en geeft ze een opleiding on the job, die meteen in toegevoegde waarde wordt omgezet. En wie moet sowieso dat vijfde jaar betalen? De bedrijven, zo wordt voorgesteld. Tja, daar kunnen wij ons niet in vinden. Een vijfde jaar zou bovendien betekenen dat er één jaar geen instroom is van industriële ingenieurs. Met het huidige tekort aan ingenieurs zijn we daar allesbehalve vragende partij voor.”

Wilson De Pril (Agoria): “We dreigen de verscheidenheid te verliezen”

Wilson De Pril, directeur-generaal van sectorfederatie Agoria, kant zich fel tegen de overheveling van de opleiding industrieel ingenieur naar de universiteiten. “Ik begrijp het niet: de hogescholen begeleiden al sinds 2004 het academiseringsproces dat de Bologna-verklaring voorschrijft. We zitten perfect op schema om dat tegen 2012 af te ronden, maar toch willen ze dat nu omgooien. Daar zit geen logica achter. Hadden de universiteiten de opleiding industrieel ingenieur naar zich toe willen trekken, dan hadden ze dat meteen moeten doen. Kijk, hogescholen en universiteiten zijn twee totaal verschillende werelden. Hogeschoolstudenten staan dichter bij de praktijk, de docenten zijn zelf afgestudeerde ingenieurs die dichter bij de realiteit staan. Bij universitair onderzoek telt het aantal publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Dat is een andere cultuur, met andere criteria. Als industrieel ingenieur onder de vleugels van universiteiten komt, dan kom je tot één geijkte opleiding en is er nog maar heel weinig onderscheid tussen burgerlijk en industrieel ingenieur. Dat is een verlies. De twee opleidingen trekken verschillende studenten aan en op de arbeidsmarkt zijn de twee profielen ook gegeerd. We dreigen die verscheidenheid te verliezen door integratie van de opleiding op universitair niveau. Je kan nu eenmaal geen praktijkgericht onderwijs bouwen op theoretisch onderzoek.”

Nog een doorn in het oog van Wilson De Pril: het voorstel om een extra jaar in te lassen. “Dat betekent dat de twee opleidingen nog meer op elkaar gelijken. In plaats van een extra jaar te voorzien, lijkt het ons veel beter om jongeren in de praktijk te laten leren, hun kennis te toetsen aan de praktijk. Studenten die een extra jaar willen doen, kunnen daar eventueel zelf voor kiezen. Dat is ook de voorkeur van studentenverenigingen. Laat studenten zelf kiezen in plaats van ze iets op te leggen. Als je als industrieel ingenieur meer onderzoeksgericht wil werken, dan zijn er schakelprogramma’s waarmee je burgerlijk ingenieur kan worden. Als je dat forceert, wordt de opleiding industrieel ingenieur minder aantrekkelijk en verminder je de instroom. Dat moeten we ten allen prijze vermijden, met het tekort aan ingenieurs dat er nu al is. Een extra jaar kost ook geld. Minister Frank Vandenbroucke zei jaren geleden al dat hij geen geld had voor een vijfde jaar. En nu is er nog minder geld dan toen. Waar haal je dat dan vandaan? Kijk toch ’s naar het buitenland: in Nederland, Duitsland en Frankrijk heb je zeer succesvolle technische universiteiten, met zeer praktijkgerichte opleidingen. Dat is een perfect voorbeeld voor hoe we het hier moeten aanpakken.”

Tekst: Dominique Soenens

Verschenen in Vacature Magazine van 12 juni 2010.