Op zoek naar vakantieopvang

Een ondoorzichtig aanbod, een stijgend tekort aan gesubsidieerde opvangplaatsen en een prijskaartje dat voor sommige tweeverdieners stilaan onbetaalbaar wordt. In tijden waarin een hogere activiteitsgraad bovenaan de politieke agenda staat, lijkt meer en beter gestructureerde vakantieopvang voor kinderen een minstens even grote zorg.

Je bent jong en je wilt wat: een leuke echtgenoot, een uitdagende baan en enkele schattige kinderen bijvoorbeeld. Maar voor je het goed en wel beseft zijn die kinderen niet enkel de luiers maar ook de crèche of onthaalmoeder ontgroeid, en daar sta je dan tijdens de schoolvakanties: jij een drukke baan, partner aan het werk, maar wat gedaan met de kroost?

Annelies Van der Burght (37) en haar echtgenoot weten er alles van. Allebei zijn ze aan de slag in de financiële sector, en thuis wachten drie kinderen die stilaan een jaartje ouder worden. “Met Elien (1,5) loopt dat allemaal nog wel los”, vertelt Annelies. “Zij kan ook in de vakantieperiodes gewoon in de crèche terecht. Michiel (4) en Maarten (10), dat is vaak een ander paar mouwen. Telkens opnieuw is het een heel gepuzzel om opvang georganiseerd te krijgen, en vaak blijft het dan nog improviseren. Voor de grote vakantie bijvoorbeeld hebben we Maarten nu kunnen inschrijven voor een kamp van de CM in juli, ergens in de Ardennen. Dat ligt al vast van begin januari. Dat moet ook, want als je er niet meteen bij bent zodra de inschrijvingen opengesteld worden, kan je het wel schudden. Qua prijs valt dat nog best mee, zowat 200 euro schat ik, maar daarmee zijn we er natuurlijk nog lang niet. Tot overmaat van ramp is ook de crèche van onze dochter in juli gesloten, zodat we in die periode opvang moeten vinden voor drie. Wellicht gaan we een hele week lang een beroep doen op een babysit, die thuis dan een hele week op de twee jongste kinderen komt passen. Daarnaast zullen Maarten en Michiel hopelijk ook nog een weekje sportkamp kunnen doen in Aalst zelf, waar we wonen, en reken ik occasioneel op ouders en schoonouders. Net omdat ze tijdens het schooljaar al zo vaak paraat moeten staan, wil ik daar ook niet al te veel beroep op doen.”

Opvang vinden is één ding, het prijskaartje daarvan is nog een andere zaak. “In ons geval valt dat relatief goed mee”, klinkt het . Ik schat dat de opvang in de grote vakantie, crèche niet meegerekend, ons zowat 800 euro zal kosten. Als de kinderen iets ouder worden, zullen ze wel ook hogere eisen gaan stellen aan die opvang en ik kan me voorstellen dat ook het prijskaartje dan de hoogte in gaat. Daar staat natuurlijk tegenover dat zinvolle opvang voor je kind ook iets mag kosten, al besef ik wel dat dit voor sommige mensen ook een te dure grap kan worden. Het grootste probleem voor mij is echt wel de planning van die vakantieopvang voor alle kinderen. Maanden vooraf agenda’s samen leggen, het aanbod uitpluizen, tijdig ingeschreven raken, het blijft een stresserend gedoe. Dit hangt natuurlijk nauw samen met de vaststelling dat het aanbod soms ontoereikend is. Voor de komende Paasvakantie bijvoorbeeld hebben we de twee jongens noodgedwongen ingeschreven voor een kamp dat niet meteen onze eerste keuze was. In die zin zou het een stuk handiger zijn mocht er een soort van centraal aanspreekpunt bestaan waar het integrale aanbod gecentraliseerd wordt. Daarnaast verschillen situatie en aanbod vaak ook heel sterk van gemeente tot gemeente, en moet je soms gewoonweg geluk hebben.”

Financiële kater

Annelies staat niet bepaald alleen met de vaststelling dat vakantieopvang in Vlaanderen vandaag vooral een kwestie van veel geduld, veel geluk en vaak ook veel geld is. Verhalen over ouders die al om vier uur ’s ochtends in de rij gaan staan om zoon- of dochterlief toch maar ingeschreven te krijgen voor een kamp zijn geen uitzondering, en intussen klagen ook de openbare besturen steen en been dat ze de vraag naar meer vakantieopvang niet meer aankunnen.

Geconfronteerd met de druk van jonge tweeverdieners en het veel te beperkte aanbod op vlak van vakantieopvang, zagen flink wat steden en gemeenten zich de voorbije jaren verplicht zelf in opvangfaciliteiten te gaan investeren. Ann Lobijn, Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG): “Kijk, het is de verdienste van de Vlaamse regering dat ze sterk de nadruk heeft gelegd op de voor- en naschoolse opvang in scholen zelf en op een uitbreiding van de opvangcapaciteit voor peuters. Dat was ook absoluut noodzakelijk: het geboortecijfer zit al sinds 2002 opnieuw in de lift. “

Met gemiddeld 1,82 kinderen per vrouw zitten we nu zelfs op het hoogste vruchtbaarheidsniveau sinds 1974. “Tegelijk stellen we ook vast dat het aanbod op vlak van vakantieopvang ter plaatse is blijven trappelen. Om je een idee te geven: in Vlaanderen zitten vandaag 600.000 kinderen in de leeftijdscategorie 2,5 tot 12 jaar. 60 procent van die kinderen zijn vandaag regelmatige gebruikers van kinderopvang, terwijl we in heel Vlaanderen maar over erkende en gesubsidieerde vakantieopvangplaatsen voor 22.000  kinderen beschikken. Dat is op zijn minst merkwaardig te noemen, want veel meer nog dan de voorschoolse opvang (voor 0-3 jarigen, nvdr) was de stijgende nood aan vakantieopvang voor iets oudere kinderen perfect voorspelbaar.”

Konden nogal wat openbare besturen zich aanvankelijk uit de slag trekken met het nodige kunst- en vliegwerk, dan lijkt de limiet vandaag bereikt. “In hun ijver om de bestaande capaciteit in hun gemeente uit te breiden, legden veel gemeentebesturen flink wat ondernemingszin aan de dag. Dit kan natuurlijk niet blijven duren, ook al omdat het verwachtingspatroon van de ouders stijgt, terwijl ook de normen die Kind & Gezin oplegt voor de IBO’s (Initiatief Buitenschoolse Kinderopvang) almaar strenger worden. Een stads- of gemeentebestuur kan vaak niet anders dan zelf te investeren in verbeteringen en uitbreidingen van de bestaande infrastructuur of in extra personeel. Het gevolg laat zich raden: een financiële kater. Met andere woorden: er moet iets gebeuren en wat ons betreft is de Vlaamse regering nu aan zet. Het probleem wordt steeds groter, maar de beleidskeuzes blijven uit. Ons maakt het in principe niet uit onder welk beleidsdomein kinderopvang nu precies valt of wie het centrale aanspreekpunt wordt, als er maar keuzes gemaakt worden.”

Wachtlijsten

Die besluiteloosheid, in combinatie met het gebrek aan centen, vertaalt zich op het terrein in lange wachtlijsten. Die leiden dan weer tot boze of gefrustreerde ouders, die vaak urenlang in de rij moeten staan om dan vast te stellen dat er voor hun kind geen plaats meer is op die dagen dat ze nood hebben aan opvang. “We merken steeds vaker dat gemeentebesturen op eigen houtje initiatieven opzetten, zonder te wachten op een erkenning door Kind & Gezin. Dat gaat een pak vlugger, maar er volgen dan natuurlijk ook geen subsidies. Om de druk wat van de ketel te nemen, gaan heel wat IBO’s nu ook al in zee met sportclubs of culturele centra, in een poging hun aanbod uit te breiden. Het grootste probleem daarbij is dat dit aanbod vaak niet afgestemd is op de realiteit – lees de werkuren – van tweeverdieners. Voor- of naopvang blijft dan noodzakelijk, en net op dat vlak situeert zich ook de meerwaarde van een goed IBO-aanbod,” aldus nog  Ann Lobijn. “Het grote verschil met de doordeweekse dagopvang (kinderen van 0 tot 3 jaar, nvdr) is dat je daar nogal wat zelfstandige ondernemers aantreft die initiatieven nemen. In de buitenschoolse opvang is dit eerder zeldzaam, en beperkt het zich tot een aantal door private initiatiefnemers georganiseerde - soms zeer prijzige – kampen. Daarnaast mogen we ook niet vergeten dat er ook nog tal van gemeenten zijn waar er helemaal geen gesubsidieerd aanbod bestaat en waar het lokaal bestuur de alle kosten draagt of waar scholen mee instaan voor het aanbod.”