Multinationals gaan voor groen

Duurzaamheid wordt stilaan een etiket containerbegrip. Multinationals hangen er graag hun karretje aan, maar in welke mate houdt maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) de Zara’s en de Marsen van deze wereld ook écht bezig?

Het duurzaamheidsplan van Unilever – producent van onder andere Lipton, Knorr, Ola, Axe en Dove – bevat vijftig doelstellingen die de multinational tegen 2020 moeten helpen om tegelijk zijn omzet te verdubbelen en zijn milieu-impact te halveren. Unilever wil inzetten op biodiversiteit, hernieuwbare energie en duurzame landbouwpraktijken. Het bedrijf engageert zich onder meer om enkel palmolie met een duurzaamheidscertificaat te gebruiken en tegen 2015 alleen nog verantwoord geproduceerde Lipton-thee te verkopen. CEO Paul Polman is de drijvende kracht achter het initiatief. Hij ziet duurzaamheid als een verplichte toekomst, broodnodig om te overleven.

Critici mogen de plannen van Unilever dan afdoen als greenwashing, binnen de milieubeweging en de MVO-wereld wordt de multinational aangehaald als voorloper en inspirator. Niels Oskam, oprichter van het Nederlandse ‘Rank A Brand’, deelt die mening. Rank a Brand analyseert maatschappelijke jaarverslagen van bedrijven en zoekt uit of alles wat ze propaganderen ook klopt met de gerapporteerde cijfers. Op de gelijknamige website kunnen consumenten het duurzaamheidsgehalte van ruim 850 merken bekijken, al plaatst Oskam daar meteen een voetnoot bij: “De bedrijven die goed scoren bij ons krijgen het predicaat ‘goed op weg’, maar duurzaam zou ik ze niet durven te noemen. Een bedrijf als Mars mag dan een vooruitstrevend cacaobeleid voeren, in realiteit blijken certificaten als Fair Trade en UTZ nog niet toereikend. Lokale cacaoboeren leven nog steeds ver onder de armoedegrens.”

Duurzaamheid is besmettelijk

Oskam merkt dat steeds meer multinationals gebruik maken van internationaal gedragen systemen, zoals de ISO26000. Deze MVO-bijbel is een handig en compleet werkdocument, al zijn de aanbevelingen die erin staan niet bindend en zijn ze, net als de bijbel, vatbaar voor interpretatie en eigen invulling. De groeiende interesse voor duurzaamheid leidt niettemin steeds vaker tot samenwerkingsverbanden over de bedrijfsgrenzen heen. De ‘Sustainable Food Laboratory’ bijvoorbeeld brengt grote wereldspelers uit de voedingsindustrie, zoals Unilever en Sysco, aan tafel met non-profitorganisaties als Oxfam en Fair Trade. De kledingsector richtte dan weer de ‘Sustainable Apparel Coalition’ op, samengesteld uit zowel academische experts als bekende merken en detailhandelsketens – zoals Puma, Esprit, Dupont en Walmart. Het doel: transparantie over productieprocessen stimuleren en nieuwe standaarden voor ecodesign opleggen. De ‘Nike Environmental Design Tool’ werd inmiddels door verschillende andere merken overgenomen, en de kans is groot dat ook de vernieuwende technieken van Puma en Adidas binnenkort hun weg vinden naar de concullega’s. Puma brengt in 2013 een collectie van biologisch afbreekbare sneakers en gerecycleerde rugzakken op de markt, Adidas ontwikkelde met het DryDye-concept een duurzame technologie om T-shirts te verven – zonder één druppel water en met vijftig procent minder energie en chemicaliën.

Groene voornemens

Er bestaan verschillende redenen waarom multinationals investeren in duurzaamheid. “Met ideologie alleen heeft het doorgaans weinig te maken, denk ik. Vooral de schaarste aan middelen dwingt bedrijven om anders te werken en te produceren”, meent Oskam. “De grondstoffen geraken uitgeput, maar tegelijkertijd ontstaan steeds meer technologieën om productieprocessen efficiënter te maken en om goedkope, groene energie op te wekken. Volgens Gert Van Eeckhout, beleidsondersteuner bij het Kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, kan je als multinational maar beter vroeg dan laat inzetten op duurzaamheid. “Voorlopen op de wetgeving kan een competitief voordeel opleveren, en je bent beter voorbereid op veranderingen in bijvoorbeeld demografie en klimaat. Ook de rol van de publieke opinie is niet te onderschatten. Bedrijven die duurzaamheid aan hun laars lappen, dreigen zware reputatieschade op te lopen. Nike en Shell konden dat aan den lijve ondervinden, en moesten daarna een serieuze inhaalbeweging maken. Geen enkel bedrijf wordt graag publiekelijk aan de schandpaal genageld.” Zara, ’s werelds grootste kledingketen, kan er alvast van meespreken. Met de boodschap ‘Zara vervuilt water met giftige stoffen’ voerden Greenpeace-activisten vorige maand actie aan winkelfilialen overal ter wereld. Het schandaal verspreidde zich als een lopend vuurtje op de sociale media. Na negen dagen van intense publieke druk gaf Zara toe om over te schakelen naar een gifvrije productie. Groene voornemens, inderdaad.

De mythe van de groene economie

De groene economie lijkt niet zozeer te gaan over het vergroenen van de economie, maar wel over het economiseren van het groene gedachtegoed. Dat is het uitgangspunt waarmee Anneleen Kenis en Matthias Lievens enkele weken geleden onder massale belangstelling hun boek ‘De mythe van de groene economie’ voorstelden. Ze halen er een aantal mythes in aan die volgens hen dringend doorgeprikt moeten worden, willen we écht een duurzame transitie realiseren. Concrete praktijkvoorbeelden tonen aan hoe zogenaamde groene maatregelen van multinationals er vaak in slagen ecologische problemen aan te pakken, maar er tegelijk weer nieuwe creëren, meestal op nóg grotere schaal.

Tekst An Kokken
Fotografie Annelie Vandendael