MIT-econome Esther Duflo schreef het ‘businessboek van het jaar’

Het pragmatisch optimisme van Esther Duflo krijgt internationaal weerklank. Deze Franse econome en MIT-professor legt haar oor te luisteren bij de arme mensen zelf, omdat ze de logica van de armoede wil begrijpen.

Geen ingewikkelde theorieën over ontwikkeling, maar concrete antwoorden op concrete problemen. Met die nieuwe visie op ontwikkelingshulp haalde ze in bladen als ‘Time’ en ‘Foreign Policy’ de voorbije jaren keer op keer het lijstje van invloedrijkste wereldburgers.

Esther Duflo (39), die in 2010 een eredoctoraat in Louvain-la-Neuve (UCL) ontving, is nu al een grote dame. Het Amerikaanse blad Time noemde de Franse ontwikkelingseconome verleden jaar een van de honderd invloedrijkste mensen ter wereld, en magazine Foreign Policy rekent haar tot de top-100 van de beste intellectuelen wereldwijd. Ze studeerde in Frankrijk, doctoreerde aan de prestigieuze Amerikaanse technologie-universiteit M.I.T. en richtte daar in 2003 samen met professor Abhijit Banerjee het Abdul Latif Jameel Poverty Lab (J-PAL) op. Met J-PAL bestuderen ze armoede en voeren ze concrete acties.

Eerdere studies hadden uitgewezen dat Keniaanse kinderen die twee jaar ontwormingspillen toegediend gekregen hadden, langer naar school gingen en later meer verdienden dan kinderen die slechts een jaar die pillen kregen. Daarom lanceerde het duo in 2007 samen met econoom Michael Kremer het initiatief ‘DewormTheWorld.org’.

Esther Duflo: “Dat idee heeft zijn weg gevonden. Alleen al in de Indische deelstaat Bihar zijn intussen 14 miljoen kinderen behandeld. Een goed voorbeeld van een onderwerp dat nog niet op tafel lag, maar waarvan wij het belang konden aangeven. Ook de media kunnen hier een rol spelen.”

Wat voor rol?

Duflo: “Ze zouden wat rustiger moeten reageren op elk nieuw idee. Neem de microkredieten. Die werden enkele jaren geleden voorgesteld als dé oplossing voor het armoedeprobleem in de wereld. De media reageerden daar zo extreem positief op, dat ook in de ontwikkelingslanden de verantwoordelijken beïnvloed werden. Maar toen rezen er problemen met leningen in Ethiopië, Nicaragua en Bangladesh en werd microfinanciering plots de baarlijke duivel. Die twee houdingen zijn extreem en verkeerd.”

In uw boek ‘Arm en kansrijk’ noemt u de microkredieten een stap in de goede richting, maar geen manier om tot grotere bedrijven te komen. Het boek is door de Financial Times uitgeroepen tot het businessboek van 2011.

(lacht) “Heel verrassend want het is natuurlijk geen echt zakenboek. In ‘Arm en kansrijk’ brengen we ons onderzoek van vijftien jaar bijeen. Daarnaast is het gebaseerd op honderden contacten en verhalen van  andere economen, ngo’s, activisten, bureaucraten en microfinanciers. Het boek heeft een brede discussie op gang gebracht. Zeker in India hebben ook politici gereageerd.”

Gaan ze er dan mee aan de slag?

“In mijn ogen, niet genoeg. Vele programma’s gericht op de armen missen hun doel omdat ze niet genoeg doordacht zijn. Zo’n programma ontstaat dikwijls na een verkiezing: iemand wil zijn daadkracht bewijzen en is gehaast om resultaten te tonen. Meestal mislukt dat. Dikwijls zoeken ze een probleem voor hun oplossing.”

U merkt dus niet direct beterschap?

“Het boek is nog te jong om al veel resultaten te zien. Maar hier en daar beweegt wat. Zo ontdekten we in een project in het Indische Rajasthan dat het trainen van politieagenten snel tot betere resultaten leidt. Op basis van onze bevindingen heeft de overheid zwaar geïnvesteerd in een betere politieopleiding.”

In tegenstelling tot de klassieke economie die vanuit beschikbare statistieken vertrekt, organiseert u sociale experimenten. U gelooft niet in een grote ontwikkelingstheorie, maar sleutelt eerder aan heel concrete situaties die elk een andere oplossing vereisen. Komt u zo in conflict met economen van de oude school?

“Niet echt. Er zijn altijd economen geweest die veldwerk deden. Wel pakken armoedespecialisten dikwijls uit met grote theorieën (nvdr: zij verwijst hier onder meer naar Jeffrey Sachs). Die wonderoplossingen bleken in de praktijk lang niet zo miraculeus. Om iets te bereiken moeten we stoppen met arme mensen te karikaturiseren en een poging doen hun leven echt te begrijpen, in al zijn complexiteit en rijkdom. Net zoals wij zijn armen geen heiligen. Zij spenderen soms geld aan nutteloze dingen als drank, tabak en een televisietoestel. Die maken ook hun leven minder saai.”
“Sommige dingen functioneren niet zo goed, zonder dat we daar een concrete reden voor kunnen aanwijzen. Als we dat probleem op het lokale niveau juist kunnen identificeren, kunnen we het meestal ook oplossen, stap voor stap. Dat klinkt niet glorieus, maar het leidt wel tot iets. We moeten accepteren dat er geen knop bestaat om armoede in één klap definitief uit te roeien.”

Bent u een idealist of gewoon heel nieuwsgierig? Waarom doet u dit onderzoek? 

“Ik ken geen ander probleem dat motiverender is. Mijn collega, Nobelprijswinnaar Robert Lucas, vindt dat eens je dit probleem begint te tackelen, het de moeite niet meer loont om nog aan iets anders te denken.”

“Bij mij begon dat al heel jong. Ik was een grote fan van moeder Theresa en ging helemaal op in de ‘We are the World’-beweging (beweging, genoemd naar de gelijknamige single, die midden jaren tachtig de honger de wereld uit wilde helpen en daarvoor miljoenen inzamelde, nvdr). Mijn moeder hielp als kinderarts overal ter wereld oorlogsslachtoffers. In ons linkse, protestantse gezin was het heel normaal dat ik bij de scouts ging. We deelden koeken en koffie uit aan de daklozen van Parijs.”
“Op mijn 18e trok ik naar Madagascar om er een zomer vrijwilligerswerk te doen. Daar gingen mijn ogen open. De ontwikkelingsorganisatie waarvoor ik werkte, zocht praktische oplossingen, zoals de bouw van een opslagplaats voor rijst.”

Multinationale ondernemingen zoals Unilever hebben de armen inmiddels ontdekt als consumenten: ze verkopen nu kleine porties shampoo in plaats van hele flessen. Is dat een goede zaak?

“Natuurlijk, producten zoals zeep en shampoo die vroeger te duur waren voor de allerarmsten, zijn nu vlotter beschikbaar. En dat geldt ook voor andere producten: zo heeft voedingsgigant Danone in Indonesië een bijzonder voedzaam poeder voor kinderen op de markt gebracht. Excellent. En sinds 1983 levert Tata Salt zuiver zout aan Indiase huishoudens, wat bij lokale verdelers niet altijd het geval was.”

“Maar we weten al dat dit niet werkt voor alle producten. De allerarmsten willen, bijvoorbeeld, geen cent besteden aan chloortabletten die besmet water drinkbaar maken. Nochtans sterven er jaarlijks zowat twee miljoen kinderen voor hun vijfde levensjaar aan diarree, grotendeels veroorzaakt door besmet water. Voor honderd dollar aan chloortabletten per huishouden zouden die kinderen in leven blijven. Hier moet de overheid instappen om het ontsmettingsmiddel vlot beschikbaar te maken en te subsidiëren. Wij denken hier aan een pompje naast elke openbare waterpomp.”

Apple geeft toe dat er problemen zijn met de arbeidstoestanden in onder andere de fabrieken van onderaannemers Foxconn en Wintek. Blijkt dat het bedrijf al langer wist dat ongeveer de helft van zijn leveranciers de regels overtrad. Wat denkt u dan?

“Niet alleen elektronicabedrijven, maar ieder bedrijf dat iets laat produceren in de ontwikkelingslanden, wordt met dit probleem geconfronteerd. Hoe slecht de omstandigheden voor deze arbeiders in onze ogen ook zijn, in deze landen mag je dat ‘goede banen’ noemen. Ze kunnen verbeterd worden, maar vandaag zou ik het verdwijnen van die banen een echt verlies noemen.”
“Wij onderzochten de ‘maquilladores’, de fabrieken in Mexico aan de Amerikaanse grens met een affreuze reputatie. Wel, die bezorgen ongeschoolde vrouwen daar een stabiel werk en inkomen. We konden het resultaat meten: hun kinderen werden even groot als een normaal Westers kind, terwijl een gemiddeld Mexicaans kind veel kleiner blijft. Die ‘slechte’ banen zijn voor deze armen een bron van hoop. Dat vooruitzicht op een stabiel inkomen maakt het verschil tussen armen en middenklasse.”

Hoe kunnen er meer van dat soort jobs bijkomen?

“Regeringen kennen dit probleem maar niemand heeft een zinnig antwoord op die vraag. We begrijpen nog steeds niet wat de echte hinderpalen zijn om industrieën uit de grond te stampen in de ontwikkelingslanden. Het krioelt er van de familiebedrijfjes maar die groeien bijna nooit door tot middelgrote, laat staan grote, ondernemingen. Hoe komt dat toch?”

U beschrijft hoe mensen uit het platteland die zich permanent in de stad vestigen, er duidelijk op vooruit gaan. Wat niet geldt voor tijdelijke arbeidsmigranten die telkens terugkeren naar hun dorp. Zijn de steden in de Derde Wereld al niet overvol?

“Zo zien wij dat, maar in feite migreren er nog te weinig mensen naar de steden. Wie in zijn dorp blijft, heeft weinig of niets om handen. In de stad vinden ze een job, consumeren ze meer en hebben ze het beter. Natuurlijk moeten de steden die instroom veel beter opvangen. Daarvoor moet hun infrastructuur verbeteren: betere wegen voorzien, en dito scholen, water, riolen, …

In India heeft 95 procent van de kinderen een school op wandelafstand. Toch blijven ze grotendeels ongeletterd. De redenen zijn bekend: hun leraars geven geen les, de kinderen leren niets bij en hun ouders geven het te snel op. Hoe kan het beter?

“In onze ogen liggen de prioriteiten verkeerd. Iedereen in het schoolsysteem concentreert er zich op de beste leerlingen. Die worden klaargestoomd voor de toelatingsexamens voor de universiteiten. De andere leerlingen worden aan hun lot overgelaten. Ze zijn verstandig genoeg, maar missen steun om te studeren. Die krijgen ze noch op school, noch thuis. Men verkwist talent op grote schaal.”   

U vreest dat de wereldwijde ‘war for talent’ het probleem van onderwijs van slechte kwaliteit nog zal verscherpen?

“Juist, niet zozeer in het lager onderwijs. Maar in het middelbaar onderwijs zijn er verstandige leraars nodig, zeker in snelgroeiende landen. Daar kunnen intelligente jongeren ook kiezen voor informatica- of managementbanen, vaak ook in het buitenland. Die spanning komt nu al in India en in delen van Afrika boven water. Het secundaire onderwijs wordt er duur. Misschien kan onderwijs op afstand een oplossing bieden. Maar voorlopig is die formule onvoldoende getest.”

Esther Duflo en Abhijit V. Banerjee, Arm en kansrijk, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2011, 320 blz., 22,95 euro

Lees ook de verhalen van andere baanbrekers