Made in Belgium, part 2

Het scenario leek twee jaar geleden nog ondenkbaar: een Belgisch bedrijf dat sterk overweegt om de productie uit China terug te halen. In het Waasland denken ze daar intussen enigszins anders over: met alle Chinezen, maar niet meer met ons.

Zeg nooit zomaar haarkapje tegen eender welk haarkapje. En besef dat er flink wat technologie en expertise achter dit onbeduidende stukje textiel schuilgaat, ook al gaan de kapjes, die pakweg in de voedingssector verplichte kost zijn, meestal al na enkele uren gebruik de vuilnisbak in. “Sommige van die kapjes kosten 2 euro per stuk,” legt Geert Smet, managing director van producent Haircap uit. “Andere gaan voor 20 euro per doos van duizend stuks over de toonbank.” Nou ja, spreekwoordelijke toonbank dan. Haircap mag dan al een bescheiden kmo zijn, het bedrijf telt reuzen als Pfizer of Kraft Foods onder zijn klanten.

Wase klei

“Toen mijn moeder het bedrijfje 27 jaar geleden uit de Wase klei stampte, zat de productie aanvankelijk volledig in België. Goed 15 jaar geleden verkasten we die  grotendeels naar China, zodat hier in Kruibeke maar een zestal werknemers meer overbleven,” klinkt het. “Voor de goedkopere producten was het niet langer houdbaar om in eigen land te blijven produceren. Heel wat van die haar- of baardkapjes moeten nog manueel gestikt of genaaid worden, en de arbeidskost liep in België veel te hoog op. Daarom zijn we, in het zog van zovele spelers uit de textielsector, naar de regio rond Shenzhen getrokken, waar we in zee gingen met een lokale producent. De productiekost daar bedroeg toen nog geen 10 procent van die in België. Alle wegwerpkapjes worden vandaag in China gemaakt, enkel de duurdere modellen die wasbaar zijn en dus hergebruikt kunnen worden, produceren we tot vandaag nog hier.”

Anno 2012 oogt het plaatje totaal anders dan medio jaren negentig. “We hebben de voorbije maanden flink wat rekensommetjes gemaakt. Conclusie daarvan is dat de productiekost van onze producten vandaag al 60 procent hoger uitvalt dan toen we 15 jaar geleden naar China trokken. En daarbij zwijg ik dan nog over de stijging van de transportkosten, die een niet onbelangrijke factor zijn in het totale prijskaartje. Een van de voornaamste argumenten om destijds naar China te trekken, geldt vandaag dus in veel mindere mate.”

Toch mag de beslissing om China al dan niet de rug toe te keren niet enkel afgedaan worden als een kostengedreven zet. Geert Smet: “Er is ook de toegenomen vraag naar flexibiliteit bij klanten. Onze producten zijn vanuit China al vlug twee tot drie maanden onderweg, waardoor we fluctuaties in de bestellingen alleen maar kunnen opvangen door zelf meer voorraad op te slaan. Met een breed productgamma zoals het onze is dat niet zo evident, en bovendien hangt daar ook een stevig prijskaartje aan vast. Het wat mij betreft allerbelangrijkste argument is evenwel van technologisch-strategische aard. We werken momenteel, samen met de Gentse universiteit, aan een nieuw, compleet innovatief product. Als we ervoor opteren om dat ook in China te gaan produceren, hebben we één zekerheid: het duurt geen jaar voor we hier en daar goedkope illegale kopieën zullen zien opduiken. Mijn moeder heeft indertijd al onze haarkapjes zelf ontworpen, maar intussen regent het kopieën ervan, ook op de websites van Chinese bedrijven. Ze kopiëren daar letterlijk alles, en voor een bedrijfje als het onze is het onbegonnen werk om daar actie tegen te ondernemen.”

Al die factoren samen hebben Smet en zijn familie aan het denken gezet: “Als we ons innovatieve product dat vandaag in de pijplijn zit bewust uit China weghouden, is dan het moment niet gekomen om de volledige productie daar stop te zetten? Daarom liggen er nu twee opties open: ofwel verhuizen we het Chinese luik van de productie naar pakweg Tunesië of Oost-Europa, ofwel halen we alles volledig terug naar België. Dat laatste lukt enkel als we erin zouden slagen om het productieproces volledig te automatiseren, zodat we de zware loonkost grotendeels kunnen neutraliseren. Maar het zou toch een 10 à 15 banen opleveren. In Tunesië of elders zou het al vlug om een honderdtal nieuwe jobs gaan.”

Automatisering

Of de Chinezen zich nu plots grote zorgen moeten maken om dit fenomeen – ook wel bekend als ‘backshoring’ – lijkt eerder twijfelachtig. Onze rondvraag bij onder meer VBO, Unizo en Agoria leverde welgeteld nul andere bedrijven op die plannen koesteren om hun productie uit China terug te halen. Anderzijds geeft een recente studie van de Boston Consulting Group wel aan dat een derde van alle bevraagde Amerikaanse bedrijven in die richting denkt.

“Persoonlijk ken ik in ieder geval nog meer mensen die naar China willen trekken met hun bedrijf dan omgekeerd,” klinkt het bij Smet. “Wat voor mij nu de doorslag geeft, is de bedenking dat we – als we zwaarder inzetten op automatisering – hier in Europa kunnen produceren tegen een vergelijkbare prijs en tegelijk de voornaamste nadelen van de productie in China wegwerken. Als we dan ook nog voor België opteren, halen we ook de transportkosten van zowel de grondstoffen als van de afgewerkte producten naar beneden. In combinatie met de veel grotere flexibiliteit die we onze klanten dan kunnen bieden, speelt dat zeker een rol. Ik denk niet dat je deze redenering zomaar kan doortrekken naar om het even welk product, maar ik merk wel dat het een verschil maakt als we ‘Made in Belgium’ op een haarkapje kunnen zetten. Zeker als we sterker gaan inzetten op producten uit het hogere gamma. Noem het maar een kwaliteitsgarantie.”