Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

Luc Sels: "We zijn al 15 jaar aan het aanmodderen"

“Het Belgische loonsysteem zit muurvast,” vindt Luc Sels, decaan van de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen aan de KU Leuven. Hij is al 14 jaar de drijvende kracht achter de tweejaarlijkse Salarisenquête, en zijn conclusie bij de resultaten van de jongste editie is even hard als ontnuchterend.

De gemiddelde Belg verdient 3.133 euro bruto per maand. Dat is bijna 130 euro meer dan in 2010, maar die stijging valt volledig toe te schrijven aan de loonindexering. Is het glas voor u dan halfvol, of halfleeg? Met andere woorden: slagen we erin om onze koopkracht op hetzelfde peil te houden, of wordt onze loonhandicap almaar groter?

Sels: “Wat me al jaren opvalt, is dat er relatief weinig grote verschuivingen zitten in de resultaten van de Salarisenquête. Dat heeft alles te maken met het feit dat ons loonsysteem heel vast zit, met een centraal loonakkoord dat behoorlijk sturend is voor wat er op sectoraal niveau gebeurt, en met een loonnorm die de lonen al een decennium binnen de perken houdt. Weinig ruimte voor loonstijgingen impliceert ook dat bedrijven niet al te gek doen met variabele beloningen. In dat hele systeem heeft de index ongetwijfeld een positief effect als ‘gangmaker’ van de binnenlandse consumptie. Werkgevers zullen dat heus niet ontkennen. Daar staat natuurlijk tegenover dat de index nieuwe prijsstijgingen mee aanzwengelt: hogere prijzen resulteren in een indexstijging, waarna ook de lonen worden aangepast. Een vicieuze cirkel. De nettolonen mogen dan wel op peil blijven, de loonkosten blijven de hoogte in gaan. En dat is geen goed nieuws in een open economie die sterk afhankelijk is van de export, zoals de Belgische. Dus ja, ik denk dat we het indexsysteem op een of andere wijze moeten herzien. Voor een goed begrip: daarmee bedoel ik niet noodzakelijk de totale afschaffing ervan.”

Dat debat lijkt wel het BHV van het Belgische economiebeleid: het blijft maar op tafel komen, waarna we meteen in een stellingenoorlog belanden.

Sels: “Dat is nu net wat ik bedoel met “15 jaar aanmodderen”. De meest markante bevinding na al die Salarisenquêtes is dat er, ondanks 15 jaar gezeur en geklaag over loonlasten en loonpolitiek, amper iets veranderd is. Niet in hoe we betalen, niet in wat we betalen, niet in het indexeringsysteem en al evenmin in de loonkosten voor bedrijven. Toen ik in 1998 met deze enquête startte, kwam de discussie over structurele loonmatiging voor het eerst echt op tafel. Sindsdien hebben we de mond vol over noodzakelijke, structurele hervormingen, maar daar is het bij gebleven.”

Geeft dat aan dat het loonsysteem in België een aantal voordelen en verdiensten heeft waaraan niemand echt wil tornen?

Sels: “De grootste verdienste van ons systeem is ongetwijfeld dat het de nodige stabiliteit brengt in ons consumptiepatroon. Morrelen aan lonen schept onzekerheid bij de mensen, en dat hebben we niet gedaan. Die medaille heeft evenwel niet één, maar twee grote keerzijden: de heel sterke anciënniteitkoppeling zorgt ervoor dat de leeftijdsgebonden loonkloof in sommige sectoren een stuk hoger ligt dan in andere landen. Zeker in tijden van vergrijzing is dat geen bemoedigend vooruitzicht. Ten tweede is het bijzonder jammer dat de discussie over variabele beloningen hier nooit echt van de grond gekomen is, met uitzondering van enkele welomlijnde functies, zoals de verkoop. Erger nog: die discussie is heel negatief gekleurd door het debat over de bonussen bij de banken, hoewel het daarbij niet eens gaat om een vorm van prestatiegebonden beloning in de ware betekenis van het woord. Op zich is er niks verkeerd mee dat we blijven zweren bij vaste lonen, maar het zorgt er wel voor dat onze bedrijven in economisch woelige tijden maar één optie hebben: werknemers aan de deur zetten. Als we evenwel een bepaald percentage van de lonen zouden laten afhangen van de winst- of verliescijfers van bedrijven, dan zou hen dat toelaten om de lonen lichtjes aan te passen in tijden van crisis, als alternatief voor naakte ontslagen. Neem nu Zweden, toch niet bepaald het prototype van een asociale maatschappij. Daar heeft men de anciënniteitbeloning bij de ambtenaren meer dan gehalveerd, en er een soort competentiegebonden loonsysteem tegenover geplaatst. Als de Zweedse overheid dat kan, waarom zou ons land de bedrijven dan niet wat meer ruimte kunnen geven om creatiever met lonen om te gaan?”

Een van de meest opvallende bevindingen uit de Salarisenquête: één op de vier ondervraagden is bereid loon in te leveren om dichter bij huis, of thuis, te kunnen werken. Dat lijkt bijzonder veel, vooral omdat slechts één op de vijf bereid is loon in te leveren om zijn job te kunnen behouden.

Sels: “De vraag naar de bereidheid om loon in te leveren om je job te kunnen behouden, komt voor heel wat mensen wellicht vrij hypothetisch over. Zeker als ze niet meteen het gevoel hebben dat hun baan op de tocht staat. Loon inleveren om dichter bij huis te kunnen werken, is veel concreter, omdat veel mensen dagelijks met de mobiliteitsproblematiek geconfronteerd worden. Los daarvan geeft het voor mij wel aan dat Belgische werkgevers al jarenlang heel wat mooie kansen laten liggen. Dichter bij huis werken, bijvoorbeeld, is een thema dat leeft bij werknemers, zonder dat zich een bevredigende oplossing aandient.”

Zoals?

Sels: “Beter openbaar vervoer, of een veralgemeende toelating om mobiel – of thuis – te werken. Dat is niet altijd en overal mogelijk, maar er is zeker nog veel onbenut potentieel. Werkgevers houden maar beter rekening met verzuchtingen over files en aanverwanten, want de wens om dichter bij huis te werken, is een belangrijke motivatie voor werknemers om van job te veranderen.”