"Leraars zijn veroordeeld tot een burn-out, ze staan jarenlang voor dezelfde klas en de kans op promotie is nul."

Is een loopbaan in het onderwijs saai en demotiverend? Het heeft er veel schijn van.
De klassieke bevorderingen in het onderwijs gaan niet verder dan het rijtje technisch adviseur, adjunct-directeur, directeur. “Die vlakke loopbaan houdt echter niet in dat een onderwijzer zijn hele leven voor eenzelfde klas moet staan”, zegt kabinetswoordvoerder Jeroen Janssens. “Niets weerhoudt een directeur in het basisonderwijs ervan om in een zesde leerjaar twee of drie onderwijzers te plaatsen zodat de leerlingen zich kunnen voorbereiden op de veelheid aan leerkrachten in het secundair onderwijs.”

Die zogenaamde functie-en taakdifferentiatie is de voorbije jaren verder uitgebouwd. Onderwijzers kunnen omschakelen naar de functie van zorgcoördinator of ict-coördinator en ook sommige secundaire scholengroepen bieden hun leerkrachten die mogelijkheid. Leraars kunnen het lesgeven ook combineren met coördinatieopdrachten, het leiding geven aan vakwerkgroepen, mentorschap, leerlingenbegeleiding of stagebegeleiding. Een loopbaan in het onderwijs hoeft dus niet saai te zijn.

En toch blijkt burn-out een vaak voorkomend verschijnsel bij leerkrachten. ISWLimits, een spin-off van de KULeuven gespecialiseerd in stressbegeleiding, voerde in opdracht van het gemeenschapsonderwijs een onderzoek uit naar het ‘psychosociale welbevinden’ van de leerkrachten en daaruit bleek dat 9 procent een verhoogd risico vertoont op een burn-out. “Dat cijfer ligt iets hoger dan het gemiddelde, maar is vergelijkbaar met de
burn-outcijfers in de onderwijssector in andere landen en ook bij andere zogenaamde ‘contactberoepen’”, zegt Yasmin Handaja, die het onderzoek heeft geleid.
Erik Vanherck, CLB-medewerker van de afdeling Antwerpen-Noorderkempen legt uit waarom leraars een kwetsbare groep zijn. “Leerkrachten hebben het gevoel dat ze er alleen voor staan. In theorie kunnen ze terugvallen op collega’s en directie, maar echt teamwerk kun je dat niet noemen. Uiteindelijk komt het meestal op de schouders van de individuele leraar terecht.”

Vanherck wijst naar het uitgebreide takenpakket, dat niet alleen de theoretische en pedagogische kennis omvat en een toegenomen pak administratieve taken, maar ook het dagelijkse werk met een klasgroep. “Leraars zijn emotioneel erg betrokken bij hun job. Op een heel andere manier dan wie in een privébedrijf werkt. Ze volgen de jongeren met wie ze werken elke dag en ze hebben geregeld contact met hun ouders. Soms loopt dat goed, soms levert dat frustratie en zelfs agressie op. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat sommigen zich persoonlijk geraakt voelen.”

Wie het gevoel heeft het even niet meer aan te kunnen, zit met een bijkomend probleem. Op school is er zelden iemand aan wie hij zijn verhaal kwijt kan. “Er rust nog altijd een taboe op burn-out,” zegt Vanherck. “Als je naar buiten komt met het probleem, riskeer je dat mensen denken dat je niet bekwaam bent voor de job. En dat terwijl het vaak de meest geëngageerde leerkrachten zijn die het grootste risico lopen.”

Vanherck, die het fenomeen drie jaar geleden aankaartte via het vakblad Klasse en daarna met een reeks vormingen is gestart, zegt dat vooral beginnende leerkrachten erg kwetsbaar zijn. “Vanwege hun grote motivatie voelen ze zich heel erg betrokken. Ze overschrijden hun grenzen zonder dat ze er erg in hebben. Met als gevolg dat ze het onderwijs verlaten.” Hij noemt het ‘een fuikgevoel’. “Vaak weten leraars niet dat ze tegen hun grens aan zitten. Het is dus belangrijk dat ze weten waar die grenzen liggen. Maar er is ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid.  Zowel directie als collega’s moeten durven reageren op signalen van leerkracht die het moeilijk heeft.” Of iemand een aanspreekpunt vindt,  is vandaag nog erg afhankelijk van school tot school. “Sommige directies staan er voor open om oplossingen te zoeken, op andere scholen blijft het een taboe,” zegt Vanherck.

Tekst: Dominique Soenen en Wouter De Broeck