Keramist van de topchefs

Half Nederland drinkt koffie uit door hem ontworpen kopjes. Zijn porselein siert de tafels van toprestaurants als Oud Sluis en Beluga. Zijn kunstwerken hangen in musea van Londen tot Chicago en dit jaar volgt een expositie in China. Met Stockmansblauw is er zelfs een kleur naar hem vernoemd en hij kreeg de Henri van de Velde-prijs voor zijn hele carrière. Artistieke erkenning én commercieel succes, velen zullen het hem benijden. Maar Piet Stockmans blijft er nuchter en bescheiden bij.

Piet(er) Stockmans ontvangt ons in zijn indrukwekkend atelier annex expositieruimte in het C-Minecomplex, op de voormalige mijnsite van Winterslag. Een prille zeventiger met een guitige glimlach, witte haren en ogen zo blauw als de kleur van het porselein dat hem beroemd maakte. De keuze voor dat typische, heldere blauw mag dan vooral een technische kwestie zijn geweest – het is de enige kleur die standhoudt bij ultrahoge temperaturen in de oven – het “Stockmansblauw” is inmiddels het handelsmerk van het atelier geworden.

40 miljoen exemplaren

Stockmans is Limburger, geboren en getogen. Van zijn vader, een schilderende en musicerende onderwijzer, erfde hij het artistieke talent en de liefde voor het lesgeven. Het “koopmansschap”, zoals hij het zelf noemt, heeft hij dan weer van zijn moeder, een telg uit een Nederlandse ondernemersfamilie. Na zijn opleiding beeldhouwen en keramiek in Hasselt trok de jonge Stockmans als stagiair naar een porseleinfabriek in Maastricht, waarna hij zijn kennis verder bijspijkerde in het Duitse Oberfranken, waar alle grote porseleinfabrieken toen zaten. Eenmaal terug, in 1966, ging hij als designer aan de slag voor het Nederlandse Mosa. Hij zou er tot 1989 blijven en honderden ontwerpen realiseren voor het bedrijf, waaronder de iconische Sonja-koffiekop die maar liefst 40 miljoen keer over de toonbank ging en door twee derde van onze noorderburen nog altijd wordt gebruikt.

In 1969 richtte Stockmans samen met een paar collega’s de studierichting industriële vormgeving op aan de Genkse Media & Design Academie. “Bijna dertig jaar lang heb ik daar met plezier gedoceerd. Het contact met jonge mensen hield mij jong. Ik heb nog altijd stagiairs trouwens, uit de hele wereld.”

Emotionele waarde

In 1987 begon hij zijn eigen porseleinstudio, waar hij naast zijn werk voor de industrie op ambachtelijke wijze objecten kon vervaardigen. “Het was nooit mijn bedoeling om van die studio een groot bedrijf te maken, ik vond het vooral handig om medewerkers ter beschikking te hebben. Vergelijk het met schilders à la Tuymans, die mensen hebben die de doeken voor hen opspannen. Ik verkocht aan mensen die binnenliepen. Kwam er niemand langs, dan verkocht ik niets. Dat was uiteraard niet houdbaar, maar ik was te druk bezig met mijn ander werk om me op het commerciële toe te leggen. Ik was te naïef ook. Ik deed God-weet-wat op vraag van Jan en alleman. Pas op, ik laat me nog altijd rollen, maar minder dan vroeger.” (lacht)

“Mijn grote geluk is geweest dat mijn dochter Widukind, een grafisch vormgeefster met noties van marketing, in 1997 bij mij is komen werken.” Wat haar te doen stond, was duidelijk: zorgen voor de continuïteit en de rentabiliteit van de Studio. “Mijn vrije werk zal uiteraard met mij ophouden, maar de studiocollectie moet zonder mij kunnen draaien. Anders is er geen bedrijf meer als ik doodga, zo simpel is dat. Voor de continuïteit wordt gezorgd door nieuwe ontwerpers: Widukind en haar man Frank Claesen, en ook externe ontwerpers. Om de rendabiliteit te verhogen, heeft Widukind de studiocollectie fors uitgebreid met theelichtjes, jeneverglaasjes, tegels, urnen, juwelen, verlichting etc. Ze trok met de producten naar de meubelbeurs van Milaan en haalde meteen grote orders binnen van Donna Karan, B&B Italia en de MOMA-shop.”

Ondertussen telt de Studio acht medewerkers, die gelimiteerde oplages produceren die wereldwijd worden verkocht in de betere designwinkels. Daarnaast heeft Widukind ingezet op maatwerk voor klanten. Exclusieve relatiegeschenken bijvoorbeeld. “Oplages van slechts 50 stuks? Voor ons is dat geen probleem. Wij doen datgene waarin de industrie niet geïnteresseerd is en waar ze niet flexibel genoeg voor is. Maakt de industrie confectie, dan doen wij de maatpakken,” aldus vader Stockmans. “Ons verhaal slaat aan in die branche. Als je een fles champagne geeft,  dan kan iedereen nagaan hoeveel die kost. Geef je een kopje en schotel van Pieter Stockmans, dan staat daar geen prijs op, want je kan hetzelfde nergens anders kopen.”

In de Studio wordt nog steeds op ambachtelijke wijze geproduceerd. “Een stuk gaat gemiddeld 17 keer door mensenhanden. Toch zijn wij amper duurder dan de  grote porseleinfabrieken. Hoe dat kan? Simpel, als je via de reguliere kanalen verkoopt, dan wordt 1 euro 8 euro. Bij ons wordt 1 euro 2 euro, omdat er niemand tussenzit.” En dan nog zijn mensen niet consequent in wat ze als duur ervaren, vindt Stockmans. “Als je een bord van 100 euro 3 keer per dag gebruikt gedurende 25 jaar – een veronderstelling die steek houdt, want na 25 jaar huwelijk hebben de meeste mensen nog het gros van  hun trouwservies – dan kost je dat per gebruik 0, 01 eurocent, terwijl je schoenen wel 1 euro kosten per keer dat je ze draagt. Porselein is dus de best mogelijke investering. Bovendien heeft het emotionele waarde en kan je het aan je kinderen doorgeven. Wat je niet kunt zeggen van een paar schoenen, een kostuum of een auto.”

Sterrenchefs

Een deel van zijn commerciële succes heeft Stockmans te danken aan de Franse sterrenchef Alain Ducasse. “Hij ontdekte mijn werk in een galerij in New York in 2006, en hij was meteen zot van dat blauw, dat hem deed denken aan zijn geliefde Mediterannée. Hij bestelde 3.600 stuks en serveert sindsdien de nagerechten in zijn Monegaskische driesterrenrestaurant Le Louis Quinze op mijn serviesgoed.” Van het één kwam het ander. “De Vlaamse topkoks gaan allemaal eten bij Ducasse. “Tiens, dat serviesgoed is van bij ons,” zagen ze. Jarenlang hadden wij vruchteloos geprobeerd om Sergio Herman van Oud Sluis net over de Nederlandse grens te pakken te krijgen, ineens kwam hij zelf naar hier. Hij gebruikt alleen nog ons porselein in Oud Sluis.” Ook de chefs van het Hof van Cleve, Beluga en De Karmeliet vielen ondertussen voor het Stockmansblauw. “Het is een niche waarin we blijven groeien. Met dank aan de kook- en restauranthype, uiteraard. Bovendien is er een goede match tussen ons en die chefs. Omdat wij hen gepersonaliseerde producten kunnen aanbieden in beperkte oplages, en omdat de kwaliteit van ons porselein veel beter is dan wat uit China komt.  En het feit dat het hier is gemaakt, past perfect in het verhaal van die topkoks, die zweren bij lokale producten.”
Het was ook Ducasse die ervoor zorgde dat de gasten op de bruiloft van prins Albert van Monaco vorige zomer hun hoofdgerecht op porselein van Stockmans opgediend kregen. Binnenkort komt de Franse kookpaus in hoogsteigen persoon naar het Stockmans-atelier, waar hij voor een select gezelschap zijn kookkunsten zal bovenhalen. Zoals Sergio Herman eerder al deed. Het is allemaal geweldige publiciteit voor de Studio, die verder ook omzet haalt uit opendeurdagen, evenementen, workshops voor kinderen, etc. “Als we creatief willen blijven, dan moet er voldoende cash binnenkomen,” stelt Stockmans. En dus denkt Widukind zelfs aan de uitbreiding van het gamma met producten die niet van porselein zijn gemaakt. Een Pieter Stockmans-kookschort bijvoorbeeld, of pralines. De vraag is hoever je daarin kan gaan zonder de exclusiviteit van je merk in gevaar te brengen, maar vader Piet is gerust in dat zijn dochter het evenwicht zal weten te bewaren.

Brusselse metro

Naast zijn onderwijsopdracht en zijn voltijdse job als ontwerper heeft Stockmans altijd vrij werk gemaakt, meestal grootschalige installaties in porselein waarvan het repetitieve karakter opvalt. Ze worden wereldwijd geapprecieerd en tentoongesteld. In 1992 kreeg een van zijn werken een plaats in het Brusselse metrostation Georges Henri. “De eerste en enige Limburger in de Brusselse metro,” glundert hij. Zijn vrij werk signeert hij altijd met Piet Stockmans, terwijl de firma Pieter Stockmans heet. Een heel bewust onderscheid. “Pieter Stockmans is het merk waarover mijn dochter waakt.” Of zijn vrije werk kunst is? “Het wordt vaak in die categorie ondergebracht, en ik word kunstenaar genoemd. Maar ik relativeer dat allemaal nogal en noem mezelf eerder een ambachtsman. Wij vergeten trouwens dat er nooit kunst om de kunst is geweest. Wilde je een portret, vóór de fotografie bestond, dan moest je de schilder laten komen. Die portretten mogen nu voor grote kunst doorgaan, toen waren ze in de eerste plaats functioneel. En wie had ooit gedacht toen de fotografie opkwam dat die ooit als kunst zou worden gezien? Het zijn de musea die de opdeling hebben gemaakt tussen het artistieke en het functionele, tussen kunst en design. Terwijl ze dan zelf weer zondigen tegen hun eigen principes, met een expo over Jugendstil bijvoorbeeld, waar ze dan kandelaars, zilverwerk en stoelen tentoon stellen. Of ze exposeren het werk van modeontwerpers. Als ik in mijn werk onderscheid maak, dan is dat niet omdat het één kunst is en het andere niet, maar wel omdat het eisenpakket verschillend is. Een kopje, daar moet koffie in kunnen en dat moet passen op een schaaltje, eisen die niet worden gesteld aan een wand- of vloerinstallatie.”

Ook familie is een voltijdse job

“Vroeger raakte je met dit businessmodel niet buiten je dorp, dankzij het internet verkopen we aan om het even wie, waar ook. De hele wereld komt trouwens eten bij Oud Sluis en Beluga. Wat ze daar gebruiken, is letterlijk mond-tot-mondreclame voor ons. Waar je zit, speelt weinig rol. ‘Near Brussels’, in ons geval (lacht).” Limburg verlaten, daar heeft hij nooit aan gedacht. “Ik gaf les hier in Genk en ik werkte in Maastricht, ik moest wel in de buurt blijven. Trouwens, in het Brusselse had ik nooit zo’n groot pand kunnen betalen. Ik hoef geen vakantiehuis in Frankrijk, geen appartement met zicht op zee. Iedere dag opnieuw vertoeven in deze schitterende ruimte, dat is de luxe die ik voor mezelf heb verdiend. Want als je mijn leven een succesverhaal wilt noemen, dan is dat dankzij mijn handen en mijn doorzettingsvermogen. Altijd maar bijleren en zo weinig mogelijk ‘morsen’ met mijn tijd, dat was mijn recept. Nu ben ik gepensioneerd,” lacht Stockmans, “maar ik ben nog altijd dag en nacht bezig. Zolang ik leef, werk ik verder. Ik doe het graag, en bovendien heb ik de luxe dat ik voor de fysiek zware taken zoals het gieten een beroep kan doen op mijn medewerkers.”

En dan wordt de praatgrage kunstenaar opgevorderd door zijn dochter. Het is woensdagmiddag en opa moet de kleinkinderen gaan halen. Want Stockmans is ook een familieman. “Een vrouw, twee kinderen en enkele kleinkinderen, dat is nog eens een fulltime job, die ik zelfs vergat te vermelden.” (lacht)