Jan, accountmanager bij bouwbedrijf, neemt anderhalf jaar antidepressiva, is sinds 1 maand in ziekteverlof

“Je ziet er eigenlijk niet depressief uit”, zeg ik tegen Jan (schuilnaam) na een emotionele rollercoaster van een uur. Hij is atletisch, goed verzorgd. Enkel de diepe wallen onder zijn ogen verraden enigszins dat er een emotioneel en lichamelijk wrak tegenover mij zit. Jan: “De voorbije jaren ben ik een meester geworden in het verbergen van mijn echte emoties, maar op een moment, barst de bom, valt het masker af.”

Jan (38) is nu een maand in ziekteverlof. “Ik werkte in een hyperconcurrentiële omgeving waar elke week targets moesten gehaald worden. Ik hield van die competitie, zolang het niet man tegen man gespeeld werd. De verkoopcijfers werden wekelijks getoond in grafieken. Eén staafdiagram per verkoper.”
Vooral de ‘kantoorpolitiek’, zoals hij het zelf omschrijft, putte hem sluipenderwijs uit. “De voorbije crises zetten ons enorm onder druk.‘ Je moet meer prospecteren.’ ‘Je collega’s halen meer klanten binnen.’ Ik werd ziek van die kuiperijen. Zo’n management ondermijnt de werksfeer, zet collega’s tegen elkaar op. Ik had een goeie langetermijnrelatie met mijn klanten, maar ben niet de ‘hard seller’, dring niet aan als ik voel dat de klant liever nog wat wacht.”
“Ik sliep op den duur nog nauwelijks, kon me niet meer concentreren op het werk en had vaak zin om een potje te wenen, maar bedwong mijn tranen. Slechts één collega wist hoe ik me voelde. Stel je voor, de immer joviale Jan die het niet meer aankan, mijn fierheid deed me verder ploeteren.”

“Door antidepressiva (Cipramil en Sipralexa, sdk) te slikken, hoopte ik aan de rat race te kunnen blijven deelnemen. Eerlijk, ik wou ook m’n sociale status niet opgeven: job met aanzien, hippe bedrijfswagen, … Ik kreeg de medicijnen snel van mijn huisdokter, al raadde hij me wel aan om naar een psychiater of psychotherapeut te gaan en eventueel van job te veranderen.”
 
“Op een dag reed ik al wenend naar huis. Ik belde mijn vrouw op en zei: “Ik zie het niet meer zitten, ik rij me te pletter tegen een boom.” M’n vrouw zei heel rustig: “Jan, kom naar huis, voor je kinderen en voor mij. We zullen je nooit in de steek laten.” Die woorden sneden door mijn ziel, ze hebben me gered. Ik ben die dag gestopt met werken, en zit nu reeds een maand thuis. Even heb ik zelfs  getwijfeld om me te laten opnemen in een psychiatrische kliniek – de belasting voor mijn gezin is enorm zwaar. Ik ga wel bij een psychiater. Ik durf zelfs al weer ‘plannen’ maken: een ritje naar de bakker, een wandeling met de kinderen ... Ik ben nog steeds heel moe, slaap vaak een gat in de dag. Nooit had ik gedacht dat ik aan een zware depressie ten prooi zou vallen. Het woord ‘depressief’ is zwaarbeladen. Met oudejaar werd er met geen woord over gerept op het familiefeest, op een of andere manier hoor je er niet meer bij in onze maatschappij: met een depressie, maar zonder carrière. Ik keer niet meer terug als account manager. Ik wil geen job meer waarbij ik in grafieken gegoten word. Ik ben ook van plan om zo vlug mogelijk te stoppen met het slikken van antidepressiva, al hebben ze me wel geholpen. Ik besef dat ik vooral mijn levensstijl moet aanpassen. Deze depressie ruïneerde misschien mijn carrière, maar ik leef nog. Dankzij de onvoorwaardelijke liefde van mijn vrouw en kinderen, schrijf dat maar op.”

<< Terug naar het coververhaal