Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

Innovatie in Vlaanderen: te weinig, te versnipperd, te ondoordacht

Veel geblaat, (te) weinig wol: het verhaal van het Vlaamse innovatiebeleid van de voorbije jaren is er vooral één van gemiste kansen. Hoog tijd om het geweer van schouder te veranderen, zo beseft ook kersvers minister van Innovatie Ingrid Lieten (SP.A).

Laat ons dit verhaal beginnen met een kleine quizvraag: wat is de rode draad die volgende organisaties/belangenverenigingen/netwerken/agentschappen – schrappen wat niet past – met elkaar verbindt? Flanders DC, Vlaams Innovatiefonds, Instituut voor Wetenschap door Technologie (IWT), IMEC, Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie, Vlaanderen in Actie, Provinciale Innovatiecentra, Agentschap voor Ondernemen, de Herculesstichting. En dan vergeten we er nog een handvol. U raadt het al: innovatie, juist. Het aantal instellingen dat zich in Vlaanderen met innovatie bezighoudt is zonder meer recht evenredig met het aantal bladzijden dat de Vlaamse kranten en weekbladen de voorbije weken vol penden over dit onderwerp. Vriend en vijand zijn het er roerend over eens: wil Vlaanderen binnen enkele jaren op economisch vlak nog een rol van betekenis spelen dan moet er fors geïnvesteerd worden in onderzoek en ontwikkeling, innovatie in de meest brede zin van het woord zeg maar. Dat besef is niet nieuw, maar de economische crisis en de recente sluiting of inkrimping van een aantal grote productiesites in Vlaanderen hebben innovatie plots weer helemaal bovenaan de politieke agenda geplaatst.
Een eerste kanttekening daarbij: er gaapt nog altijd – en dit al jarenlang – een brede kloof tussen woord en daad. Al begin 2004 lijstte de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) 11 belangrijke kernindicatoren op voor de kwantitatieve evaluatie en opvolging van het Innovatiepact, dat een jaar eerder door de Vlaamse regering werd afgesloten. In een uitvoerig advies bij de begroting 2009 maakt diezelfde Raad in diplomatieke bewoordingen brandhout van het beleid van de voorbije vijf jaren. “Voor 2009 komt de totale begroting voor wetenschap en innovatie, beheerd door minister Patricia Ceysens, uit op een bedrag van ongeveer 910,5 miljoen euro. Een stijging met 10 miljoen euro of met 1,1% t.o.v. 2008. In 2008 bedroeg de structurele netto-toename nog 75 miljoen euro. Over de volledige regeerperiode 2004-2009 zijn de structurele middelen voor wetenschap en innovatie gestegen met 262 miljoen euro, of gemiddeld 52,4 miljoen euro per jaar.” Dat klinkt eerder positief, maar schijn bedriegt. Want wat lezen we twee paragrafen verder? “Deze inspanningen zijn evenwel ruim onvoldoende gebleken om de 1%-norm te halen in 2010, wat toch het uiteindelijke doel was dat vooropgesteld werd in het Innovatiepact. Het is zelfs zo dat de overheidskredieten voor O&O uitgedrukt in functie van het bruto binnenlands product op het einde van de legislatuur iets lager liggen dan bij de start: 0,71% in 2009 tegenover 0,73% in 2004. Kijken we naar de jaarlijkse evolutie in de periode 2004-2009, dan kunnen we spreken van een stagnatie van de overheidskredieten voor O&O als percentage van het Vlaamse BBP. De extra inspanningen op vlak van O&O hielden maar net gelijke tred met de economische groei.”

Bovendien merkt de VRWB op dat een groot deel van de bijkomende middelen voor wetenschap en innovatie in de periode 2004-2009 een eenmalig karakter hadden, en niet structureel verworven zijn. Met andere woorden: de structurele inspanningen die de volgende jaren nodig zijn, worden er enkel maar groter op. Minstens even pijnlijk is de vaststelling dat we ook op internationaal vlak nog altijd ronduit zwak uit de verf komen. In 2007 ging amper 0,63 procent van alle openbare uitgaven naar O&O. Daarmee bevonden we ons nog altijd in de staart van het peloton, onder het EU-gemiddelde (0,65%) en ver beneden koplopers  Finland en Zweden (respectievelijk 0,96 en 0,98 %). En het kan nog erger, want uit de meest recente cijfers blijkt dat we in 2009 internationaal gezien zelfs slechter scoorden dan in 2000.

Versnippering alom

Cijfers zeggen uiteraard niet alles, maar jammer genoeg haalde het Vlaamse innovatiebeleid in kwantitatieve evaluaties al evenmin een voldoende. In een studie besteld door het Vlaams Parlement concludeerde de Antwerpse onderzoekster Lieve Goorden (UA) vier jaar terug al dat er nood was aan meer visie en duidelijke maatschappelijke behoeften. Zij formuleerde toen ook een zestal knelpunten waar het innovatiebeleid in Vlaanderen zich op vastreed. Vlaanderen is internationaal te klein, en moet dus keuzes maken. Daarnaast is het beleid te weinig inhoudelijk en denken overheden te veel in termen van één legislatuur. Op de koop toe zouden de belangrijkste actoren, zoals Agoria en de Vlaamse raad voor wetenschapsbeleid, ook te veel oog hebben voor puur economische en technologische trends en te weinig wakker liggen van maatschappelijke ontwikkelingen en behoeften. En alsof dat alles nog niet volstond, hekelde ze ook de te grote versnippering in het innovatielandschap. In 2007 lichtte een groep experts onder leiding van Luc Soete – in Maastricht aan de slag voor het VN-instituut voor innovatie - het Vlaamse innovatiebeleid door. Hun bevindingen waren zo mogelijk nog scherper. “Dit beleid is uitermate complex. Alleen een insider of een subsidioloog kan zijn weg vinden in die doolhof. Er zijn veel te veel instituten en het huidige beleid beschermt te veel de zittende industriële spelers. Men mikt te weinig op kmo’s die zich op de nieuwe dienstverlening en toeleveringseconomie richten, en die mits de nodige steun nochtans wel zouden kunnen uitgroeien tot wereldspelers in hun niche.” Als uitsmijter omschrijft die groep van experts het hele innovatiebeleid zelfs als ‘provincialistisch’.

Dat was even slikken voor toenmalig Vlaams minister voor Innovatie Patricia Ceysens (Open VLD), maar zij beloofde prompt beterschap. Helaas valt daar tot vandaag bitter weinig van te merken. Enkele uurtjes eenvoudige research leren ons dat er vandaag in Vlaanderen minstens 12 (?) instellingen, organisaties en organen bestaan die zich met innovatie bezig houden. Het merendeel daarvan op initiatief en met financiële steun van de Vlaamse overheid. “Men heeft de laatste jaren vooral ingezet op research, waarbij bijvoorbeeld een aantal belangrijke innovatieclusters werden geformuleerd”, stelt professor Lieve Goorden, auteur van het eerste kritische rapport. “Nu, als ik die zes clusters bekijk dan kan ik enkel concluderen dat die zowat alle relevante onderzoeksdomeinen omvatten, van onderzoek naar nieuwe materialen over biogeneeskunde tot nanotechnologie. Daar kan men dus opnieuw heel veel kanten mee uit, en ik heb de indruk dat men vooral op veilig wilde spelen, zonder een echte selectie te willen maken. Dat is ook niet zo vreemd, als je er de samenstelling van de commissies die de clusters moesten vastleggen even op naslaat: zowat alle betrokken partijen waren daarin vertegenwoordigd. Van universiteiten en onderzoeksinstellingen tot grote bedrijven die vragende partij zijn voor onderzoekssubsidies. Zij hebben uiteraard geen belang bij een te strenge selectie van onderzoeksdomeinen, omdat ze dan zelf uit de boot dreigen te vallen.”

Maatschappelijke relevantie

“Daarnaast, en minstens even essentieel, mis ik ook de maatschappelijke uitdagingen waar nieuwe technologieën een antwoord op zouden kunnen bieden. Ik hoop – en heb ook de indruk – dat Ingrid Lieten, de nieuwe minister van Innovatie, toch meer aandacht zal hebben voor die maatschappelijke noden. Binnen het kader van ‘Vlaanderen in Actie’ circuleert er nu bijvoorbeeld een voorstel waarin universiteiten die geld krijgen voor echt basisonderzoek ook de maatschappelijke relevantie daarvan zullen moeten aantonen. Waarbij dus niet langer alleen de zogenaamde ‘wetenschappelijke excellentie’ een beslissend criterium zou zijn om overheidssubsidies te ontvangen. Dat zou echt een trendbreuk zijn, maar het blijft natuurlijk afwachten in hoeverre ook alle betrokken actoren daarin willen meegaan. Want hoe je het draait of keert, in heel dit innovatiedebat spelen heel grote belangen. Het zou zeker een stap voorwaarts zijn, mochten bepaalde maatschappelijke belangengroepen, denk maar aan patiëntenorganisaties, milieugroepen of consumentenverenigingen, kunnen meedenken over de prioriteiten op vlak van innovatie. Het kan niet meer de bedoeling zijn eerst een technologie te ontwikkelen en dan te kijken of daar eventueel ook relevante toepassingen voor bestaan. We moeten nu dringend op zoek naar een meer vraaggericht model.”  
Ook bij Flanders DC, een instelling opgericht en gefinancierd door de Vlaamse regering om de ondernemingscreativiteit te bevorderen, klinken kritische geluiden. “We moeten durven erkennen dat het voor Vlaamse bedrijven, en dan zeker kmo’s, niet altijd even eenvoudig is om de weg te vinden in het huidige innovatielandschap. Hoewel de ondernemersloketten en innovatiecentra goed werk leveren, zijn ze niet altijd even gekend”, stelt woordvoerder Koen Peeters. “Bovendien is technologie alleen zeker niet zaligmakend. We hebben evenzeer nood aan marktgedreven ondernemers, die oog hebben voor grote maatschappelijke uitdagingen en het potentieel dat ze bieden. Wanneer we het Vlaamse innovatiebudget naast dat van sommige andere regio’s leggen, lijkt het me overigens ook erg optimistisch te verwachten dat de grote innovatiegolf de komende jaren uit Vlaanderen zal komen.”

Kabinet Vlaams minister voor Innovatie Lieten reageert: “Het moet anders, beter en optimaler”

Marie Claire Van de Velde, als adjunct-kabinetschef van minister Lieten bevoegd voor innovatie en wetenschappelijk onderzoek, erkent dat er in het verleden wellicht een aantal verkeerde beleidskeuzes zijn gemaakt. “Maar ik vind het veel belangrijker om alle neuzen nu in de juiste richting te krijgen en iedereen constructief te laten meedenken over een efficiënt economisch transitiebeleid”, klinkt het. “En daarbij moeten we inderdaad uitgaan van de grote maatschappelijke uitdagingen. Het innovatiebeleid zal voortaan breder gedragen worden, door veel meer maatschappelijke actoren. En ja, misschien moeten we daarbij onze innovatie-instrumenten ook wel beter stroomlijnen, of sommige bestaande initiatieven bundelen. Het huidige aanbod is voor buitenstaanders nogal ondoorzichtig, maar ik ben er wel van overtuigd dat al die initiatieven ooit hun waarde gehad hebben. Het lijkt me belangrijker om nu de noodzakelijke inhoudelijke koerswijzigingen door te voeren, met innovatie als een instrument naar economische transitie, dan een aantal spelers meteen al even flink voor het hoofd te stoten. Daarom hebben we een aantal regiegroepen samengesteld, met daarin een hele rist maatschappelijke actoren. Zij zullen bepalen op welke maatschappelijke uitdagingen het Vlaamse innovatiebeleid zich voortaan moet focussen, in samenspraak met de nieuwe Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie.”

In 2010 trekt de Vlaamse regering 1,1 miljard euro uit voor innovatie. “Dat is inderdaad iets minder dan vorig jaar, maar we willen vooral snijden in de budgetten die naar de instrumenten en de werkingsmiddelen van bepaalde instellingen gaan, zoals het IWT. Daar moet iedereen een beetje de broeksriem aantrekken. De echte projecten blijven dus buiten schot.” Minister Lieten zelf bevestigt dat ze tegen 2014 absoluut de
3 %-norm wil halen (volgens de Lissabon-doelstellingen zou elke Europese lidstaat al in 2010 drie procent van het bnp aan innovatie moeten besteden, nvdr). “Daarvoor zullen we zowat 1,2 miljard euro extra nodig hebben. Innovatie moet voor mij absoluut bijdragen tot de vergroening van de economie, maar ook de maatschappelijke meerwaarde is cruciaal. Het gaat niet enkel om nieuwe producten of diensten, maar ook om oplossingen doe het leven aangenamer maken.”

Tekst Filip Michiels

Gepubliceerd in het Vacature Magazine van 13 februari 2010