Haytham Manna, arts en luis in de pels van het Syrische regime

Hij omschrijft zichzelf als een ‘fatalistische lekendemocraat’. Geen wonder dus dat de Syrische mensenrechtenactivist en opposant Haytham Manna (60) een veelbelovende carrière als arts vaarwel zei, en vanuit Parijs al jarenlang Arabische regimes het vuur aan de schenen legt.

Plaats van dit interview: een hotel bij de luchthaven. Tussen een ontmoeting met Europese leiders, een vijftal telefoontjes afwisselend in het Frans en het Arabisch, een interview met de Koerdische televisie en een vlucht naar Genève in. Of dit bestaan geen al te zware tol eist? “Ik leef tegenwoordig in het vliegtuig en zie mijn enige dochter, die net als ik in Parijs woont, nog amper.” En dan, laconiek: “Maar goed, als ik dood ben, heb ik alle vrije tijd van de wereld.”

Manna studeerde geneeskunde in Damascus, en specialiseerde zich vervolgens verder in Parijs. Later behaalde hij daar ook nog diploma’s in de antropologie en het internationale recht. “Ik heb in Parijs 21 jaar als arts gewerkt, maar haast altijd ’s nachts, als dokter van wacht. Overdag had ik wel belangrijker zaken aan mijn hoofd. Ik woon er in een klein sociaal appartementje, heel veel geld had ik dus niet nodig.” De laatste maanden vliegt hij de wereld rond als adjunct-voorzitter van het ‘Comité National de Coordination pour le Changement Démocratique”, een van de belangrijkste Syrische oppositiegroepen. “Om te lobbyen en internationale steun te werven. Ik zie geen andere uitweg,” stelt hij. “We kunnen alleen maar proberen het regime in Damascus nationaal en internationaal te isoleren, en hen zo dwingen de macht af te staan.”

Uw cv oogt even lang als atypisch. U bent arts met verschillende specialisaties, maar opmerkelijk genoeg valt daarvan in uw carrière amper een spoor te bekennen?

Haytham Manna: “Het liep eigenlijk al fout van in mijn prille jeugd (glimlacht). Ik groeide op in de stad Daraa, in wat ik nog best kan omschrijven als een ‘militant gezin’. “We schreven jaren vijftig, en mijn moeder was actief in een club die ijverde voor meer vrouwenrechten in Syrië. Mijn vader, die advocaat was, hield zich ver van alle godsdiensten en kwam openlijk uit voor zijn linkse gedachtegoed. Zo kon het dus gebeuren dat ik als 5-jarige uk al de straat op trok om geld in te zamelen voor de Algerijnse revolutie. Wat later streed ik ook voor de Palestijnse zaak. Dat engagement brak ons gezin ook al snel zuur op: de toenmalige president Assad – vader van de huidige dictator – gooide mijn vader voor in totaal 18 jaren achter de tralies. Ikzelf trok op de universiteit op met socialisten en communisten, waarbij we vooral ijverden voor de democratisering van het hoger onderwijs in mijn geboorteland. Ik probeerde er ook een soort grote linkse partij uit de grond te stampen om zo het verzet tegen Assad te bundelen, maar dat is me nooit echt gelukt. Heel populair maakte ik me daarmee niet bij het regime, en uiteindelijk ben ik op mijn 27ste het land ontvlucht, richting Parijs. Mijn artsendiploma liet me daar toe om financieel het hoofd boven water te houden.”

U was in uw geboorteland Syrië actief in het politieke verzet tegen het regime van toenmalig president Assad, maar heeft in Parijs uiteindelijk naam en carrière gemaakt als Arabisch mensenrechtenactivist. Vanwaar die ommezwaai?

“Toen ik in Damascus het politieke verzet tegen het regime probeerde te organiseren en op één lijn te krijgen, besefte ik al vlug dat het opzetten van een democratisch gelegitimeerde oppositie in de clandestiniteit bijzonder lastig, zoniet onmogelijk, is.  Je kan niet tegelijk in de schaduw opereren – de repressie vanuit het regime dwingt je daar immers toe - en tegelijk een democratisch georganiseerde oppositiestructuur opbouwen. In Parijs heb ik besloten het geweer enigszins van schouder te veranderen, en me in te zetten voor de politieke gevangenen, in Syrië maar ook in andere Arabische landen. We hebben jarenlang intensief campagne gevoerd voor de vrijlating van zowat 18.000 politieke gevangenen in Syrië. Op enkele duizenden na is dat ons ook gelukt. In die zin bleek die strijd voor de mensenrechten een stuk meer bevredigend, het resultaat was doorgaans heel tastbaar.”

In zowat alle Arabische landen waren er tot voor kort – vaak al decennialang – dictatoriale regimes aan de macht. Waarom duurde het zo lang alvorens de bevolking hier en daar in opstand kwam?

“Wat betekent een periode van veertig of vijftig jaar in de geschiedenis? Wat betekent het dat de Arabische lente na de Praagse lente nog vier decennia op zich liet wachten, als men daar over tweehonderd jaar op zal terugblikken? Weinig of niets, het is maar een fractie van tijd in de geschiedenis. De huidige opstand in Syrië is overigens ook niet zomaar uit de lucht komen vallen, zoals nogal wat mensen in Europa lijken te denken. In mijn land werden de voorbije decennia al tal van beginnende opstanden gewelddadig in de kiem gesmoord, met tienduizenden doden als gevolg, voornamelijk onder vader Assad.”

U was in Parijs jarenlang aan de slag voor Amnesty International en tal van andere mensenrechtenorganisaties, maar besloot uiteindelijk zelf de Arabische Commissie voor de Mensenrechten op te richten. Wat was er mis met Amnesty International?

“Eens in Parijs aanbeland, heb ik jarenlang voor Amnesty gewerkt. Daarna ben ik onder meer ook aan de slag gegaan bij de ‘Fédération Internationale des Droits de l’Homme’, waarvan ik ook vicepresident was. Na de val van de Berlijnse muur begon ik me, samen met een aantal Arabische vrienden, hardop af te vragen waarom er in de Arabische wereld weinig of niets bewoog. Dat bracht ons op het idee om een mensenrechtenorganisatie op te starten die specifiek op de Arabische wereld focuste. En die veel breder werkte dan Amnesty: natuurlijk streden wij ook tegen foltering, doodstraf of arbitraire gevangenschap, maar wij maakten ook een strijdpunt van andere, heel concrete aandachtspunten: het recht op arbeid, het recht op deftige gezondheidszorg, noem maar op. We werkten vanuit een brede socio-economische invalshoek, in de hoop zo lobbygroepen te laten ontstaan die de druk op dictatoriale regimes vanuit verschillende hoeken konden opvoeren.”

Is dat ook gelukt?

“We hebben duizenden gevangenen bevrijd, ruim tachtig boeken gepubliceerd. Bovendien komen heel wat van de mensen die de voorbije maanden een sleutelrol speelden in de revoluties en de opbouw van de civiele maatschappij in landen zoals Tunesië of Egypte uit onze Commissie. Om je maar een voorbeeld te geven: in 2000 al gaven wij het boek ‘La Tunésie de demain’ uit. Wie was een van de mede-auteurs? Een zekere Moncef Marzouki, arts en mensenrechtenactivist die sinds kort de nieuwe president van Tunesië is. Dus ja, wij hebben wel degelijk een impact gehad en hier en daar de zaadjes uitgestrooid voor de revoluties van de voorbije maanden.”

U bent intussen zestig en heeft een groot deel van uw leven opgeofferd voor de ‘goede zaak’: was het dit allemaal wel waard?

“Ik vind van wel, maar zoiets is uiteraard een heel persoonlijke afweging. Ik, en met mij vele anderen, weten wat het is om onder een dictatoriaal regime te moeten leven. Als ik persoonlijke offers gebracht hebben dan is dat vanuit de overtuiging dat anderen na ons dit soort tragedies niet meer zouden moeten meemaken. Natuurlijk heb ik me dat soort vragen zelf ook al gesteld. Toen ik enkele jaren terug een niet ongevaarlijke onderzoeksmissie in Gaza moest leiden, heb ik aan mijn dochter gevraagd of het wel de moeite waard was hiervoor mijn leven op het spel te zetten. Ze heeft me toen geantwoord dat de kinderen daar mij meer nodig hadden dan zijzelf. Daarvoor doe ik het dus.”

Wanneer bent u voor het laatst in Syrië geweest?

“In 2003 ben ik er na 25 jaar voor het eerst teruggekeerd. Ik had mijn vader toen dertig jaar niet meer gezien, en een versoepeling in het beleid liet me toen toe om terug te keren. Omdat mijn bewegingen constant gevolgd werden en het reizen me sterk bemoeilijkt werd, heb ik na een tijdje besloten om terug te keren naar Parijs. Vandaag kan ik Syrië uiteraard niet meer in, maar geloof me: dit regime houdt geen tien jaar meer stand. Ik geloof nochtans niet in een buitenlandse interventie. Natuurlijk vallen er nu dagelijks tientallen slachtoffers, maar wat zou er gebeuren mocht het Westen militair tussenbeide komen? Hoe hoog zou het dodental dan oplopen, zeker in een land waar je met tientallen etnische groepen af te rekenen hebt? In theorie zijn vandaag in Syrië zowat alle voorwaarden voor een burgeroorlog vervuld. Elke buitenlandse inmenging, of die nu vanuit de Golfstaten of vanuit het Westen komt, zou het risico op een burgeroorlog dramatisch doen toenemen.”

Als Arabier in het Westen heeft u ongetwijfeld ook vaak moeten opboksen tegen vooroordelen en een verkeerde beeldvorming over de Arabische wereld?

“De meeste Arabische landen verkeren vandaag in een overgangsfase. Wij zijn niet het grote islamitische blok waarvoor jullie ons in het Westen houden. De meeste Arabische landen zijn multi-etnisch en multicultureel, maar de steile opgang van het islamisme verkleurt en vertekent vandaag de perceptie. Jullie beseffen te weinig dat het radicale islamisme later niet meer zal blijken te zijn dan een voetnoot in onze geschiedenis, eerder ingegeven vanuit reactionaire overwegingen en verzet tegen de jarenlange en geïnstitutionaliseerde politieke en sociale onderdrukking dan door religieuze motieven. Toen ik eind jaren zestig geneeskunde ging studeren in Damascus, liep er op de faculteit welgeteld één gesluierde vrouw rond. Vandaag moet je al moeite doen om er tien te vinden die niet gesluierd zijn. Het zogenaamde lekenregime heeft een tegenbeweging op gang gebracht, waarbij de bevolking zich laat meeslepen in religieus fundamentalisme als antwoord op dat regime.”

De recente verkiezingsresultaten in Tunesië en Egypte tonen aan dat het risico op een ‘democratisch gelegitimeerd’ religieus extremisme niet bepaald denkbeeldig is?

“De fundamentalisten die daar de verkiezingen gewonnen hebben zullen op termijn niet anders kunnen dan de scheiding der machten te respecteren. Ze zullen ook verplicht zijn om sociale en economische hervormingen door te voeren. Anders verliezen ze in een mum van tijd hun steun bij de bevolking. Natuurlijk zullen ze in de verleiding komen om aan de macht te blijven, of hun macht op autoritaire wijze te handhaven, maar dat is altijd en overal het gevaar in een jonge democratie. We kunnen niet anders dan het spel mee te spelen. Aan hen om, eens ze aan de macht zijn, te bewijzen dat ze het goed menen met die democratie. Allah alleen zal niet volstaan om elke dag vers brood op de plank te brengen of om de nodige sociale vooruitgang te bewerkstelligen.”

U heeft uw baan als arts intussen opgegeven, dus hoe knoopt u vandaag de eindjes aan elkaar?

(ontwijkend) “Ik word wereldwijd gevraagd om les te geven in mensenrechten, maar ook die lessen heb ik tegenwoordig tot het absolute minimum teruggeschroefd. Maar er blijft nood aan: buitenlands beleid is geen liefdadigheidsinstelling, in geen enkel land ter wereld. Het is een illusie te denken dat respect voor de mensenrechten ooit een essentieel onderdeel van het buitenlands beleid van een groot land zal vormen.”

Tekst: Filip Michiels
Foto: Isabel Pousset

< Lees de succesverhalen van andere baanbrekers