Fulltime werken én studeren: niet voor doetjes

Het kan verkeren. Wie vroeger boven de dertig jaar was en nog achter de banken van een hogeschool of in de aula van een universiteit opgemerkt werd, mocht zich een uitzondering noemen. Vandaag niet. Onder de noemer ‘levenslang leren’ promoot de overheid de combinatie van werken en studeren, en voorzien hogescholen en universiteiten speciale formules om een fulltime job en een studie met elkaar te verzoenen. En cijfers tonen dat steeds meer mensen daar steeds meer brood in zien. In het academiejaar 2009-2010 nam het aantal werkstudenten met 19 procent toe tegenover het jaar daarvoor, van 3.733 naar 4.553. Het aantal specifieke opleidingstrajecten voor werkstudenten steeg op drie academiejaren in Vlaanderen met 77 procent, van 136 naar 241. Levenslang leren zit dus in de lift.

Professor emeritus Raoul Van Esbroeck, die aan de De Vrije Universiteit Brussel (VUB) onderzoek deed naar werkstudenten en specialist is in loopbaanbegeleiding en studiekeuze, ziet daarin het logische gevolg van een maatschappelijke evolutie. “Op alle niveaus wordt gehamerd op het belang van levenslang leren: je moet verder studeren, je moet bijscholen, je verder ontwikkelen. Een loopbaan maak je op basis van een bepaald competentieprofiel en van de mensen wordt steeds meer verwacht dat ze hun competentieprofiel bijsturen en verdiepen. Daar moet je zelf verantwoordelijkheid in nemen. Ook het aanbod aan opleidingen is veel groter geworden. En er zijn ook meer mogelijkheden om te individualiseren. Je kan op je eigen tempo een studie afwerken, zij het binnen bepaalde grenzen.”

Geen sociaal leven meer

De VUB staat bekend voor haar vrij uitgebreid aanbod opleidingen in het avondonderwijs. De universiteit heeft naar eigen zeggen 64 specifieke opleidingen voor studenten die werken, en telde het voorbije academiejaar zo’n 900 werkstudenten, ofwel 10 procent van haar totale studentenbevolking. Linda Willems, hoofd van de dienst studieadvies en diversiteit: “De populairste richtingen aan de VUB zijn rechten, bedrijfskunde en criminologie. Maar daar moet je een stevige kanttekening bij maken: het aanbod voor werkstudenten is maar een fractie van het gewone onderwijsaanbod: er zijn geen exacte wetenschappen, geen ingenieurswetenschappen, … Die opleidingen kennen heel veel praktijk en labosessies. Dat is praktisch niet te organiseren voor werkstudenten. En criminologie is bij ons onder meer populair omdat de federale politie vlakbij ons zit. Inhoudelijk verschilt het programma sowieso niet van een dagstudent. De lessen gaan wel ‘s avonds door, en de manier waarop en de vorm van de lessen is anders: er is meer zelfstudie, meer leerstof die via elektronische leeromgeving aangereikt wordt, meer papers te maken. Dat betekent dat ze heel veel op eigen houtje moeten doen, uiteraard.”

Raoul Van Esbroeck beaamt dat: ondanks alle tegemoetkomingen en speciale formules staan werkstudenten voor een zeer zware opgave. “Werkstudenten beperken het aantal contacturen (lessen, besprekingen) tot grosso modo een derde van het aantal van gewone studenten. Maar daarbuiten hebben ze natuurlijk ook veel werk: er wordt van hen veel zelfstudie en activiteit buiten de lesuren verwacht. Onderschat dat vooral niet. Het probleem is dat werkstudenten drie verschillende rollen moeten spelen: ze zijn werknemer, student en ze hebben daarnaast ook nog een sociaal leven. Het is zeer moeilijk om die drie te combineren. Uit ons onderzoek blijkt dat werkstudenten heel veel inleveren op de kwaliteit van hun leven. Ze hebben vaak amper of geen sociaal leven meer, stellen de uitbouw van hun gezin uit, bouwen hun taken in het gezin af, slapen slecht, en zetten hun gezondheid op het spel. Dat klinkt misschien overdreven, maar het is zo.” Ook de resultaten wijzen er op dat werken en studeren een behoorlijk lastige onderneming is. Bij de VUB lag het slagingspercentage bij werkstudenten op 60 procent, bij gewone studenten op 78 procent.

Boze collega’s

En daar blijft het niet bij: ook de relatie met de collega’s vertroebelt vaak. Want werkstudenten zijn vaker afwezig en het werk dat ze niet of minder doen, wordt vaak naar hun collega’s doorgeschoven. “Werkstudenten hebben wettelijke regelingen, waaronder meer verlof”, zegt Van Esbroeck. “Dat wordt scheef bekeken: ze hebben er wel recht op, maar voor collega’s is dat verlof. Zij moeten daardoor vaak iets harder werken, omdat de werkgever meestal niet bereid is om iemand bij te nemen om dat op te vangen. De meeste van de werkstudenten die wij bevraagd hebben, doen echter geen concessies inzake inzet op het werk. Ze beseffen dat hun werk in gevaar komt, mochten ze dat doen. Ze steken dus een tandje bij.”

Ook werkgevers zijn meestal niet enorm happig op werkstudenten, stelt Van Esbroeck vast. “Ze bewijzen er officieel wel lippendienst aan, maar in de praktijk zijn ze geen grote voorstanders. Ze worden door de wetgeving gedwongen om er geld voor ter beschikking te stellen, maar dat wil nog niet zeggen dat ze er 100 procent achter staan. Dat is wel het geval bij een praktische opleiding met een duidelijke link met de job. Postgraduaten aanvaarden ze bijvoorbeeld, als dat past in de job die je doet. Maar een gewone algemene opleiding aan de universiteit, dat zien ze heel wat minder zitten. Uit een enquête die we in 2002 uitvoerden, blijkt dat 20 procent van de bedrijven een ronduit negatief beeld heeft over universitaire bijscholing. Al voorzien ze wel allerlei mogelijkheden, zoals glijdende uren, loopbaanonderbreking, deeltijds werken, onbetaald verlof en telewerken.”

Van job veranderen

Vraag is of een bedrijf zijn voordeel kan doen met een werknemer die een bijkomende studie doet: wat heeft een bedrijf bijvoorbeeld aan iemand die kunstgeschiedenis of psychologie studeert? En is het dan niet logisch dat ze er weigerachtig tegenover staan? “Toegegeven, het voordeel is niet altijd duidelijk. Maar toch vergissen bedrijven zich daar vaak in, denk ik. Bedrijven zien het potentieel en de verhoogde competenties van die werkstudenten niet en gebruiken ze niet echt. Je bent bijvoorbeeld secretaresse, je haalt een diploma rechten en je blijft secretaresse. Stel dat die secretaresse psychologie studeert: misschien kan ze terecht op de afdeling hr. Bedrijven zijn daar niet flexibel genoeg in. Ze zouden aan die werknemers mogelijkheden moeten bieden om een andere job te krijgen. Maar vaak zijn werkstudenten mensen in een uitvoerende functie, die dan opeens geschikt zijn voor een meer leidinggevende functie. Bedrijven schrikken daarvoor terug. Of ze hebben al een carrièrepad voor een werknemer uitgestippeld, en dat past daar niet in. Vaak moeten werkstudenten daardoor van werkgever veranderen als ze hun diploma willen benutten.”

Waarmee de vraag meteen ook gesteld is: waar komen werkstudenten terecht eens ze hun studie afgewerkt hebben? Maken ze promotie? Veranderen ze meestal van job? En verdienen ze meer? “We hebben die vraag gesteld voor drie opleidingen aan de VUB: rechten, politiek-sociale wetenschappen en medisch-sociale wetenschappen. De laatste groep doet duidelijkst zijn voordeel: zij bevorderen bijna allemaal naar beleidsfuncties. Vaak zijn het hun werkgevers die vragen om een opleiding te volgen: er is een groot tekort aan leidinggevenden in de zorg. Bij de groep die rechten volgde, stelden we vast dat ze alleen maar in een passende job terecht komen als ze van werkgever veranderen. Behalve als ze in een groot bedrijf zitten: daar is het makkelijk om naar een andere functie door te stromen. Wie politiek-sociale wetenschappen studeert, heeft nog minder geluk: zij blijven meestal in de positie waarin ze zaten. De mensen die veranderen van job verdienen meestal ook meer, omdat ze naar een hogere functie overstappen of meer competenties hebben. Al is dat voor velen niet de initiële motivatie. Globaal is het effect op de carrière dus wel positief, al hangt veel natuurlijk af van wat je precies studeert.”

Vraag is ook wat de maatschappij te winnen heeft bij werkstudenten, want uiteindelijk kosten ze ook geld. Van Esbroeck is ervan overtuigd dat de samenleving er zijn voordeel mee doet. “Zelfs als ze niet werken, krijgen we er iets voor terug. Werkstudenten tonen hoe belangrijk het is om te studeren en een diploma te halen. En mensen die het gevoel hebben dat ze zich kunnen waarmaken, zijn tevreden mensen.”

Moeder, waarom leren wij?

Om welke reden combineren mensen een fulltime job met een studie? De VUB bevroeg daarover vorig jaar 129 werkstudenten. 36 procent van de ondervraagden gaf als belangrijkste reden voor het volgen van een aanvullende studie ‘uit interesse’ als antwoord. 22 procent hoopte zijn kansen op promotie bij zijn huidige werkgever te verhogen, 20 procent zei een job bij een andere werkgever te beogen. Vooral het hoge aantal mensen dat ‘uit interesse’ werkt en studeert is verbazend, als je weet hoe zwaar het combineren van een opleiding met een fulltime job in de praktijk is. Dat vindt ook Raoul Van Esbroeck. Vooral het hoge cijfer dat aangeeft ‘uit interesse’ een bijkomende studie te volgen, doet bij hem de wenkbrauwen fronsen. “Wellicht geeft die steekproef een wat vertekend beeld. Uit ons onderzoek blijkt dat mensen het in de eerste plaats doen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Het zijn vaak mensen die ooit hoger onderwijs gedaan hebben, maar hun studie al dan niet afmaakten. Daarnaast heb je mensen die aan de lijve ondervinden dat ze minder mogelijkheden hebben in hun loopbaan, doordat ze geen diploma of niet het juiste diploma hebben. Vaak zit daar ook ongenoegen of frustratie: ik zou die job evengoed doen, alleen heb ik er niet het juiste diploma voor. En ten slotte heb je ook een groep mensen die niet meteen hogerop willen raken, maar beter willen worden in wat ze doen.”

De meeste werkstudenten zijn vrij jong, tussen 23 en 35 jaar, zo blijkt uit onderzoek van Van Esbroeck. Bij die ‘jongeren’ zitten twee grote groepen: mensen met een hogeschooldiploma die vrij vlug na hun studies willen doorgroeien naar academisch niveau en zij die enkele jaren aan de slag zijn en vinden dat ze beter kunnen dan wat ze op dat moment hebben. Dat rechten bij werkstudenten vrij populair is, verbaast Van Esbroeck niet. “Als ambtenaar is een diploma Rechten voor een heleboel functies vereist. Hetzelfde geldt voor een diploma Criminologie. Je hebt ook een diploma in de sociaal-medische richting: daar zie je vaak mensen die al hoger onderwijs gedaan hebben en naar beheersfuncties willen doorstromen. En dan heb je een master nodig.”

Terug naar het coververhaal 'Fulltime werken én studeren: niet voor doetjes'