"Een vastbenoemde leerkracht is met geen stokken buiten te krijgen en wie zich uit de naad werkt verdient geen cent extra."

Een vooroordeel, zo oordeelt Jeroen Janssens, woordvoerder van Vlaams onderwijsminister Pascal Smet: "Sinds september 2007 kent het secundair en volwassenenonderwijs een evaluatiesysteem, dat sinds twee jaar ook van kracht is in het basisonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs. Alle leerkrachten die minstens 104 dagen zijn aangesteld (dus langer dan een zwangerschapsverlof) moeten op basis van hun functiebeschrijving verantwoording afleggen bij de onderwijsinspectie. De evaluatie gebeurt in regel om de vier jaar. Luidt de eindconclusie ‘onvoldoende’ dan krijgen tijdelijk aangestelde leerkrachten meteen hun ontslag. Vast benoemd personeel kan pas worden ontslagen na twee opeenvolgende ‘onvoldoendes’ of drie tijdens de hele loopbaan. Tussen de evaluaties moet telkens een jaar zitten, zodat de leerkrachten de kans krijgen om zich, al dan niet met behulp van begeleiding, te verbeteren."

Volgens Jeroen Janssens heeft dit systeem al tot ontslagen geleid.  Tegelijk nuanceert hij: “Het is niet ontwikkeld als een sanctiesysteem, maar wel als een coachings- en begeleidingsinstrument. De basis daarvoor ligt in de geïndividualiseerde functiebeschrijving, waarin specifieke afspraken kunnen worden opgenomen met het oog op verbetering.”

Ook het weinig flexibele beloningsysteem zou van het onderwijs een weinig aantrekkelijke werkgever maken. Wie er de kantjes afloopt krijgt net zoveel als de geëngageerde leerkracht die niet op een uur meer of minder kijkt. Dat klopt ook, want bonussen of een gedifferentieerde prestatiebeloning, zoals in veel privébedrijven gebruikelijk is, zijn onbestaande in het onderwijs. “Dat blijft voor velen een stap te ver,” zegt Jeroen Janssens. “De vrees voor de invoering van ‘ongelijkheid’ in het schoolteam is daarbij een belangrijk element. Een groot deel van het personeel haalt trouwens zijn voldoening uit het werken in een vlot draaiend team.” Gedifferentieerde beloning is echter geen taboe voor het beleid, aldus Janssens. “Het thema komt zeker in het loopbaandebat met de sociale partners aan bod. Een van de doelstellingen in de beleidsnota heet ‘een professioneel personeelsbeleid mogelijk maken’. Daartoe hoort het doorbreken van de vlakke loopbaan, onder meer door meer uitdagingen, functie-en taakdifferentiatie in te bouwen.”

Er is aandacht voor de werkzekerheid van de beginnende leerkrachten en compententieontwikkeling van zowel leraars als directie. En uit het hoofdstukje ‘zij-instromers’ blijkt dat het onderwijsbeleid niet helemaal afkerig staat tegenover financiële stimuli. “We moeten mogelijkheden zoeken om een vergoeding toe te kennen voor onderwijsgerelateerde ervaring uit de privésector,” zegt Janssens. Hij blijft echter voorzichtig. “Uit onderzoek is al gebleken dat financiële stimuli niet doorslaggevend zijn voor de motivatie van een leerkracht. Het beste bewijs is dat het overgrote deel zich met hart en ziel aan hun job wijdt, ook zonder bonussen.”

<< Terug naar de andere clichés

Tekst: Dominique Soenens en Wouter De Broeck