Drijft het talent van je kind vanzelf naar boven of moet je het zo veel mogelijk stimuleren?

Komt talent vanzelf bovendrijven of is talent er pas als het wordt gezien én gestimuleerd? Die vraag lieten we los op 5 experts ter zake: journalist Tom Hodgkinson, ontwikkelingspsycholoog Maarten Van Steenkiste, bioloog Dirk Draulans, geneticus Jean-Jacques Cassiman en kinderpsychiater Peter Adriaenssens.

“Laat talent zichzelf ontwikkelen”

Je ziet ze wel vaker, ouders die zichzelf afjakkeren om hun kinderen de perfecte opvoeding te geven. Ze stouwen de agenda’s van hun kinderen vol met afspraken voor de pianoles, ballet- of tekenschool en sportschool, om hun kinderen alle kansen te geven. Goed bedoeld maar fout, zegt Tom Hodgkinson, auteur van het boek ‘Luie ouders hebben gelijk’. “We doen er veel beter aan om kinderen vrijheid te geven en ons veel minder te bemoeien met wat ze doen. Je moet de creativiteit van je kinderen niet controleren. Laat ze vrij. Om het beste uit zichzelf te halen en hun talent te maximaliseren, hebben ze maar twee dingen nodig: vrijheid en oefening. En die twee dingen komen in onze samenleving in het gedrang. We dwingen kinderen in een keurslijf omdat we goeie ouders willen zijn én onder invloed van televisie denken ze je succes snel en makkelijk kan bereiken. Terwijl je net heel hard moet werken en veel oefenen. Dat klinkt vreemd uit de mond van iemand die het boek ‘Luie ouders hebben gelijk’ schreef, ik weet het. Maar succes draait rond hard werken. Als je een goeie timmerman wil worden, dan je moet je op je veertiende een leerjongen worden. Je hebt iemand nodig die je het vak aanleert én je hebt oefening nodig. Maar creativiteit kan je niet controleren, zoals Steinerscholen lijken te denken. De tekeningen die kinderen daar maken, lijken allemaal op mekaar: dat is geen creativiteit, maar gewoon een andere dwangbuis. Je moet niet te veel nadenken over hoe de creativiteit van een kind moet gestimuleerd worden. Ik zou kiezen voor ouderwets leren en kortere schooldagen, zodat kinderen meer kunnen spelen, zonder toezicht van de ouders.”

Is het dan utopisch dat je kinderen richting succes kan sturen? Hodgkinson: “Je kan dat in zekere mate sturen. Kinderen van succesvolle ouders zijn vaak zelf ook succesvol. Heel soms komen ze uit het niets, zoals The Beatles. Maar de kinderen van Paul Mc Cartney zijn bijvoorbeeld ook succesvol. Om het te maken heb je twee dingen nodig: je moet ambitieus en talentvol zijn. Maar in het huidige onderwijssysteem gaat veel talent verloren. De zogenaamde progressieve, kindgerichte aanpak die nu zo populair is bij ons, werkt niet. Leren doe je zoals het vroeger gebeurde: door herhaling.” Bioloog en journalist Dirk Draulans: “Ik ben er ook van overtuigd dat ons systeem talent fnuikt. Ons onderwijs richt zich op de mainstream, terwijl mensen met talent er net uit springen. Je ziet ook vaak dat mensen met talent pas na hun schoolcarrière ontluiken, omdat ze niet meer in een dwangbuis gedwongen zitten. Omgekeerd kan je door studie wel goed worden in iets, maar om te excelleren heb je iets meer nodig.”

“Creëer geen grote ego’s op jonge leeftijd”

Peter Adriaenssens, kliniekhoofd kinderpsychiatrie aan het Gasthuisbergziekenhuis in Leuven: “Kinderen hebben vandaag heel wat meer mogelijkheden in hun vrije tijd dan vorige generaties. Je hebt vooral nood aan realistische ouders. Soms zijn ouders te positief over hun kind. Te snel denken ze de nieuwe Hugo Claus in huis te hebben. Creëer geen te grote ego’s. We zien te veel tieners die ervan overtuigd zijn dat de wereld zit te wachten op hen. Precies omdat ze zo overtuigd zijn van hun kunnen op jonge leeftijd, stopt de ontwikkeling van hun talent veel te vroeg. Het woord ‘talent’ heeft de ongelukkige connotatie van aangeboren gave, dat je er dus niets meer voor moet doen. Je moet de capaciteit om hard te werken ook bij kinderen ontwikkelen.” Maarten Vansteenkiste, ontwikkelingspsycholoog UGent vult aan. “Kijk bijvoorbeeld naar de broers Borlée, getalenteerde 400-meterlopers. De media schenken heel veel aandacht aan hun successen. Er wordt erg weinig belicht welke inspanningen dat soort toppers moet leveren. De vele uren eenzijdige trainingsessies, onder andere.” Jean-Jacques Cassiman, geneticus: “Zelfs voor een geniale muzikant geldt: 20% aanleg en 80% zweten.”

“Ouders moeten kinderlijke verbeelding mee vorm geven”

Kinderpsychiater Adriaenssens: “Een kind moet durven voorbij zijn eigen grenzen gaan. Durven een fantasie instappen. Het is van nature geneigd dat niet te doen, precies daarom heeft het een duwtje in de rug van de ouders nodig.” Geneticus Cassiman: “Als je kind mooi kan tekenen, moet je dat positief bevestigen, daar mee bezig zijn.” Adriaenssens: “Toon hem of haar een interview met een bekende schilder, waarin die uitlegt hoeveel uren hij elke dag schildert om zijn vaardigheden aan te scherpen.” Vansteenkiste: “Je kind kan perfect met een oud deken een kamp of een huis maken. Om cowboy en indiaan te spelen, heb je niet per se de allernieuwste kostuums nodig. Uiteraard moet je dan als ouder bereid zijn thuis de kleren te zoeken die daarvoor kunnen dienen. Het is makkelijker om in de winkel dat indianenkostuum te kopen.”

“Opgelet met de supermarktattitude”

Adriaenssens: “Vroeger werd talent vaak afgeremd of moest men verplicht les volgen. Denk maar aan al die mensen die jarenlang tegen hun zin notenleer en pianoles hebben gevolgd. Doorgaans stopten de meesten de dag dat ze het ouderlijk huis verlieten. Vandaag zijn ouders ofwel zeer kindgericht en overdreven permissief,  vindt het kind het evident dat het alles mag doen wat het wil. Andere ouders zijn dan weer heel sterk in regels geven. Eigenlijk heb je een combinatie van de twee nodig. Je moet als ouder wel erg opletten voor de ‘supermarktattitude’: als de ene hobby een kind niet aanstaat, probeert het gewoon een andere. Een kind moet leren dat een afspraak een afspraak is. Verliest een kind na een half jaar de interesse in een engagement voor een jaar, dan is dat jammer. Maar je doet wel verder tot het jaar erop zit. Al moet je niet zover gaan zoals men vroeger deed, waarbij een kind dan nog twaalf jaar tegen zijn zin in de muziek verder moest. Een kind moet leren omgaan met frustraties. En niet elk struikelblok, zoals bijvoorbeeld een slechte leraar, aangrijpen om te veranderen. Laat kinderen voor een stuk participeren. Misschien kan een stuk van hun zakgeld dienen om een inschrijving te betalen. Je moet er als ouder een princiepkwestie van maken: voor wat, hoort wat.”

Ontwikkelingspycholoog Vansteenkiste: “Vooraleer kinderen een keuze maken, moeten ze goed weten waarvoor ze kiezen. Help hen daarbij. Zeg hen dat ze notenleer krijgen, dat ze elke week inspanningen zullen moeten leveren. Sommige ouders herkennen wel het talent van hun kind, maar leggen de lat zodanig hoog dat hun verwachtingen onhaalbaar worden. Ze verwachten erg snel progressie. Soms zien ouders meer talent in het kind dan dat het daadwerkelijk heeft. De ouder moet ook niet de slaaf worden van het kind. Als je hoort dat ouders kinderen van zes jaar al meerdere keren per week naar het voetbal brengen, dat zijn toch heel moeilijke keuzes die heel het gezin aanbelangen. Je verengt tegelijk het spectrum voor je kind. Wat met de jeugdbeweging of muziek? Ik zou zo’n engagement als ouder jaar na jaar herbekijken. Je moet een zeker bewustzijn creëren bij het kind: wil je echt vier keer per week trainen, met de kans dat je niet mag spelen in het weekend?”

“Te veel kinderen worden te jong hun droom afgepakt”

Kinderpsychiater Adriaenssens: “Je moet niet krampachtig op zoek gaan naar dat ene talent van je kind. Een kind moet vooral in de breedte groeien. Laat hem zo veel mogelijk ontdekken. Het gevaar van te vroeg te eenzijdig te focussen op één talent – bijvoorbeeld goed kunnen zingen – is dat je al de rest veronachtzaamt. Je moet als zanger ook goed kunnen onderhandelen met mensen, goeie teksten kunnen schrijven. Zorg dat je kind een plan B heeft. Wat als je stem bijvoorbeeld plots verandert in je puberteit?”

“Wanneer het kind de droom van de ouders moet realiseren, werkt dat verstikkend. Laat als ouder wél horen welke dromen je zelf nog hebt, om aan je kind duidelijk te maken dat er in het gezin over ieders dromen gepraat mag worden. We zien te veel kinderen die op te jonge leeftijd hun droom afgepakt wordt. Bijvoorbeeld iemand die piloot wil worden. Ouders blokken dat af, zeggen dat zo’n droom moeilijk wordt. Terwijl  we allemaal weten dat we onze dromen voortdurend aanpassen. Als kind moet je vooral iemand hebben die zegt: ‘Ga er maar voor, zoek maar verder.’ Misschien wordt dat kind uiteindelijk wel een technieker op het vliegveld, maar dat maakt in wezen niet uit. Te veel kinderen worden heel jong te ernstig genomen in hun dromen, hun droom wordt onmiddellijk beschouwd als een bedreiging. Als iemand oppert wereldreiziger te willen worden, moedig dat dan aan. Want op zijn minst denkt dat kind al na over de toekomst. Dikwijls heeft dat te maken met de waardigheid die men aan een droom geeft. Vaak zeggen we tegen een ander dat je met je handen toch veel kan verdienen, maar ons eigen kind zien we toch liever iets anders doen.”

“Kinderen en ouders mogen falen, maak het bespreekbaar”

Ontwikkelingspycholoog Vansteenkiste: “Als een kind nu eens positieve feedback krijgt en dan weer negatieve op zijn prestaties, weet het dat het via inspanning de situatie kan rechttrekken. Langs de andere kant: wanneer je iemand altijd persoonlijk ophemelt omdat die zo getalenteerd is en dan plots kritiek geeft als het wat minder gaat, zal het kind die kritiek meteen op zichzelf betrekken. Geef dus feedback op de taak, en niet op het kind.”

“Maar volg niet dagelijks het huiswerk van je kind op. Te dicht op de huid zitten, wordt als bemoeizuchtig ervaren. Vaak wordt gezegd: inspanning voor ontspanning. Terwijl je perfect zou kunnen afspreken met je kind: tussen 4 en 6.30 uur ‘s avonds mag je zelf kiezen wanneer je speelt en je huiswerk maakt. Laat een kind falen, ouders mogen ook falen in de begeleiding van een kind. Het is veel belangrijker de reden van dat falen samen te bespreken dan je kind voortdurend te willen beschermen tegen falen door het huiswerk elke dag te controleren.” 

“De hamvraag is of je talent altijd interpersoonlijk moet beoordelen. Als je jezelf constant vergelijkt met anderen, ga je sneller negatief zijn over jezelf. Want je vindt altijd wel iemand die er beter in is. Focus op de progressie in je eigen ontwikkeling. Dat is uiteindelijk toch de bedoeling van menselijke ontwikkeling: het maximum uit je eigen mogelijkheden halen. Als dat betekent dat je onder het niveau van iemand anders blijft, dan is dat maar zo. Zo’n houding is inderdaad moeilijk, je moet vrede leren nemen met je grenzen.”

Tekst: Nico Schoofs en Dominique Soenens