Deel 1: Het Deense carrièremodel uitgekleed

Het Deense arbeidsmarktmodel is populair bij vele Europese beleidsmakers. Maar hoe kijken de Deense werknemers zelf naar dit 'rolmodel'? Vacature nam de proef op de som tijdens een vierdaagse trip naar Kopenhagen.

Veel succesvoller dan Birgit Stöber en Somo Olsen vind je ze in Kopenhagen wellicht niet. Birgit, begin veertig, is een gewezen journaliste die tegenwoordig les geeft aan de Copenhagen Business School. Haar man Somo heeft een eigen it-bedrijfje waarmee hij stilaan ook over de grenzen doorbreekt. Het koppel heeft twee kinderen - Witus 3 en Julius 9 jaar oud - en woont in een schitterend appartement in de even hippe als dure wijk Osterbrogade in de Deense hoofdstad. Een modern en licht appartement, goed voor 200 vierkante meter bewoonbare oppervlakte en een prijskaartje van ruim 800.000 euro. De vleesgeworden Deense droom als het ware, al zijn ze zelf de eersten om daar de nodige kanttekeningen bij te maken.

“Kijk, we moeten daar niet flauw over doen”, vertelt Birgit, terwijl Witus met argusogen het doen en laten van de fotografe volgt. “We zijn verwend, en we zijn dus ook redelijk veeleisend. Het Deense model met zijn bijzonder goed ontwikkelde en georganiseerde kinderopvang – die voor 75 procent door de staat gesubsidieerd wordt – laat ons toe om werk en privé relatief vlot te combineren. In theorie kunnen we zelf onze carrière sturen en ontwikkelen, maar in praktijk ligt het toch iets ingewikkelder dan dat. Zo werkt mijn man vaak van thuis uit, wat natuurlijk een groot voordeel is als één van de kinderen ziek valt. Mocht hij elke dag netjes om 8 uur naar kantoor vertrekken, dan lag het allemaal al iets ingewikkelder. Bovendien klopt het officiële verhaal als zou er voor ieder kind gegarandeerd binnen de drie maanden een opvangplaats worden gevonden niet helemaal. Tenminste niet als je, zoals dat voor ons het geval was, niet tevreden bent met om het even welke opvangplaats. Ik kreeg voor Witus een opvangplaats aangeboden boven een benzinestation. Ik heb daar vriendelijk voor bedankt (lacht) en ben dan zelf verder op zoek gegaan. En eerlijk gezegd: als je 55 procent inkomensbelasting betaalt, dan mag je misschien net ook iets veeleisender zijn, nee?”

Wereldkampioen in pillenslikken

Met een activiteitsgraad (aandeel van de actieve bevolking dat ook effectief aan het werk is, nvdr) van ruim 73 procent geeft Denemarken de rest van Europa – op Finland na - moeiteloos het nakijken. Die schitterende score is vooral te danken aan de grote aanwezigheid van vrouwen op de Deense arbeidsmarkt, vrouwen die dan grotendeels ook nog eens voltijds aan de slag zijn. Birgit: “De regering en lokale werkgevers pakken graag met dat cijfer uit, maar ze vergeten er wel bij te vertellen dat al die vrouwen niet anders kunnen dan voltijds te werken. Hier in Kopenhagen kom je met één of anderhalf inkomen eenvoudigweg niet rond, het leven is hier peperduur. We hebben in onze kennissenkring nogal wat vrouwen met goed betaalde jobs die maar al te graag iets minder zouden werken maar het zich gewoon niet kunnen veroorloven. Vaak genieten zij sowieso al behoorlijk wat flexibiliteit op het werk, maar zelfs dan is het heus niet altijd een sinecure om werk en gezin hier vlotjes te combineren. Ik vrees dat dit de prijs is die we voor onze welvaartsstaat en onze hoge levensstandaard moeten betalen. Denen zijn echte familiemensen en proberen dus ook geen al te lange dagen te kloppen en hun kinderen op tijd in de kinderopvang op te pikken. Tegelijk zou ik het aantal mensen dat ’s avonds, eens de kinderen onder de lakens liggen,  opnieuw achter de laptop kruipt niet de kost willen geven. Op zich is daar niets mis mee natuurlijk, maar het doorprikt wel de vaak ongenuanceerd positieve verhalen over het Deense arbeidsmarktmodel. In dit land wordt keihard gewerkt, en de mobiliteit op de arbeidsmarkt ligt effectief heel hoog, maar dat alles blijft ook niet zonder gevolgen. Heel veel Denen dromen er vandaag nog altijd hardop van om vervroegd met pensioen te gaan – terwijl de regering net overweegt om die optie te schrappen – en werkstress is hier een reusachtig probleem. Denen mogen dan al de wereldkampioenen inzake arbeidsmobiliteit zijn, de kans is groot dat ze het ook op het WK pillenslikken bijzonder ver zouden schoppen. Laat ons eerlijk zijn: gaat je levenskwaliteit er echt op vooruit als je om de drie jaar van baan verandert, met alle aanpassingsproblemen en onzekerheid daaraan verbonden? Ik durf dat te betwijfelen. Anderzijds blijft Denemarken natuurlijk een echte welvaartsstaat, dat zal niemand ontkennen, en die welvaart heeft nu eenmaal een prijs.”

Flexicurity

Ondanks die kritische kanttekeningen ontpopte het flexicurity-model zich de voorbije jaren tot één van Denemarkens felstbesproken exportproducten. De combinatie van een succesvolle welvaarststaat met een bijzonder hoge levensstandaard en een opmerkelijk lage werkloosheid stak almaar meer Europese landen de ogen uit. Ook de Europese commissie lonkte met begerige ogen naar het Deense model, in een poging een brede Europese arbeidsmarktstrategie uit te werken.  Heel typisch voor het Deense arbeidsmarktmodel is de bijzonder nauwe samenwerking tussen vakbonden en werkgevers, met minimale inmenging van de regering in het sociaal overleg. De relatief royale werkloosheidsuitkeringen worden grotendeels gefinancierd vanuit de inkomensbelasting, die voor de hoogste inkomens kan oplopen tot 60 procent. Het Deense model werkte jarenlang bijzonder goed, maar vandaag lijkt het stilaan toch barsten te vertonen. Niet geheel toevallig in de nadagen van een economische crisis die ook in Denemarken voor een verdubbeling van de werkloosheidscijfers zorgde. “Kijk, flexicurity is gebaseerd op drie grote pijlers,” vertelt Rune Sislev, Europees adviseur bij de overkoepelende vakbondsfederatie LO. “In eerste instantie een heel soepele ontslagregeling, met doorsnee ontslagtermijnen van twee weken tot hooguit drie maanden. Die termijnen variëren ook van sector tot sector, en worden traditioneel vastgelegd in sectoriële cao’s tussen werkgevers en vakbonden. De regering heeft op dat vlak niets in de pap te brokken. Daardoor kunnen bedrijven dus bijzonder snel en flexibel inspelen op een veranderende conjunctuur. De tweede pijler was jarenlang een relatief hoge werkloosheidsuitkering, waardoor het geen drama was als je plots zonder werk viel en waardoor werknemers ook minder schrik hadden om zelf van baan te veranderen. Last but not least was er het opleidingsluik: overheid én werkgevers investeerden zwaar in opleidingen voor werknemers en werklozen, wat op zijn beurt in een hogere arbeidsmobiliteit resulteerde.”

In tijden van economische groei wierp dat systeem zonder meer vruchten af, maar vandaag lijkt het tij te keren. Zo besloot de regering medio vorig jaar om de maximale termijn waarbinnen iemand een werkloosheidsuitkering kan genieten drastisch te verminderen, van vier naar twee jaar. Bovendien worden de uitkeringen zelf ook al enkele jaren niet meer aangepast, waardoor het officiële verhaaltje van de ‘zeer hoge werkloosheidsvergoedinge’ stilaan met een stevige schep zout moet worden genomen.  Iemand uit de allerlaagste inkomenscategorie die zonder werk valt, ontvangt nog altijd een uitkering die 80 procent van zijn laatste loon bedraagt. Voor de meerderheid van de goedverdienende Denen uit de middenklasse geldt dat al lang niet meer: zij moeten het gemiddeld stellen met een werkloosheidsvergoeding van 55 tot 60 procent van hun laatste loon, met een plafond van zowat 1.600 euro. Daar staat tegenover dat elke werkloze wekelijks minstens tweemaal moeten solliciteren en regelmatig een verplichte ‘sollicitatiecursus’ moeten volgen. De meningen over de efficiëntie hiervan lopen op zijn zachtst gezegd nogal uiteen. Eventueel zijn er ook andere opleidingen beschikbaar, maar werklozen zijn niet verplicht om die te volgen.

Minder geld voor levenslang leren

“De flexibiliteit is er nog altijd, maar de zekerheid is de voorbije jaren stevig uitgehold”,  concludeert Sislev. “Net omdat de lonen hier de voorbije jaren zo sterk gestegen zijn, betekent jobverlies voor vele Denen uit de middenklasse nu een heus drama. Niet zelden moeten zij al na enkele maanden werkloosheid hun woning verkopen, terwijl het vandaag natuurlijk ook een stuk lastiger is dan vijf jaar geleden om snel een nieuwe baan te vinden. Met andere woorden: ons arbeidsmarktmodel volstaat niet meer om de mobiliteit van de werknemers aan te moedigen en te ondersteunen. Bovendien is er ook minder geld beschikbaar om het levenslang leren voor werknemers én werklozen te financieren. Toch voorzien de meeste collectieve arbeidsovereenkomsten nog altijd de mogelijkheid dat werknemers jaarlijks twee tot drie weken opleidingen volgen die niets te maken hebben met hun huidige job. Dat is veel in vergelijking met andere Europese landen, maar een pak minder dan vroeger. Ook dat zorgt weer voor minder mobiliteit op de arbeidsmarkt. Daar staat tegenover dat we met een werkloosheidsgraad van 5,5 procent nog altijd bijzonder goed scoren in Europa. Tegelijk maakt onze soepele ontslagregeling het voor bedrijven ook eenvoudiger én minder risicovol om mensen aan te werven. In de nasleep van een zware economische crisis is dat een grote troef.”

Wie vaak van job verandert, is haast verplicht om continu bij te leren. Omgekeerd zijn al de kleine kmo’s die de ruggengraat van de Deense economie vormen verplicht om hun mensen constant bij te scholen. Ook dat leidde de voorbije jaren automatisch tot meer innovatie en een grotere dynamiek op de arbeidsmarkt. Henning Gade, arbeidsmarktspecialist bij de Deense werkgeversfederatie in Kopenhagen, stelt het nog een stuk scherper. “Ons hele denken is mobiliteitsgestuurd. Mensen proberen hun ervaring en competenties te verkopen aan nieuwe werkgevers. In de meeste Europese landen is het net omgekeerd: daar doen bedrijven er alles aan om hun mensen zo lang mogelijk te houden. Al klopt het uiteraard dat de economische crisis ook hier voor minder mobiliteit op de arbeidsmarkt heeft gezorgd, wat niet betekent dat we nu maar meteen het kind met het badwater moeten weggooien. Ik ben ervan overtuigd dat we , net dankzij flexicurity, er sneller opnieuw bovenop zullen raken dan heel wat andere landen.”

Of we flexicurity dan ook maar in de rest van Europa moeten invoeren? Rune Siglev: “Eerlijk, ik denk dat ons model niet gekopieerd kan worden. Enerzijds omdat het verankerd is in een lange traditie van sociaal overleg, levenslang leren en jobhoppen, anderzijds omdat het niet los kan worden gezien van een bijzonder hoge belastingsdruk. Buitenlandse politici en werkgeversfederaties die het toch trachten te kopiëren hebben vaak ook enkel oog voor de flexibiliteit, maar vergeten gemakshalve het zekerheidsaspect. Dat werkt uiteraard niet.”

Foto:Isabel Pousset