"In de privésector valt veel meer te rapen.”

Een salaris van een leerkracht is een voorbeeld bij uitstek van een zogenaamd ‘functieloon’. De belangrijkste bepalende factoren zijn het hoogst behaalde diploma, de anciënniteit en het niveau van het onderwijs waar de lesgever is tewerkgesteld. Elke extra graad, jaar ervaring of vak kan voor een beetje meer loon zorgen, allemaal netjes bepaald volgens weddeschalen. Het is een rigide systeem. Financiële stimuli, zoals bonussen of extralegale voordelen zoals bedrijfswagen, laptop of gsm zijn onbestaande. Wel hebben leraars recht op vakantiegeld, gratis openbaar vervoer, een fietsvergoeding en krijgen ze met hun lerarenkaart een korting op museumtickets, boeken en ander didactisch materiaal. Met 96 procent vast loon blijft het onderwijs echter absolute koploper onder alle sectoren. Die ijzeren loonwetten mogen dan achterhaald lijken, ze geven de werknemer ook een stuk houvast. Een leraar in het secundair onderwijs weet dat hij na vijf jaar 3.176,98 euro bruto per maand zal verdienen en tien jaar later 4.008,10 euro bruto.

De stelling dat privébedrijven royaler betalen valt dan ook perfect te toetsen aan de hand van een voorbeeld. Een leraar geschiedenis met een masterdiploma en vijftien jaar werkervaring krijgt goed 4.000 euro bruto. Een boekhouder (met dezelfde anciënniteit en eveneens zonder leidinggevende functie) mag zich in de bank- en verzekeringssector aan 3.839 euro per maand verwachten. En een ict’er bij een bedrijf in de chemiesector klokt op 4349 euro af (bron: salariskompas Vacature).

Maar het is wel zo dat 44 procent van de werknemers in de financiële sector de mogelijkheid heeft een bonus te behalen en een kwart recht heeft op een andere vorm van prestatiebeloning. Hetzelfde geldt voor een derde van de informatici en 26 procent van de mensen die in de chemiesector werken. Behalve de gezondheidszorg (7 procent) is er op vlak van variabele beloning geen enkele andere sector die zo slecht scoort als het onderwijs.
Voor een echt gedifferentieerd loonbeleid bestaat er geen draagvlak in de sector. Daarvoor is de vrees voor ‘ongelijkheid’ te groot. Een bijkomende moeilijkheid is het gebrek aan objectieve prestatiecriteria. Input van leerlingen of studenten mag dan een logisch meetinstrument lijken voor de onderwijskwaliteit, het zorgt er ook voor dat leerkrachten in een kwetsbare positie komen en zich misschien ‘gewillig’ gaan opstellen om hun evaluatie en bijhorende bonus te beïnvloeden. Er bestaan natuurlijk waardevolle indicatoren over onderwijskwaliteit, zoals inspectieverslagen en evaluaties door de directie. “Al bij al blijft het een beperkt draagvlak”, zegt Gert Theunissen, onderzoeker aan de faculteit economie en bedrijfswetenschappen van de K.U.Leuven. “Voor de meeste andere sectoren is het veel eenvoudiger om criteria op te stellen die voor iedereen aanvaardbaar zijn.”

Tekst: Dominique Soenens en Wouter De Broeck