De maandag van een Nederlandse werknemer in Bujumbura

Anthe Vrijlandt werkt als raadgever bij het SPCNCA, een overkoepelende instelling van de Burundese overheid die de ontwikkelingshulp in Burundi coördineert. Haar maandag werd beheerst door de bloedige aanslag van de avond ervoor op een café in de hoofdstad Bujumbura, waarbij minstens 36 slachtoffers vielen.

Burundi

07.00 Ik begin mijn dag met het bekijken van het laatste Burundese nieuws op internet. Alles lijkt peis en vree. Mijn man stapt samen met onze dochter in de ene auto, ik in de andere. Johan brengt Birgit naar school en rijdt dan verder naar zijn werk. Ik rij rechtstreeks naar mijn kantoor in de stad. We wonen op een heuvel in de beveiligde presidentiële wijk in Bujumbura en uit veiligheidsoverwegingen mogen hier geen taxi’s of bussen komen. Onze auto’s hebben we broodnodig.

08.00 Een collega vertelt me dat een familielid gisterenavond geweervuur gehoord heeft. Een andere collega valt net als ik uit de lucht. We horen dat minstens 36 mensen gedood zijn bij een gewapende raid op een druk bezocht café. Ik kijk haar vol ongeloof aan. Mijn collega’s blijven er vrij rustig onder. De meeste Burundezen hebben de voorbije maanden heel wat politiek geweld gezien. Er is sprake van 150 moorden in een paar maanden tijd. Voor hen is dit het zoveelste ‘incident’ op rij, al ligt de dodentol nu wel erg hoog. De overheid blijft herhalen dat dit het werk is van ‘ordinaire bandieten’, terwijl het duidelijk een terroristische aanslag was.

09.00 Ik probeer me te concentreren op het werk van de dag. Ik denk met een wrang gevoel terug aan de geanimeerde vergadering van vrijdag. De Burundese overheid onderhandelde toen met de internationale gemeenschap over het stroomlijnen van de hulpverlening. Die vergadering liep uit de hand nadat de hulpdonoren hun beklag maakten over het instabiele politieke klimaat. Dat viel bij de regering niet in goede aarde. Met de aanslag van gisteren krijgen de donoren op een wrede manier gelijk.

10.00 Vanuit mijn raam kijk ik uit op het bureau van mijn baas. Er staat een politieagent voor de deur. Zijn geweer ligt op een muurtje, met de loop naar mij gericht. Hij luistert naar het nieuws op een transistor. Steeds meer mensen komen rond hem staan om mee te luisteren naar het laatste nieuws over de aanslag.

11.30 Johan belt. “Ik heb gehoord dat er ongeregeldheden zijn in de wijk waar de school van Birgit ligt.” De schrik slaat me om het hart. Ik gris mijn autosleutels mee en rij in een rotvaart naar de Belgische school. Onderweg stop ik bij een winkel om telefoonkaarten en een voedselvoorraad voor een hele week in te slaan. Aan een benzinestation vul ik de brandstoftank van de auto tot hij overloopt. Met mijn dochter is gelukkig alles oké.

12.30 We lunchen thuis. Ik probeer de paniek te onderdrukken. We maken huiswerk samen. Birgit wil met een vriendinnetje gaan spelen. ‘Blijf maar lekker thuis’, zeg ik. Om 15 uur rij ik terug naar kantoor. Alle vlaggen hangen halfstok. Er hangt een onwezenlijke stilte in de straten. De minister van Bonne Gouvernance belt me. Hij is samen met de president op de plaats van de aanslag. Hij wil me spreken over de vergadering van vrijdag. Een uur later bel ik naar zijn kabinet. “De minister is naar de begrafenis van de slachtoffers”, zegt zijn secretaris.

16.00 Ik verricht stomme administratieve klusjes waar ik niet bij moet nadenken. Ik surf naar sites, op zoek naar recent nieuws over de aanslag. In mijn mailbox stromen waarschuwingen binnen van de Belgische ambassade.

23.00 Ik praat nog even met Johan na. Ik ben doodop en ga naar bed. Tegen mijn verwachting in val ik na een kwartier in een diepe, droomloze slaap.