De maandag van Ann, Ierse expat in Libie

Ann is veearts en reisde twee jaar geleden vanuit het Ierse Cork haar Libische man achterna. Ze woont in Zliten, een klein havenstadje op een paar uur rijden van Tripoli. Uit veiligheidsoverwegingen wil ze anoniem blijven.

02.00 Ik word wakker uit een onrustige slaap, draai me om en zie dat mijn man niet in bed ligt. Ik vermoed dat hij bij zijn ouders is. Ik ga naar de woonkamer en zet de staatstelevisie op. Khadaffi’s zoon Saif is net begonnen aan het laatste deel van zijn speech. Ik schakel over naar Al Jazeera waar ze zijn toespraak aan het analyseren zijn.

02.30 Mijn man stormt de kamer binnen. “Het ziet er slecht uit. Saif Khadaffi voorspelde daarnet burgeroorlog. De mensen zijn in paniek. Wil je naar Ierland?” Ik was nog niet klaarwakker, maar ben het nu wel. Ik voel de angst door mijn lichaam stromen. Ik zet de computer aan in de hoop dat we op het internet geraken. Sinds vrijdag is onze verbinding afgesloten. Tot onze grote verbazing werkt het internet. We moeten efficiënt handelen, want elk moment kan de verbinding opnieuw uitvallen. Ik stuur mails naar mijn familie met de simpele boodschap: “We zijn veilig.” Ik laat hen weten dat alle internationale telefoonlijnen plat liggen en dat onze mobiele telefoons geblokkeerd zijn. Ik probeer in te loggen op Facebook, maar dat lukt niet. Afgesloten door de overheid.

03.00 Ik check de website van de Ierse ambassade. Ik registreer mezelf en word een beetje kalmer. We zoeken vluchten naar Ierland, proberen te achterhalen of de luchthaven in Tripoli nog werkt. We realiseren ons plots dat mijn man geen geldig visum heeft om Libië te verlaten. Ik typ een lange mail naar de ambassadeur waarin ik onze situatie uitleg.

07.00 Vier uur lang brengen we achter de pc door met het mailen naar vrienden en het voorbereiden van onze vlucht. Dan is het tijd voor het ochtendgebed. Dat brengt me tot rust.

09.00 In paniek wegvluchten lijkt ons niet meer zo verstandig. De rit naar Tripoli duurt sowieso vier uur. We besluiten nog even af te wachten. Ik probeer een beetje te slapen.

12.00 Mijn schoonmoeder serveert fsinz, Libische donuts vers uit de oven. “Zo heb je ze het liefst”, zegt ze. We eten fsinz omdat alle bakkers en winkels in de stad gesloten zijn. In de straten is het akelig stil. Ik probeerde gisteren geld af te halen in de bank, maar geen enkel kantoor was open en alle automaten waren leeg.

14.00 Mijn man gaat de stad in om onze laatste Libische dinars in euro’s of dollars te wisselen. In de stad is alles rustig. Geen betogers, geen explosies. De dinar is buiten Libië waardeloos; het is zelfs een misdaad om Libisch geld mee de grens over te nemen. Na een paar uur keert hij terug. Zonder euro’s, zonder dollars.

18.00 We hebben geen geld en beseffen dat we niet snel weg zullen geraken.We praten urenlang. Hoe raakt mijn man zonder visum het land uit? We zijn een nieuw huis aan het bouwen en leven in een flat naast mijn schoonouders. Zij zijn me evenveel waard als mijn eigen ouders. Moeten we alles in de steek laten?

24.00 Als we in bed liggen, staat ons besluit vast: we blijven. Ik wacht op de verlossende slaap die niet wil komen.

Foto: Asmaa Wagiuh
Tekst: Jan Stevens