De lokroep van deeltijds werk

Onze arbeidsmarkt kent meer hooggeschoolden dan ooit. Maar helaas: tegelijk keren meer en meer van die hoogopgeleiden – en dan vooral vrouwen – een voltijdse job de rug toe. Een evolutie die sommige  economen met lede ogen aanzien. “Deeltijds werken is verslavend.”

Ze bestaan, en ja, ze komen steeds meer voor, hoogopgeleide vrouwen die een carrière naar het tweede plan duwen. Ze besteden meer tijd en energie aan hun gezin, vrijwilligerswerk of willen het gewoon rustiger aan doen. Werk en leven in balans krijgen, het is een bekend verhaal. En vaak is deeltijdse arbeid dan een geknipt middel om toch nog actief te blijven.

Zo’n 42 procent van de Belgische vrouwen werkt deeltijds, tegenover 8,4 procent van de mannen. Hoe hoog het percentage ook mag lijken, Europese koplopers zijn ze daarmee bijlange niet. In Nederland werkt meer dan driekwart (76 procent) van de vrouwen deeltijds, in Zwitserland 60 procent en in Duitsland ligt hun aantal op 45 procent. Ons land scoort stevig boven het Europese gemiddelde (32 procent), maar wereldwijd is er in landen als Japan, Australië en het Verenigde Koninkrijk een hoger percentage deeltijds werkende vrouwen. Alleen in de Verenigde Staten ligt het aandeel lager: uit gegevens van de Bureau of Labor Statistics blijkt dat in de VS in 2009 zo’n 26 procent van de werkende vrouwen deeltijds aan de slag was.

Het aantal deeltijds werkende vrouwen zit in de lift. Zelfs met een percentage dat naar Europese normen al vrij hoog ligt, stijgt het aantal deeltijds werkende vrouwen in België tussen 2001 en 2010 sneller dan mannen. Het is dus behoorlijk paradoxaal: meer vrouwen dan ooit volgen hogere studies – meer dan de helft van de Vlaamse vrouwen komt hooggeschoold op de arbeidsmarkt - maar ze bedanken in grote getale voor een voltijdse job. Doodzonde van het talent én van de investering die de maatschappij deed? Of is deeltijds werken in tijden van crisis eerder bittere noodzaak? Marc De Vos, directeur van denktank Itinera: “De crisis speelt uiteraard een rol, maar dat veel vrouwen voor deeltijds werk kiezen, is niet abnormaal. Door de last van het moederschap is de combinatie van werken en leven niet zo evident. We mogen blij zijn dat deeltijds werken bestaat, zodat vrouwen actief blijven op de arbeidsmarkt. Op zich een goeie zaak, maar het bedroevende is dat ze in deeltijds werk blijven steken, ook nadat de kinderen al groter zijn. Daar merk je dat er sprake is van een zekere gewenning. En dat is zeker géén goeie zaak.”

Nederland spant de kroon

Dat deeltijds werk er voor kan zorgen dat meer vrouwen actief blijven op de arbeidsmarkt, was het idee achter de beslissing van de Nederlandse overheid om in de jaren negentig speciale fiscale voordelen te voorzien om het te stimuleren. Vandaag heeft het land een ongezien groot aantal deeltijds werkende vrouwen. En dat aantal blijft nu al jaren stabiel. Meer zelfs: uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat slechts 4 procent van de Nederlandse vrouwen een voltijdse job wil. In Duitsland is dat 15 procent, in Frankrijk en Spanje 30 procent. “Dat verbaast me niet. Voltijds werken, dat vinden wij Nederlandse vrouwen wel héél erg veel”, zegt Wil Portegijs, die bij het SCP onderzoek doet naar deeltijds werken. “De overheid zette jaren geleden in op deeltijds werken om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten, wat ook gelukt is. Nederland heeft een vrouwelijke werkgelegenheidsgraad van 71,5 procent, de op één na hoogste in Europa. De schaduwzijde, als je het zo kan noemen, is dat het vooral om deeltijdse arbeid gaat. Maar intussen probeert de overheid daar nu verandering te brengen, omdat wij ook hier met de vergrijzing van de bevolking te maken krijgen. Zonder succes. En dat mag ook niet verbazen: Nederland is een rijk land en de meeste gezinnen komen makkelijk rond met anderhalf inkomen. Waarom zouden ze dan veranderen? Bovendien zijn er hier ook veel deeltijdse banen voor hooggekwalificeerde mensen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld in het zuiden van Europa of misschien elders in de wereld. Ik vermoed dat er in België, Duitsland of Zwitserland ook meer hooggekwalificeerde deeltijdse jobs zijn.”

Op Europees niveau is de trend in ieder geval duidelijk: deeltijds werken bij vrouwen zit de jongste tien jaar in de lift. Niet spectaculair (+3,5 % tussen 2001 en 2010 in de EU 27), maar toch. Het is een contrast met de VS, waar het aantal sinds enkele decennia lager is en ook stabiel blijft. Wil Portegijs: “Ik heb geen goed zicht op de reden van die trend. Het is ook moeilijk om daar een lijn in te trekken: de Europese landen verschillen onderling heel erg in arbeidsmarktbeleid. Eén mogelijke verklaring is dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in het algemeen stijgt. Duitsland en vooral Zwitserland zitten al een beetje in de buurt van het Nederlandse cijfer. Ook daar hebben mensen wellicht voldoende aan anderhalf inkomen. Ik denk sowieso dat in het buitenland veel mensen jaloers kijken naar het hoge aantal vrouwen dat in Nederland deeltijds werkt. Dat is een luxesituatie. Maar de keerzijde is dat we die luxe niet graag uit handen geven. Deeltijds werken is verslavend.”

Vergrijzing als spelbreker

Marc De Vos: “Het is vooral een probleem van mentaliteit. Deeltijds werken is een kwestie van gewenning, en niet van een bewuste keuze. Dat geldt voor onze arbeidsmarkt, maar wellicht ook voor veel andere landen in Europa. Van mij moet niet iedereen mordicus voltijds gaan werken, maar je kan wel mechanismen voorzien die ervoor zorgen dat je vlotter terug voltijds gaat werken eens de kinderen een bepaalde leeftijd hebben. Als je de cijfers voor Duitsland, Frankrijk en Spanje bekijkt, zie je dat daar ook behoefte aan bestaat. Het probleem bestaat ook aan de kant van de werkgever: er wordt te weinig creatief omgegaan met voltijds en deeltijds. We zitten met gestandaardiseerde patronen, waardoor we kansen missen. Bij de hervorming van de pensioenen kan je maatregelen nemen om deeltijds werken te ontmoedigen, bijvoorbeeld. Of je kan fiscale maatregelen nemen. Of ervoor zorgen dat de opvang veel beter voorzien is dan nu het geval is. Als we niets doen, creëeren we een arbeidsmarktprobleem: het vrouwelijk talent kan niet doorgroeien, en daar betalen we met zijn allen de rekening voor. Door de vergrijzing hebben we al het talent nodig dat we kunnen gebruiken.”

Portegijs: “Het staat voor mij vast dat je met de nodige ingrepen ervoor kan zorgen dat vrouwen meer voltijds gaan werken. Fiscale ingrepen bijvoorbeeld, zoals gebeurde in de jaren ’90, toen deeltijds werken gepromoot werd. Deeltijds werken vergroot de arbeidsparticipatie, maar het wordt een probleem als het daar bij blijft. Zeker als je ziet dat het probleem zich stelt in landen waar de vergrijzing het hardst toeslaat.”

Bekijk de statistieken over deeltijds werken