De geschiedenis van onze vakantie

Het begon allemaal met God die de zevende dag rustte na de creatie van onze wereld.

In de middeleeuwen reglementeerden de ambachten en de gilden de werktijd heel sterk. De kerkelijke kalender domineerde de vrije tijd.

In de tweede helft van de negentiende eeuw waagden de nieuwe rijken zich aan de eerste toeristische trips. Vakbondsleiders hielden de eerste pleidooien voor een jaarlijkse vakantie.

1900: de arbeiders van de metro van Parijs krijgen de eerste officiële vakantie in Frankrijk: 10 dagen.

1901: de Britse vrouwen en minderjarigen hebben recht op zes dagen vakantie. Dit idee verspreidt zich via sectorakkoorden in de Engelse fabrieken.

1921: de meerderheid (85%) van de Duitse arbeiders en bedienden geniet van een betaalde vakantie.

Vanaf 1920 voerden enkele grote fabrieken in het Antwerpse enkele dagen vakantie in. Autofabrikant Minerva was de eerste die dit recht toekende, snel gevolgd door andere fabrieken zoals Gevaert, Bell en de diamantsector.

1925: minister Anseele geeft de spoorarbeiders acht dagen vakantie.

1936: het Franse Front Populaire van Léon Blum plooit na zware stakingen en vaardigt een algemene vakantie uit voor alle werkenden (de ‘congé payé’)

1936: onder druk van wilde stakingen, onder meer van de dokwerkers, gaat de Belgische regering Van Zeeland akkoord met zes vakantiedagen.

1938: het recht op vakantie wordt uitgebreid tot alle Belgische werknemers.

1947: het vakantiegeld dat in 1937 voor het eerst werd toegekend, wordt verdubbeld, want het volstond niet.

1952: invoering van de anciënniteit: met de klimmende leeftijd krijgt u recht op meer vakantiedagen.

1963: invoering van een derde vakantieweek

1971: begin van de invoering van de vierde vakantieweek.

1983: de werkweek wordt verminderd van 40 tot 38 uur. In plaats van vrijdag vroeger naar huis te rijden, kiezen de Belgische werknemers massaal voor tien dagen extra vakantie.