De 24 uren-economie kan je gezondheid schaden

Even de mailbox checken voor het slapengaan of ‘s avonds laat nog een dringend sms’je beantwoorden: nog nooit liepen werk en privé zo door elkaar als vandaag. En in de toekomst wordt de muur tussen beide nog meer geslecht, voorspelt organisatiepsycholoog Frederik Anseel.

Het gaat er op het eerste gezicht ontspannen aan toe op de vakgroep van de UGent waar Frederik Anseel het hoofd van is. Wie daar zin in heeft, mag op een doordeweekse dag op de fiets springen en zich enkele uren in het zweet werken met enkele collega’s. Of even gaan winkelen. Maakt niet uit. Zolang het werk gedaan raakt en de resultaten er liggen. Een sterk staaltje van flexibel werken én een blik op hoe het er in de toekomst steeds vaker zal aan toegaan, volgens Anseel. Al is flexibiliteit uiteraard ook nu al aan de orde. Want wie in de kenniseconomie meedraait, moet vaak ‘s avonds en in het weekend werken of beschikbaar zijn. “Klopt, maar ik sta wat sceptisch tegenover de manier waarop er vaak over de 24-uurseconomie gesproken wordt. De economie draait 24 uur, maar dat wil nog niet zeggen dat wij er fulltime mee bezig zijn. Je kan het werk vaak zo inrichten dat alles blijft draaien, ook als je er niet bent. Er zijn natuurlijk ook jobs waar dat niet zo makkelijk ligt. Jobs waar je in ploegen moet werken, bijvoorbeeld: dat is enorm belastend, zowel lichamelijk als geestelijk. Daar bestaan veel studies over. De verklaring is puur fysiek: je gaat tegen je bioritme in.”

Meer controle tegen stress

Nochtans lijken ze daar in Azië niet wakker van te liggen – letterlijk noch figuurlijk. Het werkritme ligt er in vergelijking met Europa verschroeiend hoog. Anseel knikt. “Als je in Azië geweest bent, raak je vanzelf onder de indruk van wat daar gebeurt. Hun gedrevenheid is enorm groot. Dat ritme is voor hen fysiek en mentaal evengoed belastend, maar ze nemen dat er bij. Wie dat ziet, denkt: wij zijn het verloren continent. Zeker als je ziet hoe vlug jonge mensen bij ons eisen stellen. ‘Dit wil ik niet doen, en dit ook niet.’ Wat een contrast met Azië. Daar zijn jongeren tot alles bereid. Ze willen hard werken, zijn heel intelligent en hoog opgeleid. Aan de andere kant: we zeggen al zo lang dat we voorbijgestoken zullen worden. We zeiden dat ook van Japan in de jaren tachtig. In Azië hebben ze voorlopig ook minder hoge eisen op vlak van levenskwaliteit. Vroeg of laat komt dat er wel van, denk ik. Vraag is hoe wenselijk het is om hen te kopiëren. Want vergis je niet: meer welvaart leidt vanaf een bepaald niveau niet tot meer geluk. De gelukscijfers zijn in China verre van schitterend. We moeten dat model dus niet per se overnemen, maar ik weet wel dat als we te conservatief blijven vasthouden aan ons maatschappelijk en economisch model van 100 jaar geleden, we in de problemen zullen komen.”

In de praktijk staat ons model al onder druk, niet alleen door de groei in Azië, maar net door de vraag van menig werkgever om ook buiten de kantooruren beschikbaar te zijn. Vraag is wat de gevolgen daarvan zijn. Is meer stress de onvermijdelijke prijs die we betalen? Frederik Anseel: “Nee, niet noodzakelijk. Stress heeft in grote mate te maken met een gebrek aan controle. Wie zich hoger in de hiërarchie bevindt, werkt wel meer uren, maar heeft ook meer controle over wanneer hij/zij werkt, hoeveel werk hij/zij doorschuift naar iemand anders, … . Door die controle kan je veel meer aan. De boodschap aan werkgevers is dus: geef je werknemers meer controle.”

Flexibiliteit in beide richtingen

In de toekomst zullen werkgevers zich verplicht zien om die flexibiliteit toe te staan, zegt Anseel. “Eens de crisis voorbij dreigt een enorme schaarste op de arbeidsmarkt. Werknemers zullen in een luxesituatie zitten, zeker als ze in een knelpuntberoep zitten. Als ze die flexibiliteit niet krijgen gaan ze ze elders zoeken. Het is de logica zelve. De manier waarop onze arbeidsmarkt nu georganiseerd is, dateert van honderd jaar geleden. We leven nu in een andere wereld. Werk en privé lopen veel meer door elkaar. Werkgevers verwachten dat ook, maar dan moet het ook in de omgekeerde richting werken. Werknemers moeten in de namiddag een uurtje weg kunnen om boodschappen te doen of om van het mooie weer te profiteren. Dat heeft alles te maken met dat gevoel van controle: geef mensen de vrijheid om hun uurrooster zelf in te delen, dan ondervinden ze ook minder last van de flexibiliteit die je als werkgever verwacht.”

Klinkt allemaal mooi in theorie, maar wie is daar klaar voor? En vooral: hoe valt dat praktisch allemaal te organiseren? Want stel: een klant belt en een collega moet hem meedelen dat de persoon die hij zoekt even gaan fietsen is. Niet echt professioneel. Anseel: “Dit soort opwerpingen zijn typisch als je met iets nieuws op de proppen komt. Praktische problemen kan je oplossen, zo simpel is het. Toen Frank Van Massenhove flexibel werken introduceerde op de FOD Sociale Zaken en alles digitaliseerde, zeiden velen mensen ook dat het onmogelijk was. Maar het is ‘m gelukt. Mensen kunnen er werken waar en wanneer ze willen. We zijn er ook technologisch meer dan ooit klaar voor om die hervormingen door te voeren. Alles is er om mensen meer controle en autonomie te geven.” De conclusie is dus dat een goeie ‘worklife’-balance dus niet haaks op de 24 uurseconomie staat, zoals vaak gevreesd wordt? “Nee, absoluut niet. Bij een machine die 24 uur moet draaien, ligt het moeilijker, dat geef ik toe. Maar het is ook daar zeker haalbaar.”

Generatiekloof

Anseel is ervan overtuigd dat bedrijven bereid zijn om die flexibiliteit te geven aan hun werknemers. Al zit daarbij ook een generatiekloof in de weg, geeft hij toe. “Ik merk hier op onze vakgroep dat de oudere generatie het moeilijker heeft met die kentering. Jongeren zijn daar helemaal anders in. Zij willen hard werken, maar evenzeer genieten. Maar goed: de meeste bedrijven zijn er bekommerd om hoe ze mensen kunnen motiveren en zeker vermijden hoe ze hun beste mensen verliezen. Ze weten dat hun beste mensen vaak degenen zijn die zichzelf tot bepaalde limieten drijven. Het is een kwestie van een nieuwe balans vinden tussen werk en privéleven. Dat is een beetje zoeken en aftasten. Maar het is wel een balans waarbij werk en privé meer door elkaar lopen. Bedrijven zijn er zich ook wel bewust van dat de verantwoordelijkheid ook bij hen ligt, door de bedrijfscultuur: hoeveel druk leg je impliciet op om ook ‘s avonds en in het weekend beschikbaar te zijn?”

“Niet alle bedrijven zijn er klaar voor, en de vakbonden al helemaal niet. Zij reageren conservatief. Hun macht zou door die doorgedreven flexibiliteit in het gedrang komen, maar waarom zou dat? Waarom zou je niet collectieve rechten kunnen verdedigen via algemene principes? Vakbonden klampen zich vast aan het eenheidsdenken: er is één goeie manier om een job te organiseren. Maar zo maken ze zichzelf overbodig. Ze houden vast aan principes van een eeuw geleden. Bedrijven moeten een beleid op maat uitwerken, en zo mensen motiveren. En daar moeten ook de vakbonden zich aan aanpassen.”

Terug naar het hoofdartikel

Tekst: Filip Michiels en Dominique Soenens