Cover: Arm Wallonië: fictie of keiharde realiteit?

We trokken de boer op en gingen aan de andere kant van de taalgrens praten met een aantal actoren die vanuit hun eigen werkomgeving en expertise een bevoorrechte kijk hebben op Wallonië anno 2010.  Dat leverde best een aantal verrassende uitspraken en visies op.

DE ARBEIDSMARKTCIJFERS: WEINIG FLORISSANT…

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het scherpe debat over de dreigende verarming van Wallonië als gevolg van een verdere staatshervorming is een non-discussie. Althans, dat vindt Etienne De Callataÿ. Hij is hoofdeconoom bij Bank Degroof en kan bezwaarlijk van radicaal Vlaamse sympathieën worden verdacht. Het arme Wallonië is volgens de topeconoom al lang geen dreiging meer die als een zwaard van Damocles boven de communautaire onderhandelingen zweeft, het is een feit. Hij zwaait ook met een aantal recente Eurostat-statistieken om zijn beweringen hard te maken. Zo heeft het Waalse gewest vandaag (2009) een activiteitsgraad van amper 63 procent, in Vlaanderen is dat 69 procent. En terwijl het BBP per inwoner in Wallonië in 1996 nog op 75% van het Vlaamse niveau lag, was dat in 2007 zelfs gezakt tot een rampzalige 71 procent. Ook de werkloosheidsstatistieken geven een weinig florissant beeld: vandaag zit 15 procent van alle Walen op beroepsactieve leeftijd zonder baan. In Vlaanderen is dat net geen 8 procent.

DE REALITEIT: 5 WALEN MET VISIE GETUIGEN & KIJKEN NAAR DE TOEKOMST

1)    Emmanuel Delloye, Waalse ondernemer

Statistieken, hoe weinig opbeurend ook, zeggen niet alles en het clichématige verpauperde Wallonië lijkt nergens verder weg dan in het statige kasteel van Mélot, op een steenworp van Namen. De klasse en grandeur uitstralende salons op de eerste verdieping bieden een schitterend uitzicht op het fraaie ‘Pays des Vallées” en bij mooi weer doet deze regio veeleer denken aan een rustig hoekje in de Provence. Geen wonder dat ook de Cercle de Wallonie, een trefpunt van Waalse ondernemers en bedrijfsleiders, hier onderdak vond. Een van hen is Emmanuel Delloye, en hij is in meerdere opzichten exemplarisch voor het genre ondernemers dat vandaag over de taalgrens aan de kar trekt. Joviaal, hardwerkend en niet te beroerd om zijn mening te geven. Vele jaren terug stampte hij in de buurt van Namen een eerder traditioneel bedrijf, gespecialiseerd in metaalbewerking, uit de grond. Intussen goed voor 50 werknemers, maar blijkbaar niet voldoende om de ondernemingshonger van Delloye te stillen, want enkele jaren terug stapte hij in een totaal nieuw avontuur bij Lucimed. Deze Luikse spin-off is gespecialiseerd in lichttherapie en telt intussen acht medewerkers. Wallonië is, veel meer nog dan Vlaanderen, een land van kmo’s. Nadat de staalreuzen uit de traditionele industriegebieden rond Luik of Charleroi de voorbije jaren systematisch verdwenen of flink moesten afslanken, bleef het jarenlang oorverdovend stil aan het Waalse industriële front. Sinds kort mikt de Waalse regering resoluut op buitenlandse investeerders, met de intocht van Google in de buurt van Mons als voorlopig hoogtepunt. Een mooi uithangbord, ongetwijfeld, maar er is meer nodig om Wallonië uit het economische dal te doen klimmen beseft ook Delloye.
“Kijk, Walen zijn harde werkers, maar je moet weten hoe hen te sturen en te motiveren. De harde, autoritaire aanpak, dat werkt hier niet. Je moet mensen de vrijheid geven en niet al te veel in strakke structuren stoppen. Het is me de jongste jaren in mijn eigen bedrijven herhaaldelijk opgevallen hoeveel jonge Walen echt van een eigen bedrijf dromen. Daarom is het ook zo jammer dat het economische beleid de laatste decennia daar zo weinig op ingespeeld heeft. Met meer middelen en stimuli in die richting denk ik dat we er hier best wel potentieel is om op termijn naar een soort van Noord-Italiaans economisch weefsel te evolueren, gebaseerd op een almaar groeiend aantal bijzonder dynamische kmo’s. Op voorwaarde dat onze beleidsmakers minder in termen van zware structuren en grote organisaties gaan denken. En dan kom je natuurlijk bij de kern van het probleem: de organisaties of partijen die hier de voorbije jaren een echte machtsbasis uitbouwden, hebben daar weinig of niets bij te winnen. Zij trachten vooral hun verworvenheden en huidige positie te verdedigen. Terwijl de weinig rooskleurige situatie waarin Wallonië zich vandaag bevindt net voor een flink deel toe te schrijven is aan jaren van wanbeleid.”

Bedelstaf

 “Al te vaak verwarden allerlei beleidsmakers generositeit – lees het niet aanvaarden van sociaal onrecht – met naïviteit. Entre bon et bête, il n’y a que quelques lettres de différence, quoi. Wie tegen dat soort politiek in het geweer kwam, werd voor het gemak meteen in het extreemrechtse of ultraliberale kamp geduwd. Toch lijkt er nu stilaan beterschap in zicht. In en rondom Luik bijvoorbeeld groeit stilaan maar zeker een hoogtechnologische ontwikkelingspool. Ondernemen wordt opnieuw voluit aangemoedigd, en ik heb de indruk dat er stilaan een nieuwe generatie politici én vakbondsleiders aangetreden is. De laksheid en gelatenheid uit het verleden lijken stilaan plaats te moeten ruimen voor meer dynamisme, voor een proactieve aanpak op economisch vlak. Toch mogen we ons daarop nog niet al te veel blind staren: Wallonië is een stuk armer dan Vlaanderen, en dat zal ook nog een hele tijd zo blijven. Maar laat ons dat gegeven, en ook het politieke gekibbel erover, wel in de juiste context plaatsen. Zal een Waal die vandaag aan het werk is nu plots 10 of 20 procent van zijn loon zien wegvallen omdat de transfers vanuit Vlaanderen afzwakken of volledig wegvallen? Nee toch, dat is onzin. Als er hier dan al iemand in de klappen zal delen, dan zullen het wellicht vooral die mensen zijn die afhankelijk zijn van een of andere uitkering.”

“Daar staat tegenover dat ik het als ondernemer – en ik sta lang niet alleen met die mening – het elke dag iets minder aanvaardbaar vind dat wij nu al jarenlang aan de bedelstaf zitten en deels afhankelijk zijn van de Vlaamse goodwill. Dat is een kwestie van fierheid, toegegeven, maar nog veel meer van economische vooruitziendheid. Ik zou er dus op aandringen dat Vlaanderen de kraan eindelijk toedraait, zodat we ons lot in eigen handen kunnen nemen en een politieke en economische strategie ontwikkelen die ons op termijn een heel eind verder kan helpen dan de huidige, op bijstand gesteunde koers. En ja, we zullen enkele jaren afzien, maar binnen tien jaar kunnen we dan wel met Vlaanderen onderhandelen vanuit een gelijkwaardige positie. Over wat ons verder nog bindt of scheidt, maar bijvoorbeeld ook over strategieën om samen buitenlandse investeerders aan te trekken. Laat ons dus vertrekken vanuit ons eigen potentieel, vanuit onze sterktes, en stop er ook mee om mensen bang te maken en hen zo in een positie van afhankelijkheid te dwingen. Laat ons een kat een kat noemen: sommige politici en vakbondsleiders hier hebben net bij dat discours decennialang electoraal garen gesponnen. Dat moet veranderen. In die zin kan een tijdelijke verarming nu op langere termijn wellicht zelfs positief uitdraaien. Voor mij draait het economische debat in Wallonië vandaag al lang niet meer rond de vraag of we meer investeringen moeten aantrekken of het bestaande kmo-weefsel verder uitbouwen. Zelfs de meest rabiate PS-er is daar intussen wel van overtuigd. De echte inzet van het debat vandaag is de vrees die bij heel wat mensen en openbare instellingen hier leeft dat hun macht en invloed zullen worden teruggeschroefd. De angst ook dat het discours dat ze jarenlang hebben gehanteerd nu volledig ondergraven wordt. Voor mij is dat het zwaarste gevecht dat we nu zullen moeten leveren. In die zin kan iemand als Bart De Wever zich misschien wel ontpoppen tot een objectieve bondgenoot.”

2) Jean-Marie Constant, voorzitter van de Christelijke vakbond CSC in Wallonië

Twintig kilometer verderop zit Jean-Marie Constant, voorzitter van de Christelijke vakbond CSC in Wallonië, niet meteen op dezelfde golflengte. “We kunnen moeilijk ontkennen dat de economische toestand hier een stuk slechter is dan in Vlaanderen, maar de laatste negen maanden zie ik stilaan licht aan het einde van de tunnel. Dat vertaalt zich concreet in een tragere toename van de werkloosheid, al is het in mijn ogen nog veel te vroeg om van een echt economisch herstel te spreken. Dat gezegd zijnde: we zijn er hier, in de regio Namen-Dinant, veel beter aan toe dan pakweg in Mons of Charleroi. Dat is deels historisch te verklaren, maar het is ook een gevolg van de belangrijke administratieve rol die Namen speelt. Hier werken een pak ambtenaren, en hun aanwezigheid vijlt de scherpste kantjes van de crisis er wat af. Toch vind ik niet dat we de verarming van Wallonië zomaar even kunnen afdoen als een haast tijdelijk fait divers. Wie werkloos is - en dat percentage loopt in bepaalde regio’s toch pijnlijk hoog op - moet vandaag op heel wat vlakken beknibbelen. Dat vertaalt zich dan concreet in een vaak heel gebrekkige huisvesting of in mensen die nog amper dokter of ziekenhuis kunnen betalen. En specifiek naar de arbeidsmarkt toe is het aantal uitzendbanen of jobs met een contract van bepaalde duur de voorbije jaren fors toegenomen. Ook dat is in mijn ogen een factor van sociale instabiliteit.”
De reconversie van oude traditionele bedrijven en industrietakken mag dan stilaan op kruissnelheid komen, het grootste pijnpunt blijft uiteraard de inschakeling – of het gebrek daaraan – van tienduizenden laaggeschoolde werklozen in meer toekomstgerichte bedrijven en sectoren. “Dat klopt,” bevestigt Constant. “Dat probleem stelt zich bijzonder scherp langsheen de as Luik-Charleroi, ooit het industriële hart van Wallonië maar vandaag een regio waar de verpaupering veel harder dan elders toeslaat. Het zogenaamde “Plan Marshall 2.Vert” (een vervolg op het eerste Marshall-plan uit 2005, nvdr) speelt daar zwaar op in via allerlei initiatieven om de woonkwaliteit in de oude industrieregio’s op te krikken en zo, via groene technologieën, ook nieuwe werkgelegenheid te scheppen. Als vakbond vinden we nochtans dat de huidige Waalse regering tekortschiet waar het op de omscholing en opleiding van laaggeschoolde werklozen aan komt. Daar wordt te weinig geld voor uitgetrokken. Meer nog, ik kan de Vlaamse kritiek bijtreden dat het ook veel te lang geduurd heeft alvorens onze politici daar zelfs maar een begin van aandacht aan hebben besteed. Nu, ook onze werkgevers gaan volgens mij zeker niet vrijuit: we zitten hier in Wallonië nog altijd ver onder de Europese norm die stelt dat 2 procent van de totale loonmassa naar vorming en opleiding van de werknemers moet gaan. Hoe je het ook draait of keert: beter opgeleide werknemers zijn een eerste voorwaarde om tot een meer innovatieve bedrijfscultuur te komen.”
Constant steekt niet onder stoelen of banken dat ook de Waalse dienst voor arbeidsbemiddeling Forem flink wat boter op het hoofd heeft. “De Forem moet gewoonweg beter presteren dan ze vandaag doet. In een regio waar langdurige werkloosheid soms bijna de norm is, moet je daar rond ook specifiek actie ondernemen. Forem heeft dat niet of veel te weinig gedaan, en heeft veel te lang vooral gefocust op de jonge werklozen en schoolverlaters, die relatief vlot aan een baan te helpen waren. Veel langdurige werklozen hier zitten al jarenlang zonder werk en hebben elke voeling met de sociale realiteit verloren. Zij moeten in eerst instantie al op dat vlak worden bijgeschoold. Forem heeft die groep werklozen feitelijk opgegeven, en dat was een grote fout. Maar het was ook een politieke keuze, waartegen wij ons als vakbond altijd zwaar verzet hebben. Individuele begeleiding van werklozen moet ook hier de regel worden, een jaarlijks onderhoud van een half uur met iemand die al vijf jaar zonder baan zit, is totaal zinloos. Er liggen nu plannen op tafel, die hopelijk de volgende jaren ook realiteit zullen worden, om elke werkloze jaarlijks minstens vier uur te begeleiden. Dat is voor ons het absolute minimum. De dienstverlening van Forem moet beter én efficiënter, en wellicht moeten er soms ook andere politieke keuzes worden gemaakt.”
"Ik begrijp absoluut de Vlaamse eis voor een regionalisering van het arbeidsmarktbeleid: een andere sociale context vraagt een aangepast beleid, punt aan de lijn. Daar staat wel tegenover dat een beperking van de beschikbare middelen zeker nu een absolute ramp zijn voor ons: nu we stilaan uit het dal kruipen, moeten we net veel meer investeren in de begeleiding van onze werklozen en laaggeschoolde werknemers.”

3) Catherine Biston, coördinatrice van het ‘Maison de l’Emploi’ in Charleroi

Als er één stad is waar alle clichés over Wallonië haast naadloos in elkaar overvloeien, dan moet het wel Charleroi zijn. Decennialang een mekka van de Waalse staalindustrie, maar net zo goed kweekvijver voor smeuïge corruptieschandalen en stad in verval waar werkloosheid en kleine criminaliteit hoge toppen scheren. Al gloort er hier en daar licht aan het einde van de tunnel: vooral rond de luchthaven ontwikkelt zich stilaan een heuse industriële groeipool. Met dank aan Ryanair.
Hartje Charleroi torent het imposante rode gebouw van de Forem, de Waalse dienst voor arbeidsbemiddeling, boven het mistroostig ogende stadscentrum uit. ‘Passer au Forem, c’est passer à l’action’ klinkt het veelbelovend bij de ingang, maar voor al te kritische journalisten ligt dat blijkbaar toch ietwat anders. Pas na anderhalve week aandringen toonde men zich in Charleroi bereid ons te ontvangen voor een interview. En na amper twee vragen wisten we al meteen waar we aan toe waren. “We hebben echt geen zin om de clichés over deze stad nog eens bevestigd te zien, en al helemaal niet om mee te werken aan een verhaal dat rond de verarming van Wallonië draait”, zet woordvoerster Stéphanie Tambour nog even de krijtlijnen uit. Catherine Biston, al vijf jaar coördinatrice van het ‘Maison de l’Emploi’ – een samenwerkingsverband tussen de Forem, het gemeentebestuur en het OCMW - in het vlakbij gelegen Châtelet, toont zich iets inschikkelijker, maar het blijft het hele interview lang op eieren lopen.
“Natuurlijk krijgen we hier een ander publiek over de vloer dan onze collega’s in Waals-Brabant, maar wie ben ik om te zeggen dat zij er financieel of materieel gezien slechter aan toe zijn? Wat mij wel opvalt, is dat de werklozen die wij begeleiden, en wij werken voornamelijk met jongeren, doorgaans hoogstens een diploma secundair onderwijs op zak hebben. Hun scholingsgraad ligt dus eerder laag en dat vertaalt zich in een relatief hoge structurele werkloosheid. Nogal wat jongeren die zich bij ons aanbieden, komen in eerste instantie zelfs niet in aanmerking voor de arbeidsmarkt, omdat hun profiel en achtergrond gewoonweg te weinig aansluiten bij wat werkgevers verwachten. Hen moeten we dus eerst een soort vooropleiding laten volgen, die gemiddeld 18 maanden duurt. Daarnaast merk ik ook dat heel wat jonge werklozen die bij ons over de vloer komen zich weinig mobiel tonen, maar het lijkt me een brug te ver om dat nu meteen toe te schrijven aan armoede of financiële problemen. (fijntjes) Er bestaat hier overigens ook openbaar vervoer, en ik laat niet na om die jongeren daar dan ook op te wijzen. Paradoxaal genoeg blijken ook de subsidies waarop werkgevers aanspraak kunnen maken als ze bepaalde categorieën van werklozen aanwerven soms een struikelblok. Sommige werklozen vallen uit de boot eens de potentiële werkgever hoort dat hij of zij niet in aanmerking komt voor subsidies.
Op de vraag of werkzoekenden zich ook een aantal keren per jaar verplicht moeten aanmelden bij de Forem volgt een lange stilte. “Niet echt, al gelden er natuurlijk verschillende afspraken in functie van de leeftijd en de duur van de werkloosheid”, klinkt het uiteindelijk. “Met werkloze schoolverlaters bijvoorbeeld hebben wij het eerste jaar gemiddeld een viertal keren contact. Dat wil niet zeggen dat zij hier ook vier keer over de vloer komen, want contacten per mail of telefonisch tellen daarin uiteraard ook mee. Nu, na zekere tijd worden werklozen sowieso ook gecontacteerd door de RVA, die dan de fakkel overneemt.”
 
Om en bij de 40 procent van de Waalse werklozen zit al minstens twee jaar zonder baan. Zowat alle arbeidsmarktspecialisten zijn het er over eens dat het dan bijzonder lastig wordt om iemand nog klaar te stomen voor de arbeidsmarkt, maar in Charleroi doen ze daar toch nog een schepje bovenop. “Die doelgroep heeft doorgaans ook mentaal al afgehaakt. Ik geloof niet dat je iemand echt kan motiveren om opnieuw aan de slag te gaan, dat is toch algemeen bekend”, stelt Biston. “We kunnen hen moeilijk in de auto zetten en dan afzetten bij een werkgever. We hebben natuurlijk wel enkele programma’s om die mensen opnieuw op het goede spoor te helpen, maar dat kan natuurlijk nooit een verplichting zijn.”
Het gebrek aan efficiëntie, de vaak al te grote politisering en het tekort aan middelen van de Forem liepen als een rode draad doorheen de gesprekken die we over de taalgrens hadden. In Charleroi voelt evenwel niemand zich geroepen daarop veel commentaar te geven. “Het is niet aan ons om daarover te oordelen,” vindt woordvoerster Stéphanie Tambour. “Ik kan enkel bevestigen dat we een uitgebreid gamma aan programma’s en initiatieven in stelling brengen om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.” Klopt de bewering van CSC-voorzitter Jean-Marie Constant, als zou de Forem vandaag gemiddeld niet meer dan een halfuur per jaar voor elke werkzoekende kunnen uittrekken, dan niet? “Dat lijkt me bijzonder sterk,” klinkt het bij Cathérine Biston. “Voor het eerste onderhoud met werkloze jongeren trekken we al zowat één uur uit.”
“In het kader van de individuele begeleiding van werkzoekenden zijn we vandaag hoe dan ook volop aan het investeren in de rekrutering van nieuwe consulenten. Dat beleid is wel pas begin 2010 echt op kruissnelheid gekomen, dat klopt. Of dat ook betekent dat we tot nog toe niet over voldoende geld beschikten en nu dus meer centen moeten krijgen, dat is een andere kwestie. Een herschikking van het beschikbare budget is immers net zo goed een optie,” aldus nog Stéphanie Tambour. “Vast staat wel dat we in 2011 over een pak meer begeleiders en consulenten zullen kunnen beschikken dan in 2009. Dat is uiteindelijk de essentie.”

4) Jean-Charles Jacquemin, hoogleraar economie aan de universiteit van Namen

“Hét Wallonië bestaat niet. Algemeen gesteld ligt de levensstandaard hier zeker een stuk lager dan in Vlaanderen, maar er zijn grote regionale verschillen. Vooral de oude industriebekkens, rondom Luik, Charleroi of La Louvière zijn er ronduit beroerd aan toe. Flink wat gezinnen daar zijn totaal afhankelijk van sociale uitkeringen. Mocht Wallonië in de toekomst minder geld krijgen uit de federale pot dan zullen de gevolgen vooral in die regio’s vaak bijzonder pijnlijk zijn. Een daling van de sociale uitkeringen met 10 of 20 procent – in het meest extreme scenario – impliceert dan eenvoudigweg dat sommige mensen zelfs de huur van hun sociale woning niet langer zouden kunnen betalen.”
Jacquemin windt er dan ook geen doekjes om: “Het sociale zekerheidsstelsel zoals we dat in België vandaag kennen, is voor Wallonië eigenlijk te hoog gegrepen. Zonder de Vlaamse solidariteit zouden we het systeem in Wallonië niet kunnen handhaven. Om heel eerlijk te zijn: ik vrees dat dit ook de voornaamste reden is waarom we vandaag in Wallonië nog zo sterk aan het Belgische model vasthouden.
Men is hier, en dan vooral in de oude industriebekkens, veel te lang bij de pakken blijven zitten. Jarenlang heeft men zelfs nog geen begin van poging ondernomen om op zoek te gaan naar een succesvol reconversiemodel voor de oude industrie daar. Zo heeft men tienduizenden mensen de facto afhankelijk gemaakt van sociale uitkeringen. En ja, de PS draagt op dat vlak een loodzware verantwoordelijkheid. Electorale overwegingen waren daar niet vreemd aan, als je begrijpt wat ik bedoel, maar vandaag is er beterschap merkbaar. Zowat het volledige politieke spectrum is het er over eens dat we hier absoluut een nieuwe productiebasis moeten creëren. We moeten zeker geen heksenjacht openen op werklozen, maar ik kan weinig begrip opbrengen voor de aarzelende aanpak inzake activeringsbeleid. Ik vrees dat daarbij, op lokaal en regionaal vlak, wél nog politieke belangen of cliëntelisme meespelen. De Forem moet voluit voor vernieuwing durven gaan. In die zin kan ik ook begrip opbrengen voor de Vlaamse vraag naar een ingrijpende hervorming én regionalisering van het arbeidsmarktbeleid.”

Onderwijs

 “De Waalse bijdrage in de totale Belgische pot van de personenbelastingen is niet meer dan 23 tot 24 procent. Dat geeft duidelijk aan dat het gemiddelde inkomen in Wallonië stukken lager ligt dan in de Vlaanderen. Het klopt wellicht ook dat Wallonië er inzake welvaart de voorbije tien jaren nog op achteruit is gegaan, maar dat heeft zeker ook te maken met de uittocht van nogal wat hooggeschoolden. Zij trokken naar Brussel of Luxemburg, en staan dus officieel ook daar geregistreerd als belastingplichtige. De voorbije drie decennia trokken er al 400.000 Walen naar Brussel alleen al. Ergens is dat natuurlijk ook veelzeggend: zij trokken hier weg omdat ze geen baan meer vonden op maat van hun opleiding of financieel verwachtingspatroon. En dan belanden we bij een fundamenteel probleem: Wallonië was en is vandaag blijkbaar niet in staat om een groot aantal hooggeschoolden in eigen regio aan de slag te houden. Ik vrees dat het socialistische beleid van de voorbije twintig jaar daarin niet vrijuit gaat. Grote bedrijven en multinationals werden hier niet altijd met open armen ontvangen, en zo hebben we ongetwijfeld mooie investeringen gemist. We hebben ons ook veel te lang teruggeplooid op een aantal traditionele industrietakken – denk maar aan de staalindustrie – in de hoop dat die zich op termijn wel zouden herpakken, quod non. Vandaag lijkt het tij op dat vlak te keren, maar het is niet omdat je Google binnenhaalt en je internationaal beter verkoopt dat plots alles verandert. Er komt stilaan een nieuwe dynamiek op gang, maar dat vraagt heel veel tijd.”
Volgens Eurostat ligt het BBP in Wallonië vandaag op amper 71 procent van het Vlaamse BBP. Een gigantisch verschil, en dat vertaalt zich volgens Jacquemin op allerlei vlakken. “Er is de koopkracht, die hier heel wat lager ligt. Ik kom voldoende vaak in Vlaamse centrumsteden om het verschil in het straatbeeld te zien: luxewinkels zijn in Vlaanderen gewoonweg stukken beter vertegenwoordigd dan in Vlaanderen. Maar er is ook een structurele impact. Neem nu bijvoorbeeld de financiering van het onderwijs. In vergelijking met Vlaamse universiteiten moeten wij het hier met een veel kleiner onderzoeksbudget stellen. En dat geldt ook voor het lager en secundair onderwijs: de financiering van het Franstalig onderwijs was niet voor niets jarenlang één van de heikele punten in het communautaire debat. En laat nu net dat onderwijs één van de meest essentiële hefbomen zijn voor de hele economische heropleving van deze regio.”

5) Pierre Goossens, socioloog, econoom en diensthoofd personeelsdienst Christelijke mutualiteit:

“In een stad als Charleroi worden onze sociale diensten letterlijk overspoeld,” vertelt CM-topman Pierre Goossens. “Rode draad in dat soort probleemregio’s is dat we er echt een opeenstapeling van allerlei sociale problemen vaststellen. De mensen cumuleren er financiële, echtelijke en gezondheidsproblemen, waardoor de bestaande structuren de vraag vaak niet kunnen volgen. Dat is vandaag het gezicht van de armoede in Wallonië, of tenminste in bepaalde regio’s. Het meest problematische aspect daarvan is dat dit soort mensen finaal ook hun sociaal kapitaal verliezen en dus ook almaar moeilijker inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt. Lokale politici kozen daarbij decennialang voor de gemakkelijkste oplossing: ze boden allerlei sociale bijstand aan op korte termijn, in ruil voor een stem bij de eerstvolgende verkiezingen. Dat patroon moeten we durven doorbreken, we moeten opnieuw op lange termijn durven werken. In die zin komt de vraag vanuit Vlaanderen naar een diepgaande hervorming van bijvoorbeeld de financieringswet nog net iets te vroeg. Ik ben hoegenaamd niet gekant tegen een grotere regionale responsabilisering, maar we hebben nu net iets meer tijd nodig om er economisch bovenop te komen.”
Voor die economische hervorming heeft Goossens ook concrete suggesties. “Het aantrekken van vers kapitaal en nieuwe bedrijven moet een topprioriteit zijn. Waarom vormen we de regio Charleroi bijvoorbeeld niet om tot een soort belastingvrije zone, waardoor we wellicht veel sneller nieuwe investeerders zouden kunnen lokken? Daarnaast moeten we veel zwaarder inzetten op het technisch onderwijs, omdat de praktijk hier uitwijst dat jongeren met een dergelijk diploma doorgaans snel een baan vinden. Werklozen moeten ook echt verplicht worden om een geschikte opleiding te volgen. Ik geloof veel meer in het positief effect van dat soort dwingende maatregelen dan in het geleidelijk afbouwen van werkloosheidsuitkeringen. Bijkomend voordeel daarvan is dat werklozen die een opleiding volgen opnieuw in een sociale context worden gedwongen, wat hen aantrekkelijker maakt op de arbeidsmarkt. En dus moet ook de Forem het geweer van schouders veranderen. Vandaag focust die dienst zich nog al te veel op de ‘gemakkelijke’ werklozen, die relatief snel een baan kunnen vinden. Daarmee smukt de Forem dan misschien wel de jaarcijfers op, maar langdurige werklozen vallen vandaag nog veel te veel uit de boot. De Forem kan in die zin ook een waardevolle partner worden in de strijd tegen de armoede in Wallonië, maar dan moeten er resoluut andere beleidskeuzes worden gemaakt.” 

Foto: Isabel Pousset, Tim Dirven, Griet Dekoninck

Gepubliceerd in Vacaturemagazine van 6 november 2010