Brecht Evens (26), de toekomst van de Belgische strip

Hij is een succesauteur. Niet evident, voor iemand die strips maakt. En het moet gezegd: Brecht Evens staat er zelf ook nog altijd van te kijken. “Striptekenaar worden leek me net zoiets als uitvinder, of astronaut. Geen ‘echte jobs’.”

Hij was compleet verrast toen hij hoorde dat hij op de longlist van de Gouden Boekenuil staat. Al denkt hij “geen moment” dat hij eind deze maand ook op de shortlist prijkt, Brecht Evens (26) is gewoon trots, vertelt hij in de sobere woon/tekenkamer van zijn Brusselse appartement. “Mijn ouders zijn in elk geval heel blij. Het is een boek, dus waarom niet? Ik voel me wel heel volwassen nu. Tijd om de afwas wat vaker te gaan doen.”

Evens kan alleen maar zeggen wat volgens hem geholpen heeft om precies te bereiken wat hij wilde. “Een stevig project beginnen en dat ook afmaken bijvoorbeeld, ook al weet je terwijl je bezig bent dat het niet perfect is. Toch nog proberen te redden wat er te redden valt en het ook afmaken, ondanks alle beperkingen. Ik ben tevreden met mijn werk vanaf het vorige boek, ‘Ergens waar je niet wil zijn’, maar dat was wel mijn vierde strip.”

Astronaut of uitvinder

Als kind nam Evens zijn eigen radioshows op. Knutselde speelgoed en bordspellen in elkaar. Vond ingewikkelde apparaten uit: een installatie met veel buizen bijvoorbeeld om een appel te schillen. En strips tekenen, dat deed hij ook. “Maar striptekenaar worden leek me net zoiets als uitvinder, of astronaut. Geen ‘echte jobs’, te onbereikbaar. Als iemand me vroeg wat ik later wilde worden, antwoordde ik heel ernstig: ingenieur-architect, dat had iemand me vast voorgespiegeld als realistischer alternatief. Later werd dat grafisch vormgever. Stapje voor stapje ben ik dichter gekomen bij wat ik écht wilde doen.”
Tegen zijn zeventiende begon Evens te geloven dat het echt kon lukken om striptekenaar te worden, of dat hij er in elk geval alles zou aan doen om het te proberen. Hij leende een handboek van een vriend om een eigen website te bouwen en werd lid van het stripcollectief Pulpdeluxe, waar hij tekenaar en comedy coach Randall Casaer leerde kennen, die zijn mentor werd.
Toen hij 19 was, organiseerde de Vlaamse Stripgilde een wedstrijd met als hoofdprijs een professionele uitgave van je strip. Evens won. “Het zou een tweejaarlijkse wedstrijd worden, maar ze hebben het nooit meer opnieuw gedaan, want het is te chaotisch verlopen. (lacht) Niemand wist ervan, bijvoorbeeld. Het was belachelijk geluk: ik had toevallig gehoord van die wedstrijd, zes mensen hebben uiteindelijk meegedaan. En wat ik ook leuk vind om te vermelden (grijnst): meteen daarna heeft die bewuste uitgeverij haar stripdivisie opgedoekt.”
Evens haalt zijn debuutalbum uit zijn boekenkast, die volgestouwd is met strips. Het album doet in niets denken aan zijn huidige werk, is meer een ‘traditionele’ strip. “Deze tekenstijl was onaanvaardbaar op het Sint-Lucas in Gent, waar ik toen in mijn eerste jaar zat. Lelijk, grafisch heel erg saai. Van tevoren dacht ik dat ze mij op school niets meer zouden kunnen leren. Dat ze gewoon vol ontzag zouden zeggen: waw, jij kan mooi tekenen. Ik was altijd de beste tekenaar op school, maar op Sint-Lucas was dat plots niet meer zo. Ik snapte niet meteen waar ze het over hadden, dat is pas in het laatste jaar echt goedgekomen. Dus deze eerste strip heb ik buiten schooltijd gemaakt. Maar de echte uitdaging was om dingen te maken die ook op school overeind bleven, bij de kenners. Want ik voelde dat zij een veel breder referentiekader hadden wat illustraties betreft. Ze hebben mij esthetisch inzicht bijgebracht.”

Andere tekenstijl

Evens’ vierde en meest succesvolle stripalbum tot nu toe, ‘Ergens waar je niet wil zijn’, begon als zijn eindwerk op Sint-Lucas. Het album kreeg laaiend enthousiaste recensies, won onder meer de ‘Prix de l’ Audace’ (stoutmoedigheid) op het wereldvermaarde stripfestival in Angoulême en werd – in striptermen – een bestseller, die vertaald is in zes andere talen.

Evens bleek zijn stijl, met dank aan ecoline (aquarelverf, nvdr) en plakkaatverf, succesvol een andere richting uitgestuurd te hebben: “Ik heb niks tegen de term ‘graphic novel’, maar ik vind het nogal een willekeurige term, gebruik het liever niet. Je zou het ‘volwassen strips’ kunnen noemen. In de mijne zitten vaak abstracte vormen, onverklaarbare details die mee het verhaal stuwen, diepte en effect van transparantie, het is meer schilderkunst soms dan strips.”
De reacties waren beter dan voorzien, Evens had meer tegenwind verwacht. “Ik ben blij met de complimenten natuurlijk, maar het zou geen kwaad kunnen voor het medium als er wat meer kritiek kwam. Stripauteurs worden nog altijd niet helemaal als vol aanzien.”
 
Toen het boek af was, had de kersverse auteur plots zeeën van tijd. “Ik had er niet over nagedacht wat ik daarna ging doen. Ik had geen methode, nog altijd niet. Wat is dan een ‘professioneel auteur’ zijn? Je staat op, ontbijt en gaat weer achter de tekentafel zitten. Inspiratie komt sneller als je daar trouw blijft zitten. Zonder juf of deadline, zin of niet. Ik voel me ook mentaal gezonder als ik met een project bezig ben, want dan heb ik een plek in mijn hoofd waar ik heen kan gaan met mijn gedachten.” In oktober vorig jaar bracht hij ‘De Liefhebbers’ uit, dat zo mogelijk nog meer bejubeld werd dan zijn voorganger.
 
Op zijn bureau ligt een pas gemaakte, kleurige schildering. “Ik houd momenteel mijn hand een beetje ‘wakker’. Ik weet nog niet wat ik nu wil gaan doen. Ik ben maar een beetje aan het schrijven, een beetje aan het tekenen. Afwachten wanneer er dingen in mekaar beginnen te vlechten. Zo ging het de vorige keer ook: kleine notities, gedachtespinsels, tekeningetjes en opeens begint alles in elkaar te vloeien tot een scenario.”
 
Er is één tekenaar die hij enorm bewondert: “Olivier Schrauwen, misschien de beste striptekenaar die er is. Hij woont in Berlijn, maar toevallig is het een Vlaming. Hij loopt wat minder in de kijker dan ik, omdat hij zich wat verstopt. Dan geeft hij een nieuw boek uit en verandert hij zijn naam een beetje, dat soort dingen. Geen enkel respect voor Google, geen enkele wil tot zelfpromotie (glimlacht). Ik snap hem eigenlijk wel. Al die dingen die niet het werk zelf zijn, hebben een negatieve invloed. Reizen en prijzen en toestanden leiden af en zouden er allemaal kunnen voor zorgen dat je later aan je tekentafel zit met de foute missie. Dat je te veel denkt aan wat het publiek eerder smaakte bijvoorbeeld. De laatste tijd praat ik meer over mijn strips dan dat ik er maak.  Dus ik denk dat het heel slim van Olivier is om zich wat af te zonderen. Hij maakt in elk geval steeds betere dingen.”