"Betrapt worden met je hoofd tussen de kopieermachine is slecht voor je imago"

Elk week geeft columniste An Olaerts haar ongecensureerde kijk op de arbeidsmarkt en de wereld ver daarbuiten. Slachtoffer van dienst deze week: de kopieermachine.

De koppijn slaat langs je oogkassen naar binnen, kletst tegen je schedeldak, schraapt achterwaarts door de bocht tot in je kruin en botst daarna frontaal terug in je voorhoofd. Klang. Tsjing. Knots. Zo hard dat je denkt dat je wenkbrauwen zullen loslaten. Ten slotte krijg je nog één snerpende steek in het diepste binnenste van je hersens. Het is alsof het reptiel in jezelf heel even zijn gele oogje opendoet. Gelukkig keert de rust daarna direct weer. Al bonst je kop gemiddeld nog een kwartier verder, blijft de lamp achter je ogen branden. Het hoort er allemaal bij. Voor de magie van een kopieermachine moet een mens wat overhebben.

Ik kan het weten. Ik ben opgegroeid in een zeer vooruitstrevend gezin. Wij hadden thuis namelijk een kopieermachine. Intussen is iedereen voorzien van alle toeters en bellen, maar vroeger was een  kopieermachine een curiosum. Als je vader een kopieermachine had, kon je daar op de lagere school behoorlijk mee uitpakken. Doordeweekse vaders hadden geen kopieermachine. Die moesten  kopies pikken op hun werk. Of hun kinderen naar het copycenter sturen. Maar zo gewoon waren wij dus niet. Wij hadden zélf een kopieermachine. Het stond op het bureel van mijn vader. Op  regenachtige zaterdagen (mama naar de bakker, papa nog in bed) wilde dat weleens tot kleine experimenten leiden.

Intussen weet ik uit goede bron (het internet!) dat sommige collega's ook soms met de kopieermachine spelen. Zij gaan bij voorkeur zonder onderbroek op de glazen kopieerplaat zitten. Bijvoorbeeld om andere collega's te verbazen met een scheefgezakt geslachtsdeel. Dat heb ik nooit gedaan. Ten eerste was ik in de tijd slechts matig seksueel onderlegd. Ten tweede was het praktisch bekeken een gevaarlijk plan. Mijn vader had immers een kopieermachine met bewegende delen. Als je op het knopje duwde schoof het deksel van links naar rechts en terug. Het had geen zin om daar op te gaan zitten. Het glas zou breken. De boel zou kantelen.

Je wang op het glas leggen, het deksel dichtdoen, op de tast naar het knopje zoeken en vervolgens heel stilletjes van links naar rechts met de machine meewandelen was al moeilijk genoeg. Bovendien moest ik tegelijk naar de kraak van de trap en de kriep van de kelderdeur luisteren. Voor het geval dat vader opstond of moeder thuiskwam. Betrapt worden met je hoofd tussen de kopieermachine is funest voor je imago. Op zijn zachtst gezegd. Eens iemand je boterhamgewijs tussen een kopieermachine heeft zien zitten is het met je geloofwaardigheid voorgoed afgelopen.

Om nog te zwijgen over collega's die tijdens de middagpauze hun piemel onder het deksel leggen. Of collega's die staan te bukken om hun boezem gefotokopieerd te krijgen. Nadien dragen alle kopies overigens allemaal hetzelfde wazige watermerk. Want denk maar niet dat er iemand van de olijke koddigaards ooit de moeite neemt om de kopieerplaat te zemen na gebruik. Fatsoen is niet meer van deze tijd. Trouwens in moderne tijden en zonder bewegende delen zijn kopies sowieso geen opgave meer. De magie van de kopieermachine is weg. Alleen de schele koppijn is gebleven. Zeker bij de aanblik van twee verkreukelde tepelhoven in de papiermand. Dan schiet de treurnis via de oogkassen toch weer naar binnen.