Belgisch-Singaporese alliantie verkleint lokale afvalberg

Goed leefbare megasteden lokken niet enkel nieuwe bedrijven, ze dwingen bedrijven ook om innovatief uit de hoek te komen en zo nieuwe business te genereren. In een hoogtechnologische installatie in een uithoek van de stad werkt het Belgisch-Singaporese Keppel-Seghers de lokale afvalberg mee weg.

Dagelijks 800 ton afval verwerkt

Hooguit 200 meter verderop blinkt de zee, maar echt idyllisch kan je het plaatje bezwaarlijk noemen. Een weeë geur van huishoudelijk afval waait ons zelfs al in de taxi tegemoet en bij de bedrijfspoort rijden vrachtwagens met afval en smurrie in alle maten en kleuren af en aan. De gloednieuwe site van Keppel-Seghers ligt een tiental kilometers buiten het echte stadscentrum van Singapore, op een stuk land dat de voorbije jaren gewonnen werd op de zee. Dagelijks wordt hier 800 ton huishoudelijk en industrieel afval verwerkt. In een eerste fase wordt het op een temperatuur van ruim 800 graden verbrand in een gigantische oven, waarna onder meer het metaalafval gerecycleerd wordt. “Daarna, en daarin zit natuurlijk het vernieuwende van deze technologie, gebruiken we de hitte die bij de verbranding vrijkomt om stoom en vervolgens ook elektriciteit op te wekken”, vertelt algemeen directeur Venkat Patnaik niet zonder enige trots. “De schadelijke uitstoot die bij de verbranding van het afval vrijkomt, wordt door toevoeging van een hele rist chemische stoffen volledig geneutraliseerd. Bovendien wordt de stoom die tijdens het hele proces nog vrijkomt ook afgekoeld en zo opnieuw omgezet in water, zodat er geen druppel water verspild wordt.”

Op de keper beschouwd is de hoeveelheid groene elektriciteit die de nieuwe afvalcentrale produceert, zowat 20 megawatt per dag, nog niet echt om over naar huis te schrijven. Singapore alleen al verbruikt vandaag 4.000 megawatt per jaar. “Dat klopt”, geeft Patnaik ook grif toe. “Alleen is dat momenteel ook niet echt de essentie. Met een oppervlakte van amper 1,6 hectare is dit wel een van de meest compacte vaste afvalverwerkingsinstallaties ter wereld. Vooral dat aspect is extreem belangrijk voor grootsteden, waar de beschikbare grond doorgaans even schaars als duur is. Enkele jaren terug stroomde hier onder onze voeten nog de zee, dat geeft wel aan hoe zuinig we hier moeten omspringen met de beschikbare ruimte. Bovendien is deze fabriek ook nog eens bijzonder efficiënt, met een naar verhouding uitzonderlijk hoog rendement: het stroomverbruik voor het hele verwerkingsproces bedraagt amper 10 procent van wat we uiteindelijk zelf aan stroom opwekken met ons afval. En, last but not least, mochten we onze dagelijkse afvalberg van gemiddeld 7.000 ton hier in Singapore niet op milieuvriendelijke wijze kunnen verbranden, dan zouden we het moeten stockeren. Daarvoor is opnieuw veel plaats nodig - die we hier niet hebben – en op de koop toe komt er dan ook nog eens bijzonder schadelijk methaangas vrij. Voor een grootstad als Singapore is dit dus een van de meest efficiënte en milieuvriendelijke oplossingen op vlak van afvalverwerking die vandaag denkbaar zijn.” 

Marktpotentieel

De nieuwe afvalverwerkingsinstallatie is een treffende illustratie van de expertise en technologische voorsprong die lokale bedrijven in Singapore intussen hebben verworven bij de aanpak van typisch grootstedelijke problemen, op vlak van mobiliteit, waterbeheer of milieutechnologie. Gedwongen door de omstandigheden en door een aantal typisch grootstedelijke beperkingen, ongetwijfeld, maar ook gedreven door een almaar groeiend marktpotentieel. Want hoewel de nieuwe fabriek pas eind vorig jaar werd opgestart, zijn de Singaporezen intussen al volop bezig de technologie in het buitenland te vermarkten. In het golfstaatje Qatar zal binnenkort een gelijkaardige fabriek verrijzen, en in andere steden in de regio zou er ook al flink wat belangstelling bestaan. Als het op de productie van groene stroom uit afval aankomt, is Keppel-Seghers vandaag in China zelfs al afgetekend marktleider met een marktaandeel van 60 procent. “We zitten hier op enkele uren vliegen van China, waar tientallen kuststeden echt uit hun voegen barsten. Voor ons is de wereldwijde verstedelijking een vat boordevol kansen, waar we met een heleboel verschillende innovatieve technologieën trachten op in te spelen”, geeft Patnaik aan.

Een bijzonder ambitieus voorbeeld daarvan krijgt momenteel vorm in het Chinese Tianjin, waar de Chinese en Singaporese overheid de handen in elkaar slaan voor de bouw van een zogenaamde ‘eco-stad’. “Een gigantisch project, op een oppervlakte van 30 km2, waarvan de eerste fase  klaar moet zijn tegen 2015. We krijgen er de kans om gloednieuwe groene technologie te testen, van waterbeheer over milieuvriendelijke stroomproductie tot groene huizen en fabrieken. Al die technologie hopen we later dan ook in tientallen andere steden te implementeren. Tegelijk wordt deze ecostad een enorme sociale uitdaging, want  de stad is zo ontworpen dat de inwoners in principe geen auto meer nodig zullen hebben.”

Hotspot voor hoogopgeleide werknemers

Niet enkel het bedrijf, ook de medewerkers van Keppel-Seghers zijn illustratief voor de wijze waarop Singapore zich in geen tijd heeft opgewerkt tot een leefbare grootstad én economische grootmacht. Van de 40.000 werknemers wereldwijd zijn er ruim de helft in Singapore aan de slag. Onder hen nogal wat buitenlanders, aangetrokken door de hoge levenskwaliteit en het groeiende economische gewicht van de stad. “Tien jaar terug kwam ik met mijn gezin vanuit India naar Singapore afgezakt”, vertelt Venkat Patnaik. “Ik had een goede baan in India, maar deze stad bood me een veel betere levenskwaliteit en betere toekomstkansen voor mijn kinderen. Het is hier bijzonder proper, het is veilig en het onderwijsniveau is bijzonder goed. Die reputatie lokt veel buitenlands talent én almaar meer grote internationale bedrijven. Singapore heeft haast geen grondstoffen, de échte grondstof zijn onze mensen. Er wordt hier zwaar geknokt om goed opgeleide mensen, en ik heb de indruk dat de concurrentieslag op dat vlak almaar zwaarder wordt.”

Tekst: Filip Michiels - Foto: Tim Dirven
Verschenen in Vacature Magazine van 9 oktober 2010.