680.000 vergoede werklozen in 2009, 14.000 schorsingen: Zeker geen heksenjacht op werklozen

Te streng, of net niet streng genoeg? Het debat over de opvolging en sanctionering van (langdurig) werklozen woedt opnieuw in alle hevigheid, maar enige zin voor nuance is daarin meestal ver te zoeken. Vacature overstijgt de clichés en sprak met de betrokken partijen.

“Iemand die komt aandraven met 50 sollicitatiebrieven die toevallig de laatste 2 weken werden verstuurd, valt door de mand.”

Wouter Langeraert, adviseur bij de directie Geschillen van de RVA

Pakt de RVA werkzoekenden te streng aan, zoals onder meer  de vakbonden almaar vaker suggereren, en worden er vandaag te veel mensen geschorst? Of moeten we werkzoekenden net meer achter hun veren zitten, om te beletten dat ze zich lijdzaam in hun lot schikken? En dan de hamvraag in het hele debat: waarop baseert de RVA zich om mensen tijdelijk of definitief van hun uitkering te beroven? Raf Devos, adviseur bij de directie Werkloosheidsreglementering van de RVA en Wouter Langeraert, adviseur bij de directie Geschillen van de RVA, geven tekst en uitleg.

Werkzoekenden die na 15 (voor -25 jarigen) of 21 maanden nog geen nieuwe baan gevonden hebben, moeten bij de RVA op de koffie voor een eerste gesprek met een RVA-facilitator. Wat moeten we daar ons bij voorstellen?

Raf Devos & Wouter Langeraert (RVA): “In eerste instantie peilen we bij de kandidaat naar zijn profiel en sociale achtergrond. In sommige gevallen kan de sociale context immers een belemmering vormen in de zoektocht naar werk. Daarnaast maken we uiteraard een grondige evaluatie van de inspanningen om werk te vinden. Daarbij kan werkelijk alles aan bod komen, van de klassieke sollicitatiebrief tot het inschakelen van vrienden of sociale netwerken. Op basis van het beeld dat we zo krijgen, proberen we een genuanceerd en correct oordeel te vellen. In sommige gevallen is dat heel eenvoudig, af en toe is dat ronduit moeilijk. Meest problematisch zijn doorgaans die werkzoekenden die de maanden voordien nooit of amper met de VDAB in contact kwamen.”

Is het niet bijzonder merkwaardig dat sommige werkzoekenden na 21 maanden werkloosheid nog nooit contact gehad hebben met de VDAB?

RVA: “Toch is dat niet onmogelijk. Vooral bij oudere werklozen horen we dat wel vaker: net werkloos geworden, hebben ze zich netjes ingeschreven bij de VDAB, maar daar bleef het ook bij. Al moeten we dat niet veralgemenen: heel wat werkzoekenden nemen wel zelf contact op, ook al vallen ze nog niet onder de sluitende aanpak (een strikte opvolging en begeleiding van bepaalde categorieën werkzoekenden – bijvoorbeeld jongeren - van bij de eerste dag van inschrijving bij de VDAB, nvdr). Anderen blijven gewoon thuis zitten en wachten braafjes af tot er iets in de bus valt. Ons zal je dus niet horen beweren dat de sluitende aanpak geen meerwaarde oplevert.”

Heeft het wel zin om vanaf de eerste dag werkloosheid bij een sluitende aanpak te zweren, terwijl je geen stok achter de deur houdt voor werkzoekenden die zich daar niets aan gelegen laten?

RVA: “In theorie zien wij de werkzoekenden inderdaad pas een eerste keer na 15 of 21 maanden, daar heb je een punt. Toch kan de VDAB ook eerder aan de alarmbel trekken. Bijvoorbeeld als men bij bepaalde werkzoekenden op manifeste onwil stuit. Ik denk dan aan mensen die systematisch niet komen opdagen voor een gesprek. De VDAB kan ons dergelijke gevallen signaleren.”

Enig idee hoe vaak dit gebeurt?

RVA: “Nee, daar hebben wij geen cijfers over. En nogmaals, daarvoor zijn we ook totaal afhankelijk van de VDAB. Zij moeten het initiatief nemen om eventueel een dossier over te maken.”

Jullie roepen een doorsnee werkzoekende pas na 21 maanden op voor een eerste gesprek. Als die evaluatie positief uitvalt, volgt het tweede gesprek nog eens 16 maanden later. Is die termijn niet veel te lang?

RVA: “Misschien wel, maar dat is nu eenmaal een politieke beslissing. Zelfs wij horen soms van de werkzoekenden dat het eerste evaluatiegesprek hen echt deugd heeft gedaan, en dat het jammer is dat ze zo lang moeten wachten op een tweede ontmoeting. Maar goed, in dat geval rekenen we dan op de VDAB. En vergeet niet dat een aantal van de werklozen die in hun eerste gesprek een goed rapport kregen achteraf ook relatief vlug een baan vinden.”

In hoeverre zijn de inspanningen om een baan te vinden altijd voldoende objectief meetbaar en evalueerbaar?

RVA:”Elk geval moet anders beoordeeld worden. Het is zo goed als onmogelijk om hierop een algemeen geldend antwoord te verzinnen, maar we hanteren wel één gouden regel: wanneer we finaal de knoop moeten doorhakken, speelt altijd het totale plaatje. Zowel de heel formeel meetbare inspanningen – van sollicitatiebrieven tot attesten die bewijzen dat een werkzoekende zich bij een werkgever heeft aangeboden – als de minder meetbare stappen. Het informele circuit wordt almaar belangrijker bij de zoektocht naar werk, maar onze facilitatoren kennen natuurlijk ook het klappen van de zweep. Blijven we echt twijfelen, dan krijgt de werkzoekende haast altijd het voordeel van de twijfel.”

Is het voor een handige jongen niet net iets te eenvoudig om de gedane ‘inspanningen’ te bewijzen op basis van een handvol sollicitatiebrieven?

RVA: “Ook daar gaan we niet over één nacht ijs. Iemand die komt aandraven met vijftig sollicitatiebrieven die toevallig net de laatste twee weken werden verstuurd, valt door de mand. En ik geef het je op een briefje: zo iemand krijgt prompt het etiket ‘niet goed bezig’ opgekleefd.”

Volstaat het volgen van één of meerdere opleidingen als bewijs van goede wil?

RVA: “Dat is volledig gereglementeerd. Bepaalde opleidingen stellen een werkzoekende effectief volledig vrij van de verplichting om nog actief naar werk te zoeken. Die werklozen zullen wij dus ook niet oproepen, terwijl de duur van een opleiding ook nooit meetelt in onze beoordeling. Met andere woorden: iemand die zes maanden lang een opleiding volgt, krijgt ook zes maanden langer respijt om door de RVA te worden opgeroepen. We hebben overigens niet de indruk dat dit echt tot misbruiken leidt.”

Zouden sommige werkzoekenden sneller een job vinden mochten ze sneller tekst en uitleg moeten geven bij hun zoekgedrag?

RVA: “Het zou geen slechte zaak zijn mochten de werkzoekenden sneller bij ons over de vloer komen voor een eerste evaluatie. Pas dan krijgen ze immers echt het gevoel dat ze worden opgevolgd. Al krijgen we hier natuurlijk net zo goed mensen over de vloer die niets liever willen dan met rust gelaten te worden, of die grif toegeven dat ze enkel op onze uitnodiging ingaan om hun uitkering niet te verliezen.”

Waarom dan 15 of 21 maanden wachten om de werkzoekenden een eerste maal uit te nodigen?

RVA: “De huidige termijnen van 15 en 21 maanden zijn het gevolg van een politieke consensus hierover in 2004. Die termijnen werden toen blijkbaar als noodzakelijk en haalbaar beschouwd.”

Kan de RVA, met de huidige middelen, instaan voor een snellere opvolging en evaluatie van de werkzoekenden?

RVA: “Vermoedelijk wel, maar het kalf ligt vooral gebonden bij de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling. Ik weet niet of VDAB, Actiris en Forem alle werkzoekenden dan nog eerst zouden kunnen ontmoeten.”

Houden jullie bij jullie evaluaties van het zoekgedrag nu ook rekening met de gevolgen van crisis?

RVA: “Uiteraard, maar je hoort ons niet beweren dat er vandaag geen werk meer zou zijn. We vragen de werkzoekenden in eerste instantie ook niet om werk te vinden, we vragen hen voldoende inspanningen te leveren. Het volgen van een opleiding of het iets verder van huis solliciteren valt daar bijvoorbeeld ook onder. Ons systeem op zich is sinds 2004 niet veranderd. Wat wel verandert, is onze beoordeling van de inspanningen van de werkzoekenden. Daarbij moeten we immers ook rekening houden met omgevingsfactoren, zoals de crisis, en die veranderen natuurlijk wel.”

Tekst Filip Michiels


“Er loopt toch al heel wat water naar de zee vooraleer iemand definitief geschorst wordt.”

Joost Bollens, onderzoeker van het HIVA

De eerste helft van 2009 verloren 3.147 langdurig werklozen definitief hun uitkering. “Zo dramatisch lijkt me dat niet”, zegt onderzoeker Joost Bollens van het HIVA. “Vorig jaar had je een pak meer werklozen dan twee jaar geleden. Dan is het logisch dat er meer schorsingen zijn. In verhouding tot het totale aantal werklozen gaat het trouwens niet om zoveel schorsingen. Daarbij komt dat de sanctionering op zoekgedrag er sinds 2004 in fases is gekomen. Dat wil zeggen: eerst de categorie twintig tot dertig jaar, nadien dertig tot veertig, en nog later veertig tot vijftig. De groep boven vijftig jaar is nog steeds vrijgesteld van die controle. Daardoor is het normaal dat het aantal schorsingen over de jaren is gegroeid. Een andere bedenking: het gaat om een uitgebreide procedure van drie gesprekken, over minstens 23 maanden gespreid. Er loopt toch al heel wat water naar de zee vooraleer iemand definitief geschorst wordt. Mijn aanvoelen is dan ook dat het grotendeels om terechte schorsingen gaat, mensen die halstarrig weigeren om inspanningen te leveren. De RVA sanctioneert ook als iemand fraudeert, zwartwerkt of valse verklaringen aflegt.”

RVA en VDAB werken beter samen dan vroeger

Bollens: “Tot 1980 had je enkel de RVA, die niet alleen de controle, maar ook de begeleiding en opleiding van werklozen voor haar rekening nam. Na de grote staatshervormingen kreeg je het onderscheid tussen RVA enerzijds, en VDAB Forem en Actiris anderzijds. In de beginjaren zag men de RVA nog heel erg als de boeman, die achter de veren zat van de werklozen. De VDAB hanteerde een andere terminologie, wilde meer de werkzoekenden helpen. Die VDAB was dan ook niet geneigd de RVA veel informatie te bezorgen of werkzoekenden al dan niet voldoende inspanningen leverden om een job te zoeken. Ze werkten jarenlang grotendeels naast mekaar.” De grote kentering kwam er in 2004, met het plan-Vandenbroucke tot de activering van het zoekgedrag. „Langdurig werklozen worden nu op voorhand verwittigd dat ze zich bij de RVA moeten verantwoorden over hun zoekinspanningen. Anderzijds engageert de VDAB zich om de RVA informatie mee te delen over werkzoekenden die een opleiding weigeren of niet naar een sollicitatiegesprek willen gaan. Die overdracht van informatie tussen beide instellingen staat op papier en verloopt goed vandaag.”

Joost Bollens stelt zich desalniettemin twee cruciale vragen bij die hele procedure rond activering van het zoekgedrag naar werk. “Ten eerste: hoe meet je dat, of iemand voldoende inspanningen doet? Dat blijft voor een stuk een subjectief oordeel. Men kijkt vooral naar formele inspanningen, bijvoorbeeld stempels van werkgevers die bewijzen dat je gesolliciteerd hebt. Daar kan je vragen bij stellen, want in de praktijk komen wellicht informele inspanningen ook veel voor. Zoals kranten uitpluizen, of je netwerk van vrienden en familie inschakelen. Zulke inspanningen zijn al minder makkelijk aantoonbaar en meetbaar. Net door de huidige, formele procedure, ga je mensen ertoe aanzetten die meer formele kanalen te gebruiken. Terwijl dat in de praktijk misschien de minst interessante is. Bovendien weigeren sommige werkgevers nog attesten uit te reiken na de zoveelste kandidaat die niet voldoet of niet geïnteresseerd is. Andersom gebeurt het evenzeer dat werklozen die wél gemotiveerd solliciteren geen attest krijgen.”

Minder sanctioneren, meer stimuleren in crisistijd?

Vraag twee: heeft dergelijk systeem wel zin als er weinig jobs voorhanden zijn? “Uiteraard, want er zijn nog vacatures. Tegelijk kan je ook nee antwoorden, want precies in crisistijd maken die langdurig werklozen nog minder kans op een baan dan voor de crisis. Als je hen te veel verplicht te solliciteren op banen die ze toch niet kunnen krijgen, zet je kwaad bloed bij werkgevers en werkzoekenden. Dergelijke opvolging van werkzoekenden kost veel geld, je moet er heel wat ambtenaren op inzetten. Je kan je de vraag stellen of je in dezetijden misschien beter investeert in zaken waardoor ze wél klaarstaan als de markt terug aantrekt? Ik denk aan opleidingen in zoekvaardigheden en sollicitatietips. Zelfs de Oeso, niet bepaald een linkse club, beveelt aan om nu minder streng te sanctioneren, en meer het accent op hulp te leggen.” Daarnaast stelt Bollens een merkwaardige paradox vast. “Net in crisistijd moet de VDAB meer werkzoekenden bijstaan, net nu is haar budget geslonken. Voor de hand liggende vraag is dan: aan wie besteed je het eerst dat activeringsbudget?” Kortom: die budgetaire beperkingen zouden er toe kunnen leiden dat de langdurig werklozen niet meteen in de bovenste schuif liggen.
Tot slot wijst Joost Bollens nog op een vaak vergeten euvel bij definitieve schorsingen van werklozen. „Sommigen vinden toch werk, dan is het probleem van de baan. Anderen verzeilen bij het OCMW, maar zitten intussen niet meer in het activeringssysteem. Nog anderen verdwijnen gewoon helemaal uit het zicht.”

Tekst Nico Schoofs

Gepubliceerd in het Vacature Magazine van 6 maart 2010