Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

600.000 kinderen, slechts 22.000 gesubsidieerde plaatsen

Het aanbod in cijfers is even gediversifieerd als ondoorzichtig. Op Vlaams niveau is er van enige coördinatie of bundeling geen sprake. Hoog tijd voor een centrale website waarop ouders het vakantiebos door de bomen zien?

Vlaanderen telt vandaag 22.500 door Kind en Gezin erkende, en dus ook gesubsidieerde, vakantieopvangplaatsen voor kinderen. Dat is een forse toename in vergelijking met tien jaar terug, toen de gesubsidieerde vakantieopvang goed was voor amper 7.500 plaatsen. Er werd op dat vlak dus al een flinke inspanning geleverd, maar tegelijk kan je niet om de vaststelling heen dat de buitenschoolse opvang – zowel voor en na schooltijd als in de vakantieperiodes - nog altijd stiefmoederlijk behandeld wordt in vergelijking met de opvang voor peuters. Alleen al de voorbije vijf jaar kwamen er in de Vlaamse kinderopvang (0-3 jaar) ruim 35.000 nieuwe plaatsen bij. Die forse aangroei was een voornamelijk een gevolg van de opwaartse knik in het geboortecijfer vanaf 2003.

“We kunnen niet ontkennen dat er nog een inhaalbeweging nodig is”, bevestigt Leen Du Bois, woordvoerder van Kind & Gezin. “Veelal zijn het de gemeenten of openbare besturen die het initiatief nemen voor die ‘officiële’ vakantieopvang, heel af en toe organiseert ook een school dergelijke vakantieopvang. Naast deze ‘officiële’ – en gesubsidieerde – opvanginitiatieven, bestaan er natuurlijk nog tientallen alternatieven voor ouders die in de vakantiemaanden met de handen in het haar zitten: van de gemeentelijke speelpleinwerking over BLOSO-sportkampen of vakantiekampen op initiatief van de ziekenfondsen tot een immens en heel uiteenlopend aanbod aan themakampen die door privé-organisatoren worden aangeboden.” 

Keuze zat, zo lijkt het, maar in de praktijk valt dat toch aardig tegen. Zo zijn de prijzen voor themakampen die door privé-organisatoren worden opgezet, al even uiteenlopend als het aanbod op dat vlak. Niet zelden zijn die (dag)kampen ook onvoldoende afgestemd op de werktijden van de ouders, zodat bijkomende opvang nodig blijft. Een derde, zo mogelijk nog groter probleem, ligt in het totale gebrek aan coördinatie tussen de verschillende vormen van vakantieopvang. Sommige gemeenten namen, veelal onder druk van de ouders zelf, zelf al initiatieven om het lokale aanbod te bundelen in een brochure of op een website. Op Vlaams niveau is er van enige coördinatie of bundeling evenwel geen sprake, laat staan dat er een centrale website zou bestaan waar ouders het beschikbare aanbod in een bepaalde periode – en het prijskaartje daarvan – zouden kunnen inkijken. Daarmee belanden we meteen bij de kern van de zaak: anno 2011 blijft vakantieopvang in Vlaanderen een hopeloos versnipperde noodzaak. Binnen de Vlaamse regering is minister Jo Vandeurzen (CD&V) als minister van Welzijn verantwoordelijk voor het gesubsidieerde IBO-aanbod. Collega Pascal Smet (Sp.a) heeft als minister van Onderwijs en Jeugd onder meer de meeste vakantiekampen in zijn portefeuille. Stuurt u uw gabbers liever naar een cultuurkamp of een gespecialiseerd sportkamp, dan valt dat onder nog een andere minister. 

“Er bestaat niet zoiets als een centraal loket voor kinderopvang in de vakanties, waar je als ouders een overzicht krijgt van het totale aanbod per regio en van de beschikbaarheden voor en bepaalde periode. Het is niet ondenkbaar dat het aanbod eerder aangepast wordt op vraag van ouders en ander betrokken partijen, die ergens een bepaald nood aan opvang signaleren”, aldus nog Leen Du Bois. Het zou nochtans overdreven zijn te stellen dat er op Vlaams niveau de voorbije jaren helemaal niets gebeurde om tegemoet te komen aan de sterk groeiende vraag. Vlaams minister Jo Vandeurzen trok in 2010 1,7 miljoen euro uit voor omkadering en extra opvangplaatsen. Op termijn moet dat tot 856 nieuwe opvangplaatsen leiden. Hamvraag daarbij is natuurlijk in welke mate de regering een efficiënt beleid kan voeren als men er geen flauw idee van heeft wat de opvangcapaciteit vanuit de privésector in een bepaalde regio is. “Een goede regionale spreiding van nieuwe opvangplaatsen is vandaag inderdaad niet zo evident”, geeft ook Leen Du Bois volmondig toe. “Op gemeentelijk niveau heeft men doorgaans wel een goed overzicht van het totale opvangaanbod, maar op Vlaams niveau is dat niet het geval. En dat heeft wellicht veel, zoniet alles, te maken met de grote versnippering tussen verschillende spelers. Een soort van overkoepelde instantie, die ouders wegwijs maakt in het totale aanbod in Vlaanderen, zou dus zeker een verbetering zijn.”

De stijgende vraag naar kinderopvang, zowel tijdens het schooljaar als in de vakantieperiodes, heeft niet enkel te maken met een stijgend geboortecijfer. Ook de vaststelling dat grootouders – decennialang de vaste opvangstek voor de kleinkinderen – almaar langer actief blijven, speelt een belangrijke rol. Leen Du Bois: “In vergelijking met 2004 komen de grootouders vandaag een stuk minder nadrukkelijk in beeld voor de regelmatige opvang van de kleinkinderen. Zij springen wel nog regelmatig bij, maar ze staan veel minder vaak in voor de regelmatige opvang van de kleinkinderen. Dat is een trend waar we echt niet omheen kunnen.”