6 denkpistes voor een betere afstemming van het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt

“Studenten kennen zelfs de knelpuntberoepen niet”

Het hoger onderwijs was nog nooit zo populair. Alle Belgische universiteiten tekenden vorig jaar een stijging op van hun eerstejaarsstudenten met 10 tot 15 procent, bij enkele hogescholen liep dat zelfs op tot 25 procent. Een gigantisch succes volgens de pleitbezorgers van de democratisering van ons hoger onderwijs en de vrije studiekeuze.

Een desastreuze uitholling van de kwaliteit, aldus voorvechters van een strengere selectie. Nog anderen waarschuwen ervoor dat de groei zich vooral manifesteert in de humane wetenschappen, terwijl bedrijven steen en been klagen over het tekort aan exacte wetenschappers en technisch geschoolde krachten. Moeten we de studierichting van onze studenten met zachte of harde hand sturen? Zodat we ze meer richting knelpuntstudies (ingenieur, verpleger, etc) leiden, diploma’s waar ze snel een job mee vinden? Kortom: hebben we daadwerkelijk meer nood aan meer ingenieurs en minder filosofen? Vacature toog naar geleerde experts, en schotelt u zes denkpistes voor. Houden ze steek, of heeft u liever dat alles bij het oude blijft? Laat het ons vooral ook weten.

Piste 1:
Verzamel de intellectuele elite in kransje topuniversiteiten

“De vrije studiekeuze afschaffen, daarvoor heb je geen draagvlak in ons land. Ik heb indertijd een verplicht ingangsexamen voor iedereen voorgesteld. Ze liepen langs alle kanten over me heen. Je moet realistische voorstellen doen.” André Oosterlinck, voorzitter van de Associatie K.U.Leuven en oud-rector van de K.U.Leuven, voegt de daad bij het woord. Hij ziet subtielere manieren om ons hoger onderwijs meer te dirigeren. Ten eerste pleit André Oosterlinck voor de uitbouw van een paar topuniversiteiten, die enkel de intellectuele elite toelaten. “Je hebt dat nu eenmaal nodig om onze innovatiekracht te verhogen. Vlaanderen haalt een hoge middelmaat in haar hogere onderwijsinstellingen, zelfs veel beter dan het Amerikaanse gemiddelde. Maar hun supersterk onderwijs à la Stanford hebben we niet. Wij durven niet elitair te denken. Ik vind dat vreemd. En ik haal steevast voorbeelden aan waar het wel al aanvaard wordt. Iedereen vindt het doodnormaal dat we de allerbeste atleten samenzetten in de topsportscholen. ‘Omdat we anders internationaal niet meekunnen’, luidt het. Idem voor de strenge selectie aan het hoger kunstenonderwijs. En voor het algemene hoger onderwijs zou die vlieger niet opgaan? Dat is toch te gek voor woorden.”

Oosterlinck pleit voor een tweeledig hoger onderwijs. “Zoals ze dat nu in China en India organiseren: enerzijds zo veel mogelijk mensen in het hoger onderwijs krijgen, maar tegelijk een select kransje topopleidingen verdeeld over verschillende universiteiten. Pas op, ik pleit er absoluut niet voor om op de rijkste studenten te mikken, maar wel de meest intelligente, ongeacht hun sociale afkomst. Aan Yale krijgen drie op tien studenten een studiebeurs.” Onze universiteiten moeten nog meer durven kiezen waarin ze willen excelleren, aldus Oosterlinck. “We zijn daar al voor een stuk in geslaagd, kijk naar Imec (in 1984 opgericht met de steun van de Vlaamse overheid als onafhankelijk onderzoekscentrum voor micro-elektronica) en het VIB (Vlaams Insituut voor Biotechnologie, opgericht in 1996 door de Vlaamse overheid. Het VIB zet zich in voor onderzoek in de levenwetenschappen met haar partners UGent, K.U.Leuven, Universiteit Antwerpen en Vrije Universiteit Brussel). Maar dat is zeker niet makkelijk. Een rector wordt in hoofdzaak verkozen door zijn proffen. Kiezen om uit te blinken betekent dat pakweg 15 procent van de proffen dan meer middelen krijgen dan de rest. Ik was dan ook nooit populair als rector (lacht), al is dat nooit mijn hoofdbekommernis geweest. Een slagkrachtige kenniseconomie creëren was dat wél.”

Piste 2:
Verplichte oriëntatieproef voor alle studenten

Ten tweede pleit André Oosterlinck al langer voor een verplichte oriëntatieproef voor iedereen die hoger onderwijs wil volgen. “Weiger je, dan krijg je sowieso geen toegang tot het hoger onderwijs. Natuurlijk zeg ik daarmee dat het studie-advies vandaag tekort schiet. Studenten kennen meestal niet eens de knelpuntberoepen. In een groot deel van het hoger onderwijs mag je over economische perspectieven of geld verdienen zelfs niet praten. Men vindt dat een vies woord. Ik niet. We moeten studenten veel meer informeren, confronteren met hun competenties én toekomstmogelijkheden, verbonden aan bepaalde keuzes. Heel wat jongeren volgen hun vrienden in hun studiekeuze, weten niet goed wat kiezen. Doe je die grote groep bewuster beslissen, dan zijn we al een heel eind verder. In het huidige debat rond de betaalbaarheid van onze welvaartsstaat moet ook de student zijn verantwoordelijkheid opnemen.”

“Nog iets: drie op tien studenten slagen vandaag niet. Waarom hen laten mislukken? Voer voor hen een verplichte begeleidingsproef in, zodat ze wel de juiste studiekeuze maken de volgende keer. Waarom ook niet hogere studiebeurzen uitreiken voor studies die naar knelpuntberoepen leiden? En waarom niet de laatstejaars van het humaniora en het technisch onderwijs een verplichte verhandeling laten maken over hun professionele toekomst?” Joeri Van Den Brande, als psycholoog verbonden aan de dienst studieadvies van de VUB, zit min of meer op dezelfde lijn. “Vandaag kan iedereen om het even welke studierichting kiezen. Wij kunnen enkel maar vrijblijvend advies uitbrengen. Een oriëntatieproef kan voor sommige studenten misschien wel een soort signaalfunctie hebben, maar anderzijds mogen we de impact daarvan ook niet overschatten. Er zijn heel veel factoren die bepalen of iemand al dan niet in zijn studies slaagt – van de vrienden tot de professoren - en ik denk niet dat een oriëntatieproef alleen echt zaligmakend is.”

Piste 3:
Stem hoger onderwijs af op strategische economische sectoren

Oosterlinck: “Wij leiden aan de universiteit nu eenmaal mensen op voor de toekomst, specialisten geneeskunde zijn bijvoorbeeld pas na veertien jaar klaar voor de arbeidsmarkt. Daarom is het cruciaal dat de maatschappij en het bedrijfsleven veel meer nadenkt over de lange termijn: waar staan we binnen tien jaar? Heb jij al een keer gesproken met een industrieel die dat weet? Ik herinner me nog dat IBM ooit zware kritiek had op een opleidingsonderdeel. Een collega van mij vroeg hen hoe het nu precies zat met die ponskaarten, terwijl die al lang passé waren. We moeten veel meer structureel overleggen met elkaar. Bedrijven zijn onvoldoende met innovatie en hun toekomst bezig. In Nederland zit ik in het Innovatieplatform van premier Balkenende. Clusters van bedrijven, zoals Philips met al haar toeleveranciers, worden daar verplicht om ‘roadmaps’ uit te tekenen voor de toekomst. Welke kennis hebben ze daarvoor nodig, die vraag is cruciaal om het onderwijs daarop af te stellen. Dat doen we in België nog te weinig.”
“Klopt”, vindt ook Joeri Van Den Brande. “De input van het bedrijfsleven rond de invulling onze curricula blijft nog heel beperkt, haast sporadisch zelfs. Op dat vlak is er absoluut nog werk aan de winkel. Daar staat natuurlijk wel tegenover dat de arbeidsmarkt zo snel evolueert dat het in heel wat sectoren bijzonder lastig is om nu al te voorspellen aan welke specialismen we binnen vijf of zes jaar nood zullen hebben. Nu, ik merk wel dat studenten op dat vlak doorgaans wel op heel korte termijn redeneren. Op het moment dat een serie als CSI hoge kijkcijfers haalt, merken we plots een toevloed van kandidaten richting criminologie (lacht). Daar kan je je dus effectief vragen bij stellen.”

Als er één overheid is die wél met sterke hand inzet op strategische groeisectoren, is het wel de Chinese. Niet toevallig dirigeert Peking haar hoger onderwijs mee die richting uit, aldus Jonathan Holslag, hoofd onderzoek van het Brussels Institute of Contemporary China Studies.  “De overheid investeert miljarden in een vijftal strategische sectoren, waarin Chinese bedrijven binnen tien jaar aan de top moeten staan. Het gaat om luchtvaart, telecom, it-services, automobiel en schone energie. Daarom geven ze er gericht veel steun aan opleidingen in exacte wetenschappen, biomedische en ingenieurswetenschappen.” Een centraal aangestuurd beleid dat zijn vruchten afwerpt, aldus Holslag. “De voorbije tien jaar steeg het aantal studenten hoger onderwijs in China van 6 naar 30 miljoen. Tegelijk investeren ze fors om in een clubje Chinese universiteiten de allerbesten samen te brengen. Er studeren in China intussen jaarlijks meer ingenieurs af dan in de 27 Europese lidstaten samen. En hun kwaliteit gaat er snel op vooruit.” Voor 2012 werkt China aan een nieuw vijfjarenplan, met nog steilere ambities in innovatie. Holslag ziet diverse risico’s verbonden aan die Chinese planeconomie, maar wat meer coördinatie zou België geen kwaad doen. “Bij ons ontbreekt elke institutionele samenhang. De totale versnippering van het innovatiebeleid maakt dat je niet komt tot een strategische visie en efficiënte bundeling van je middelen. Wij goochelen met een paar miljoen euro om schone energie te promoten, maar op die schaal speel je weinig klaar internationaal. We moeten actiever lobbyen om ons in te schakelen in Europese onderzoeksprojecten. Zoiets moet je als overheid mee coördineren. Het heeft weinig zin ambities te koesteren in schone energie als je niet genoeg wetenschappers hebt om dat hard te maken. Je moet bepaalde opleidingen beter omkaderen.”

Piste 4:
Laat minder studenten toe, maar investeer meer per student

Het Chinese hoger onderwijsmodel is veel dwingender dan het onze. Het aantal zitjes in de aula’s is het speelterrein van de allerbesten. Enkel wie hoog genoeg scoort op het nationale ingangsexamen, raakt binnen. Kandidaten geven voorkeuruniversiteiten en  voorkeurstudies aan. Wie de beste score haalt, is als eerste aan zet. Scoor je te laag, dan val je uit de boot. Je kan wel levenslang blijven proberen. Holslag ziet vooral mentaliteitsverschillen in studiekeuze tussen een Chinese en een Belgische jongere. “Voor Chinese studenten spelen economische overwegingen nog altijd een veel grotere rol dan persoonlijke belangstelling. Vele ouders vestigen al hun hoop op hun enig kind, het is hun belangrijkste investering. Ze willen dat de studie van hun kind rendeert. De overheid stuurt de studiekeuze ook grondig. Wie voor ingenieur gaat, kan op een gratis verblijf en kosteloze maaltijden rond de campus rekenen, wat je soms in andere opleidingen niet ziet. Studiegroepen in exacte wetenschappen beschikken doorgaans over een betere infrastructuur, professoren worden beter betaald.” André Oosterlinck ziet nog een verschil in perceptie tussen China en België.  “Traditioneel zijn heel wat politieke bestuurders in China maar ook Singapore ingenieur van opleiding. Het beroep heeft er veel meer aanzien.” Toch waarschuwt Oosterlinck voor het grote gevaar dat op de loer ligt. “De Chinese intelligentsia accepteert de sterke politieke sturing van de economie en het onderwijs zolang er forse economische groei is.” Met andere woorden: eens die forse groei stokt, kondigt de onvrede zich aan.

Een beetje naar analogie met de strenge selectie van universiteitsstudenten in het Chinese model pleit Jonathan Holslag er nadrukkelijk voor minder studenten toe te laten tot het universitair onderwijs in België. “De democratisering van het hoger onderwijs (waarvan voormalig Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke de grote roerganger was, nvdr) heeft ontegensprekelijk tot kwaliteitsverlies geleid. Ik pleit ervoor meer aan de boom te schudden. Pas na het eerste jaar aan de universiteit, want na het secundair heeft een student toch wat tijd nodig om zich aan te passen.” Een strengere selectie van talent aan de universiteiten, met andere woorden, maar gekoppeld aan meer middelen per student. “We hebben nood aan universiteiten waar een kleine groep talenten aangezet wordt om creatief te denken. Academisch ondernemerschap wordt te zeer beknot. Voor Vlaamse univeriteiten is het bijvoorbeeld uiterst moeilijk om onderwijs in het Engels aan te bieden, waardoor we de concurrentieslag rond knappe buitenlandse koppen met Nederland of Engeland meteen missen.” Moeten we de vrije studiekeuze inperken, studenten meer sturen met andere woorden? “Die correctie zal wel gedeeltelijk spontaan gebeuren, de periode van economische luxe is voorbij. Ik zie wel wat in een numerus clausus voor een aantal opleidingen in de humane wetenschappen. Die grote instroom vind ik vandaag moeilijk te verantwoorden, zeker als je weet dat velen niet eens hun droomjob kunnen uitoefenen nadien.” Holslag vindt ook dat er veel talent verloren gaat in het secundair onderwijs. “De democratisering moet daar gebeuren. Er is nu onvoldoende capaciteit om socio-economisch achtergesteld talent te begeleiden. Daar gebeurt de grote shifting. We moeten af van de segregatie tussen technologische en aso-opleidingen. Dit land heeft evenzeer nood aan geschoolde vakmannen als timmerlui of elektriciens.”
Joeri Van Den Brande zit min of meer op dezelfde lijn. “De roep om meer ingenieurs is zeker niet in dovemansoren gevallen, want de instroom aan de basis voor die opleiding is veel breder geworden. Tegelijk stellen we vast dat de uitstroom amper verbreed is. Met  andere woorden: we trekken zo mensen aan die daar eigenlijk niets te zoeken hebben. En dat kan natuurlijk ook niet de bedoeling zijn. Tegelijk horen we hier van professoren en docenten dat de lat in het secundair onderwijs de voorbije jaren ook systematisch verlaagd is. Jongeren die in theorie uit een sterk wiskundig georiënteerde richting komen, blijken vandaag vaak over onvoldoende bagage te beschikken om een richting burgerlijk ingenieur aan te kunnen. Het heeft dus geen zin om de instroom aan de basis zomaar te verhogen.”

Piste 5:
Introduceer bedrijfsstages in alle universitaire richtingen

Kirsten Williamson is verbonden aan de internationale denktank EAIE (European Association for International Education). Zeven jaar terug richtte ze in Parijs haar eigen bedrijf voor rekruteringsmarketing en –onderzoek op. Daarbij werkt ze nauw samen met het bedrijfsleven én universiteiten. “Het tekort aan technische profielen en de klaagzang vanuit het bedrijfsleven dat er te weinig jongeren met een ‘geschikt’ diploma op de markt komen, zijn zeker niet nieuw. Tien jaar terug hoorde ik al hetzelfde verhaal, en niet alleen in België, maar net zo goed in Frankrijk of in Engeland. En dat verhaal vloeit voort uit de maatschappelijke en economische ontwikkelingen in West-Europa de voorbije jaren. Onze jongeren krijgen de indruk dat ze meer toekomst hebben in de financiële sector, in de media of in een marketingfunctie. We hebben het belang van de industrie hier de voorbije jaren systematisch zien afkalven, waardoor de meer technische gerichte beroepen ook een imagoprobleem kregen. In groeilanden zoals China of India stellen we net het tegenovergestelde vast: die landen zijn volop in opbouw, letterlijk en figuurlijk, en de industrie oefent er een grote aantrekkingskracht uit op studenten.”

Is het dan de taak van de overheid om jongeren meer in een bepaalde richting te duwen, vanuit puur economische overwegingen? “Nee, daar geloof ik helemaal niet in. Wel pleit ik voor meer aandacht voor het potentieel van technische richtingen en beroepen in het secundair onderwijs, zodat de studenten een echte keuze kunnen maken – gebaseerd op realistische feitenkennis - wanneer ze naar de universiteit trekken. Daar kan de overheid wel een belangrijke rol in spelen. Het kan in deze context wellicht wat vreemd klinken, maar de technische opleidingen zouden meer ‘gemarketeerd’ moeten worden, want ze kampen met een stevig imagoprobleem.”

Tegelijk waarschuwt Williamson voor een al te eenzijdige focus op technische richtingen. “Keuzevrijheid voor de studenten moet een belangrijk uitgangspunt blijven. Wat uiteraard niet wil zeggen dat universiteiten blind moeten blijven voor onze economische noden. Ik zie op dat vlak twee opdrachten voor hen weggelegd. In eerst instantie moet er dringend werk worden gemaakt van bedrijfsstages, in alle mogelijke universitaire richtingen. Die kunnen studenten de ogen openen voor de carrièrekansen die het bedrijfsleven biedt, ook in afstudeerrichtingen die traditioneel weinig of niet op het bedrijfsleven of de pure industrie gericht zijn. Daarbij lijkt me ook een belangrijke taak weggelegd voor kmo’s: zij blijven nu te vaak op de achtergrond, waardoor hun imagoprobleem enkel maar groter wordt. kmo’s beseffen ook onvoldoende dat er nogal wat Europees geld beschikbaar is om dergelijke stages te financieren.”

Piste 6:
Stoom alle studenten klaar om zich beter te verkopen op de arbeidsmarkt

Williamson: “Daarnaast, en minstens even belangrijk, zouden onze universiteiten meer aandacht moeten hebben voor de ontwikkeling van zogenaamde ‘soft skills’ bij hun studenten. Ik vind het helemaal niet zo evident dat iemand met een diploma geschiedenis of filosofie op zak tegenwoordig al haast bij voorbaat afgeschreven lijkt voor een baan in het bedrijfsleven. Leer hen projecten te ontwikkelen en verdedigen, leer hen te onderhandelen, leer hen in groep werken, maak duidelijk waar het bedrijfsleven voor staat en wat er de spelregels zijn. Ook studenten uit zogenaamd zachte richtingen moeten al van op de schoolbanken in contact worden gebracht met het bedrijfsleven. Ze moeten leren hun diploma en expertise beter te verzilveren, door die te vertalen naar de noden van het bedrijfsleven. Hier in Frankrijk is vorig jaar overigens ook een eerste stap in die richting gezet: een nieuwe wet verplicht de universiteiten om via een nieuwe, eigen begeleidingsdienst effectief de brug te slaan tussen de universiteit en de arbeidsmarkt.”

tekst Nico Schoofs, Filip Michiels en Ann Lemaître


Ingenieursstudie, iemand goesting?

Waarom ingenieursstudies een lelijk eendje blijven in het hoger onderwijs

Ingenieursstudies groeien terug licht in ons land, nadat ze sinds medio jaren tachtig  in vrije val waren. Maar nog altijd veel minder snel dan het gros van de academische opleidingen. En zeker niet snel genoeg naar de zin van het bedrijfsleven.

Volgens Philippe Wauters, secretaris-generaal van Feani, de Europese Federatie van Nationale Ingenieursverenigingen, zit het beroep gekneld in een gedateerd, te eng jasje. “Dingen bouwen of afbreken, dat is zowat het beeld dat Jan Modaal heeft. Terwijl de vergroening van onze economie evenzeer mee door die ingenieurs uitgevoerd zal moeten worden. Denk nog aan een operatiekwartier van een ziekenhuis, die zou er nooit staan zonder de inbreng van ingenieurs. De overheid en de industrie hebben het imago van de ingenieur veel te lang enkel overgelaten aan het onderwijs. Een grote fout. De klemtoon lag veel te veel op de zware wiskunde of fysica, op het lessenpakket. Niet op het beroep, op wat je er allemaal mee aan kan. Kandidaat-ingenieurs moeten zeker niet allemaal wiskundekrakken zijn. Vele professoren kennen het beroep niet. Hoe wil je dan dat ze het juist overdragen naar de student?” Wauters is wel zo eerlijk om tegelijk zijn eigen leden op de vinger te tikken: “Bij een Europees project om meer industriëlen voor de klas te krijgen, tonen die mensen uit het bedrijfsleven amper interesse.”

Philippe Wauters is een overtuigd tegenstander van een vrije studiekeuze. “Waarom geen numerus clausus op studierichtingen waar je toch geen baan mee vindt? Iemand die bijvoorbeeld geen sociologie kan studeren, omdat de numerus clausus dat niet toelaat, zal een studie als ingenieur misschien overwegen wanneer hij zeker weet dat hij er een job mee kan versieren. Jongeren kiezen nu snel de makkelijkste weg. Tegelijk moet je die jongeren overtuigen van het nut om een studie te volgen waar de maatschappij nood aan heeft, door hen beter te informeren over de arbeidsmarkt voor hun studiekeuze.”

Niet alleen ons land roept om ingenieurs. Nagenoeg de hele Europese klas schreeuwt zich schor. Daarom lanceert Feani in april haar Europese imagocampagne ‘More Engineers for Europe’. Wauters: “Kijk naar Duitsland. Daar zijn er 21.000 ingenieurs te weinig. Ze voeren ze nu al in uit India, Rusland of Oost-Europa. Maar dat is geen structurele oplossing.” Groot probleem in Europa: het totale gebrek aan uniformiteit in ingenieursstudies. “Geen twee landen vullen die studie op dezelfde wijze in.” Gevolg: de mobiliteit laat veel te wensen over. “Je hebt twee strekkingen. In noordelijke landen, als Finland, is het beroep amper gereguleerd. In Finland kan een bioloog of chemicus bijvoorbeeld als ingenieur aangeworven worden door een ingenieursbedrijf. Als hij over de juiste competenties beschikt, welteverstaan. Omdat daar de concurrentie veel meer haar rol speelt, komt dat de kwaliteit ten goede.  Die noordelijke landen investeren niet toevallig het meest in hun onderwijs. Het is evident dat ze in Finland minder problemen hebben om ingenieurs te vinden.” In zuidelijke landen als Italië of Griekenland is het beroep dan weer overgereguleerd. “Het is als een kaste, die zichzelf beschermt. Als je in Italië een ingenieursdiploma hebt, moet je nog eens een staatsexamen afleggen om het beroep te mogen uitoefenen. Die landen investeren Europees gezien het minst in het onderwijs. Omdat het beroep er zo beschermd is, bestaat er geen concurrentie.”

tekst Nico Schoofs

Gepubliceerd in het Vacature Magazine van 27 februari 2010