Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

24 uren aan het werk: waarom Vlaanderen Shanghai niet is

We willen het zo graag geweten hebben dat we keihard werken in Vlaanderen. En de 24 uren-economie, daar ontsnapt niemand meer aan, nee toch? De realiteit is even hard als ontnuchterend: we werken harder dan vroeger, maar veel werken doen we eigenlijk nooit. En de 24 uren-economie, die leeft vooralsnog vooral buiten Europa.

Hij woont in Keerbergen, werkt afwisselend thuis, in Brussel of in München en pendelt enkele keren per maand tussen Brussel, Moskou en nog een dozijn andere Europese steden. Wim Van Winghe, marketingmanager Centraal- en Oost-Europa bij Microsoft, is de levende verpersoonlijking van de zogenaamde 24 uren-economie. Werken kan overal, en in theorie ook zowat altijd, en de 9 tot 5-baan is hoogstens nog een relict uit een ver vervlogen verleden. “Ik doe deze baan nu zowat anderhalf jaar, en mijn levenskwaliteit is er sindsdien enkel maar op vooruit gegaan. Ik voel me vandaag eigenlijk opnieuw student: ik vul zelf mijn dagen in, werk min of meer waar en wanneer ik wil en word uitsluitend afgerekend op de resultaten. Hoeveel uren ik nu precies klop per week, daar ligt echt niemand wakker van. Conference calls met het Microsoft-hoofdkwartier in Seattle ’s avonds laat zijn geen uitzondering. Avondwerk in het buitenland is vaste prik. Daar staat dan tegenover dat ik thuis net zo goed overdag het gras kan afrijden of de kinderen van school oppikken. Die flexibiliteit komt van twee kanten, en ik zou het eerlijk gezegd ook niet anders meer willen.”

Voor hoogopgeleide kenniswerkers is het haast alledaagse kost geworden: ’s avonds voor de buis nog even de e-mails doornemen, ‘s morgens bij het ontbijt een vergadering voorbereiden, in het weekeind een telefoontje doen met een klant aan andere kant van de wereld. Maar misschien moeten we ons daar toch niet blind op staren. En wie al eens enkele dagen in Seoel, Tokio of Hanoi verbleef, weet het wel: in vergelijking met het werkethos en de ellenlange werkdagen van de Aziaten leven we in Europa op een andere planeet. Dat is niet enkel een subjectieve indruk, de cijfers bewijzen het ook. Terwijl de Zuid-Koreanen op jaarbasis gemiddeld 2316 uren kloppen, werken de Duitsers 1141 uren per jaar (cijfers Internationale Arbeids Organisatie, nvdr). En het is heus geen toeval dat het begrip ‘karoshi’ – letterlijk ‘dood door overwerk’ – in Japan het daglicht zag.

“Het is een gevoel dat me ook telkens overvalt wanneer ik uit Azië terugkeer,” bevestigt socioloog Ignace Glorieux (53). “Kunnen we dit luxeleventje hier nog langer aanhouden, willen we concurrentieel blijven met die hypergemotiveerde Aziaten? Gaan ze ons op termijn niet wegblazen? Nu, ik vrees dat wij gewoon niet klaar voor zijn voor hun werkritme en ellenlange werkdagen, al kunnen we ons dat eigenlijk niet langer veroorloven. Bedrijven hier zouden het hier wellicht ook anders willen. Hun antwoord heet dan doorgaans delocalisatie. In Europa besteden we al lang niet meer enkel productie uit: heel wat diensten gaan eenzelfde weg op. En dat heeft heus niet enkel te maken met onze hoge loonkosten, maar net zozeer met inzet en flexibiliteit. Parallel daarmee gaan bedrijven die wereldwijd opereren met verschillende ploegen werken, waarbij twee van de drie ploegen elders in de wereld zitten en de operaties overnemen waneer wij van onze vrije tijd genieten. Dat gaat almaar verder hoor: het klassieke voorbeeld zijn de computerprogrammeurs in India of Pakistan die het zaakje ’s nachts overnemen, maar tegenwoordig geldt dat net zo goed voor pakweg lay-outers of vertalers.”

Achter de kassa slapen

Glorieux windt er geen doekjes om: een beperkt percentage van de Vlaamse werknemers mag dan ’s avonds of in het weekeind nog achter de laptop of smartphone zitten, van de 24 uren-economie is er hier nog lang geen sprake. Meer nog, hij twijfelt er hardop aan of die er ooit wel zal komen. “In eerste instantie omdat de bereidheid daartoe er helemaal niet is. We zijn op dat vlak veel te zelfgenoegzaam en denken nog altijd in termen van de “hardwerkende Vlaming”, terwijl dat eigenlijk nergens op slaat. Jazeker, we zijn heel productief als we werken, maar dan vooral tussen 25 en 50 jaar en voornamelijk tussen 9 en 17 u. En dan nog: dat geldt ook maar voor een gedeelte van de actieve bevolking, heel wat mensen werken zich zelfs in die relatief beperkte tijdspanne niet echt dood. Op termijn is dat niet houdbaar. Bovendien is er bij brede lagen van de bevolking ook relatief weinig vraag naar die 24 uren-economie. Hoeveel mensen zijn echt vragende partij om pakweg om 22 uur ’s avonds nog naar de winkel te kunnen gaan? Als Ikea op zondag opent, dan volgt er inderdaad een overrompeling, maar zoiets is haast een evenement. In groeilanden, zelfs in de VS is dat heel anders, daar kan je effectief tot ’s avonds laat en soms zelfs de hele nacht in vele winkels terecht. Vraag is natuurlijk: loopt het daar dan storm? Arbeid is er bovendien veel goedkoper, is het niet alleen renderend omdat het daar  niets kost om een handvol winkelbedienden achter de kassa te slapen te leggen, bij wijze van spreken?”

De cijfers lijken Glorieux gelijk te geven: we werken vandaag niet langer, niet flexibeler en zeker ook niet meer dan twintig jaar terug. Werkte de gemiddelde Europeaan in 1991 nog 40,5 uren per week, dan was dat in 2010 nog amper 37,5 uren. Dat leert ons het grootschalige ‘European Working Conditions Survey’ van EU-studiebureau Eurofound. Van een geleidelijke transitie naar de 24 uren-economie lijkt voorlopig zelfs in de verste verte geen sprake in Europa: twee derde van alle Europese werknemers werkte anno 2010 elke dag exact evenveel uren. En terwijl in 2000 65 procent van alle werknemers hun werkdag op hetzelfde tijdstip startten en afsloten, was dat percentage in 2010 maar heel lichtjes gedaald, tot 61 procent. Nog veelzeggender: daar waar in 1995 nog bijna 1 op drie Europese werknemers minstens één zondag per maand aan de bak moesten, was dat vijftien jaar later maar één op vier meer. Ook het aantal mensen dat in ploegen werkt, nam in diezelfde periode lichtjes af.

Glorieux: “Ik denk wel dat we de voorbije jaren een stuk intenser gaan werken zijn. Bovendien is er ook veel meer controle gekomen op de invulling van de arbeidstijd. Dat vertaalt zich dan concreet in kortere middagpauzes, werklunches en minder ‘social talk’ aan de koffiemachine.” Maar wat dan met al die mensen die in luchthavens of treinen op hun iPad of laptop zitten te tokkelen, smartphones die in de file of zelfs aan het ontbijt al roodgloeiend staan of mails van klanten en overijverige bazen die in het holst van de nacht nog binnen komen rollen? “Daar kunnen we niet omheen, maar we mogen het fenomeen ook niet overdrijven. Het beperkt zich tot een relatief beperkte groep van doorgaans hoogopgeleide werknemers.”

Statussymbool

Als er de voorbije jaren al sprake was van een opvallende verschuiving op de arbeidsmarkt, dan situeert die zich wellicht elders. Meer bepaald in de almaar groeiende kloof tussen lager opgeleide werknemers en hooggeschoolden. Terwijl de eerste groep meer binnen het klassieke 9-5 uurrooster begint te werken – omdat ploegenarbeid stilaan op de terugweg is – werken de hoogopgeleiden dus iets vaker buiten de kantooruren door of zijn op z’n minst beschikbaar. “Dat klopt,” bevestigt Glorieux, “maar ik ben niet zeker dat die hoogopgeleiden daar nu echt zwaar onder lijden. Om de eenvoudige reden dat we het toch allemaal zo graag druk hebben. Of dat we minstens graag die indruk wekken: vandaag is ‘druk druk’ het nieuwe statussymbool geworden. Wie almaar druk bezig is, straalt iets uit. Een zondagnamiddag lanterfanten voor de televisie, dat staat niet. Net voor het slapen gaan de mails nog even checken, dat hoort er toch bij? Ongetwijfeld zorgt dat voor meer stress, zeker als het bijna als een verplichting wordt ervaren. Stress is echter relatief: wie zelf controle heeft over zijn tijd ervaart avondwerk niet noodzakelijk als stresserend. Ook al omdat daar vaak heel wat vrijheid en flexibiliteit tegenover staat.”

Wim Van Winghe: “Mensen vragen me vaak hoe ik dan nog de scheidingslijn trek tussen werk en privé. Eigenlijk trek ik die lijn niet, al probeer ik het weekeind wel min of meer vrij te houden voor mijn gezin. Het bedrijf doet daar ook niet moeilijk over. Wel heb ik moeten leren dat je de hedendaagse technologie, die je toestaat flexibel te werken, ook gewoon kan uitschakelen. De kwaliteit van je leven hangt af van het hier en nu leven. Ik weet dat, terwijl ik overdag mijn gras afrijd, er zeker nieuwe e-mails binnenlopen. Nu goed, die kunnen dan wachten. Net zo wanneer ik mijn oudste dochter even help bij het huiswerk. Omgekeerd check ik voor het slapengaan wel nog even mijn mails, en doe ik dat ’s morgens ook meteen. En als ik een week in München zit werk ik daar ’s avonds ook nog laat door op mijn hotelkamer, terwijl ik het hier thuis dan wel wat rustiger aan doe. Dus als je me vraagt of ik met deze baan een beter evenwicht gevonden heb tussen werk en privé zeg ik volmondig ja. Ik ga nu bewuster om met werk én vrije tijd, al heb ik ook het geluk dat mijn vrouw deeltijds werkt. Maar tegelijk ben ik er absoluut van overtuigd dat er voor de meeste jobs geen weg terug meer is: de jongeren die ik in Rusland ontmoet werken hard én flexibel, en zijn heel leergierig. Bedrijven en werknemers hier kunnen op termijn niet anders dan dit model over te nemen.”

Sociale ongelijkheid

Je kan nauwelijks om de paradox heen: terwijl de roep om harder en langer te werken toeneemt, is het vrijetijdsaanbod om ons heen nog nooit zo uitgebreid geweest.  Mochten we effectief langer en harder gaan werken, dan houden we ook minder tijd over om van dat aanbod gebruik te maken, wat dan weer nefast zou zijn voor een stevig segment van onze Europese economie. En wat als we die redenering doortrekken naar pakweg China, India of Brazilië: vindt de groeiende middenklasse daar het ook niet stilaan welletjes, en verlangt zij op termijn gewoon niet meer vrije tijd om te genieten van de zuurverdiende centen? “Best mogelijk,” meent ook Glorieux. “Een economie heeft nu eenmaal vrije tijd nodig. Onze laatste crisissen waren in de eerste plaats consumptiecrisissen, geen productiecrisissen. In het kapitalisme moet je gedisciplineerd werken, jazeker, maar ook voluit hedonistisch zijn en consumeren. Anders valt de economie stil. Ik vermoed dus dat de slinger in groeilanden stilaan de andere richting zal uitgaan, eerder dan dat wij richting Aziatisch model zouden opschuiven. Die wereldwijde harmonisering van de werktijd is nu al aan de gang. In Zuid-Korea heeft men onlangs de vijfdaagse werkweek ingevoerd. Onderzoek leert overigens dat we vandaag in Vlaanderen wel minder werken dan vijftig jaar geleden, maar tegelijk meer betaalde arbeid leveren aan de economie. Omdat we nu doorgaans met twee werken, maar ook omdat we harder en productiever werken. Het is een boutade, maar om er eenzelfde levensstandaard op na te houden als mijn ouders, zou het wellicht volstaan dat mijn vrouw en ik vandaag maximaal twee dagen per week werken.”

Waarom doen we dat dan niet, ondanks al die technologische vooruitgang?  Waarom willen we altijd meer, waarom moet de economie blijven groeien? En zijn we dan echt niet in staat om terug te vallen op één vakantie per jaar, een doorsnee keuken, een leven zonder computer of smartphone? Glorieux: “Het ‘gelukkige’ leven wordt ons op alle mogelijke manieren aangepraat, maar ik stel wel vast dat het hier voor meer en meer mensen stilaan ophoudt: ze hoeven geen verdere promotie meer, het is mooi zo. Bij de jongere generatie vertaalt zich dat nu al in het stellen van scherpere eisen, bijvoorbeeld op vlak van thuiswerk en flexibiliteit. Bedrijven gaan nu nog vaak voor de tussenweg, door jonge en veelbelovende werknemers te paaien met allerlei materiële voordelen en gadgets, maar ik sluit zeker niet uit dat ze in de toekomst nog veel meer concessies zullen moeten doen naar veelbelovende werknemers. En er zijn grenzen aan dat model. Minstens even problematisch lijkt mij de groeiende kloof tussen laag- en hoogopgeleiden, tussen zij die mee zijn met de moderne technologie en driemaal per jaar op vakantie of citytrip kunnen gaan, en zij die daar enkel van kunnen dromen. Dat vertaalt zich sociaal in onvrede. Sommige mensen voelen zich niet goed in hun vel, krijgen het gevoel niet meer mee te kunnen en dat wordt helaas ook almaar meer van ouders op kinderen doorgegeven. Je kan vandaag haast moeiteloos voorspellen welke 10-jarigen binnen twintig jaar tot welke categorie zullen behoren, wie interessante jobs zal hebben en wie niet. Dat is bijzonder wrang: ons opleidings- en onderwijssysteem reproduceert die sociale ongelijkheid. In die zin is de democratisering van het onderwijs echt mislukt.”

Lees deel 2: De 24 uren-economie kan je gezondheid schaden

Tekst: Filip Michiels en Dominique Soenens