1. In welke mate bepaalt een job onze identiteit en sociale status?

Dirk De Schutter: “In grote mate. Maar we worden met een ander probleem geconfronteerd: mensen moeten vaak lang werken, zodat ze gestresseerd geraken, terwijl ze zelf weinig persoonlijke voldoening kunnen halen uit dat werk. Integendeel, ze geraken er door vervreemd. Natuurlijk zijn er mensen die zich wel ‘waarmaken’ in hun werk. Bijvoorbeeld, een journalist die met zijn artikelen wantoestanden aan de kaak stelt of een professor die met hart en ziel les geeft. Maar voor de meeste werknemers is dat ideaal onbereikbaar. De kassierster in de supermarkt, de arbeider aan de band: ze verrichten anoniem werk en halen daar weinig of geen identiteit uit. Toch blijven ze die job doen omdat het redelijk goed betaald is. De werklozen komen er nog bekaaider van af: hun inkomen ligt lager en een sociale rol spelen ze helemaal niet.
Maar Hannah Arendt gelooft niet dat iemand die hoog opgeklommen is in de economische en maatschappelijke hiërarchie, daarom ook een betere mens is. Een bankdirecteur bekleedt een belangrijke maatschappelijke functie, maar kan een heel beperkt sociaal leven leiden. Is hij dan wel iemand, vraagt Arendt zich af? Omgekeerd kan een bejaardenverzorgster een veel betere persoon zijn.”

Rob Wijnberg:
“Zet een willekeurige groep vreemden bij elkaar, laat hen zich aan elkaar voorstellen en de kans is groot, zo niet honderd procent, dat iedereen na het noemen van zijn naam onmiddellijk over zijn werk begint. Alleen al daaruit valt op te maken dat ons werk zeer bepalend is voor onze identiteit. Voor velen geldt: wat ik doe, is wie ik ben. Of: ‘Wie ik ben, nou ik zit in de sales.’

Als kind worden we al met deze notie van identiteit bekendgemaakt, wanneer volwassenen aan ons vragen: ‘Wat wil je later worden?’. In de sociologie wordt het belang van werk voor de vorming van de identiteit al jaren onderkend. Mannen definiëren zichzelf meer dan vrouwen in termen van hun werk of beroep. Talloze onderzoeken hebben uitgewezen dat ons zelfbeeld sterk samenhangt met de baan die we hebben. Ook de aard van het werk speelt natuurlijk een grote rol: wie op zelfstandige wijze een echt vak uitoefent, identificeert zich meer met zijn werk dan iemand die slechts een klein radertje in een groot productieproces vormt, zoals de slagroomspuiter in een taartenfabriek.”

Umberto Galimberti: “Onze identiteit hangt af van onze efficiëntie en productiviteit op de werkvloer. Dat zijn de enige waarden die tellen. Hét model van de techniek is de machine, maar die is altijd superieur aan de mens. De machine of computer is nooit ziek, nooit zwanger, heeft geen wisselend humeur, werkt zeven dagen op zeven. De techniek dwingt ons er toe om geoliede onderdeeltjes te zijn in deze machinerie. De Duitse filosoof Günther Anders vergelijkt deze technologische opbouw met het nazistische model. De nazi's waren perfect in het uitvoeren van hun taken in de concentratiekampen. Wanneer hen nadien gevraagd werd waarom ze zich daar nooit vragen bij stelden, luidde het antwoord dat het niet hun taak was om zich daar vragen over te stellen. In onze samenleving is dat ook zo. Een goeie werknemer is iemand die goed zijn taken uitvoert. Hij stelt zich geen vragen bij de doelstellingen. Wij, Italianen, produceren de beste antipersoonsmijnen ter wereld. De arbeiders in die fabriek proberen alleen maar zo goed mogelijk hun werk te doen. Ze stellen er zich verder geen vragen bij, dat valt niet onder hun verantwoordelijkheid.

En de enige manier om een sociale identiteit te verwerven, is het werk. Wie zijn werk verliest, wordt ook sociaal uitgesloten. Maar wat is de waarde van een samenleving waar de sociale identiteit enkel afgemeten wordt door het werk dat iemand uitoefent? Dat is geen mooie samenleving. Er moeten andere waarden geïntroduceerd worden, zoals schoonheid. Op dit moment is winst de enige waarde waar alles rond draait. Wanneer het geld de symbolische voortbrenger van alle waarden wordt, hebben we een samenleving die cultureel en spiritueel verarmd is. De economie zou niet de maatstaf van alle dingen mogen zijn.”

Terug naar het coververhaal '3 filosofen over de relatie tussen werk en identiteit'