1 op 3 Brusselse jongeren zonder baan én totaal gedemotiveerd

De grens, zo omschrijven de grotendeels allochtone bewoners van Molenbeek het zelf. Die grens, daarmee bedoelen ze het kanaal. Een natuurlijke barrière tussen de grijze, verpauperde stadsrand en de hippe Dansaertwijk, tussen een buurt waar een buitenstaander zich moeiteloos in Marokko zou kunnen wanen en het Brusselse stadscentrum. Aan de ene kant de Noordwijk, waar duizenden pendelaars dagelijks een goed belegde boterham komen verdienen.

Een boogscheut verderop een buurt waar de helft van de bevolking zonder baan zit en lanterfantende jongeren voor een groot deel het straatbeeld bepalen. “Wil je een pintje drinken, dan zal je het kanaal moeten oversteken. Hier, aan deze kant van Molenbeek, zal je het met theehuizen moeten doen”, grijnst Mohammed (21) onze gids voor één dag. Op journalisten en fotografen zijn ze hier niet zo happig, en dat is niet eens zo verwonderlijk. Op weinig plaatsen in Brussel wordt het failliet van het hoofdstedelijk beleid immers zo treffend geïllustreerd als hier. En als we Mohammed, zelf geboren en getogen in Molenbeek, mogen geloven, verbetert de situatie er niet op.

“Ik word er soms zelf moedeloos van. Heel wat jonge gasten hier zijn totaal niet gemotiveerd om een baan te zoeken. Erger nog, ze komen daar nu ook ronduit voor uit. De kloof tussen de mentaliteit van de eerste generatie migranten, die hier doorgaans keihard gewerkt hebben, en hun kinderen of kleinkinderen wordt almaar groter. Neem nu mijn vader: eind jaren zestig uit Marokko zakte hij naar hier af, en werkte hij zijn hele leven lang bij de spoorwegen. Nu heeft hij een eigen auto en een huis dat netjes afbetaald is. Vandaag is hij met pensioen, maar hij heeft het hier, als nieuwkomer van de eerste generatie, wel gemaakt. Heel wat van mijn generatiegenoten, die het in theorie toch een stuk eenvoudiger zouden moeten hebben, kunnen daar een puntje aan zuigen.”

Mohammed, vlotte looks en perfect tweetalig, is een witte raaf. Dat beseft hij zelf ook, maar tegelijk laat het hem toe de vinger perfect op de zwerende wonde te leggen. “Ik heb tweemaal geluk gehad. In de eerste plaats omdat ik samen met mijn zus, als enige uit een Marokkaans gezin met zeven kinderen, naar een Nederlandstalige school gestuurd ben. Vraag me niet waarom, maar plots vonden mijn ouders het blijkbaar nuttig om ons naar een Nederlandstalige school te sturen. Daar legde ik de basis voor mijn tweetaligheid. Een tweede meevaller was dat ik min of meer ben opgegroeid in een jeugdhuis hier vlakbij, waardoor ik amper de kans kreeg om op straat rond te hangen. Bovendien was het daar strikt verboden om Frans te spreken en werden we er ook verplicht om elke dag ons huiswerk te maken. Achteraf bekeken heeft het jeugdhuis structuur in mijn leven gebracht, en dat is nu precies waar het de meeste jongeren hier aan ontbreekt. Ze worden te vrij gelaten door hun ouders en groeien op straat op.

Doorgaans spreken de ouders zelf ook onvoldoende Nederlands of Frans om de schoolprestaties van hun kinderen te kunnen opvolgen, zodat het ook daar misloopt. Na mijn secundair was ik echt schoolmoe, en daarop heb ik bij Jes gesolliciteerd als straathoekwerker. Ik spreek dan wel behoorlijk Nederlands, in Vlaanderen gaan werken, dat zei me echt niets. Ik denk overigens dat dit voor zowat alle buurtbewoners hier geldt: het gemeenschapsgevoel is zo sterk dat de meeste jongeren hier nooit meer weg willen. Korte tijd na mijn sollicitatie als straathoekwerker kon ik hier aan de slag als instructeur deeltijds onderwijs. In die functie begeleid ik leerlingen die twee dagen per week naar school gaan. In theorie moeten ze dan de overige dagen gewoon werken, maar in praktijk komt daar doorgaans niets van in huis en blijven ze gewoon thuis. Sinds kort is het toezicht daarop strenger geworden, en kunnen ze in plaats van te gaan werken hier een aantal basiscompetenties komen leren.

Nu, ik merk dat de meerderheid van die gasten totaal gedemotiveerd en ambitieloos zijn. Ter illustratie daarvan: een vriend tipte me onlangs dat een uitzendkantoor op zoek was naar uitzendkrachten. Daarop trok ik er samen met mijn vier leerlingen naartoe, om daar vast te stellen dat letterlijk niemand zijn identiteitskaart of andere papieren op zak had. “Nee, we hebben geen zin om te werken”, klonk het. Ik stond echt perplex. Toen ik 17 was, dweilde ik met mijn vrienden nog alle uitzendkantoren af en werkte ik af en toe als jobstudent. Ik heb de indruk dat de ouders én scholen hier vandaag nog amper iets te zeggen hebben over hun kinderen of leerlingen. Ze lummelen maar wat aan, lopen op straat en strijken vaak nog eens 1.200 euro werkloosheidsuitkering op per maand ook. Zonder daarvoor een klap te moeten uitvoeren.

Controle? Laat me niet lachen. Drie sollicitatiebrieven, en daarmee ben je er van af. En dan is er natuurlijk nog de criminaliteit. Je haalt een kassa leeg en verdient daarmee op tien minuten meer dan met één maand werken. Ik kan je verzekeren: het is frustrerend om daarmee geconfronteerd te worden als je elke dag trouw je acht uurtjes klopt en op het einde van de maand met 1.100 euro naar huis komt. Er is hier de voorbije jaren een mentaliteit gegroeid waarbij de maandelijkse cheque van de RVA gewoon als een regulier salaris wordt beschouwd. Waarom verplichten we de jongeren die een werkloosheidsuitkering krijgen niet om een aantal uren per week maatschappelijk nuttig werk te verrichten? Dan doen ze tenminste iets, en hopelijk gaan ze dan ook nadenken over hun toekomst.”

Slachtofferrol

Harde woorden, zeker als ze uit de mond van een bevoorrechte waarnemer komen, maar de naakte cijfers staven zijn verhaal. Ruim een op vijf Brusselse jongeren (18-24 jaar) heeft geen diploma secundair onderwijs op zak. En het kan nog erger: in 2008 zat een op drie jongeren in Brussel zonder baan. Let wel: dit is een gemiddelde. In bepaalde Brusselse gemeenten loopt het percentage werkloze jongeren op tot zowat 50 procent. In Vlaanderen was vorig jaar een op negen jongeren werkloos, het Europese gemiddelde ligt op een op zeven. Globaal telde het Brussel Hoofdstedelijk gewest in 2008 – nog voor de crisis zich echt liet voelen dus – ruim 92.000 werkzoekenden. Brusselse politici halen nu steevast aan dat het vooral de crisis is die roet in het eten gooit en die de jeugdwerkloosheid door het plafond doet schieten.

Cijfers van Eurostat geven nochtans  aan dat ze daarbij vooral hun eigen dromen voor werkelijkheid nemen. In 2000 bedroeg het jeugdwerkloosheidspercentage in de hoofdstad 30,8 procent. In 2006, nochtans niet bepaald een crisisjaar, was het zelfs opgelopen tot 35 procent. Daarna volgde er effectief een lichte daling tot 32 procent in 2008, maar dat cijfer ligt dus nog altijd hoger dan wat we in 2000 konden optekenen. Bovendien liet de huidige crisis zich op de arbeidsmarkt pas goed voelen vanaf begin 2009, het valt dus te vrezen dat we opnieuw richting 35 procent gaan.

“De Brusselse problematiek reikt natuurlijk veel verder dan de pure jeugdwerkloosheid”, vindt Patrick Manghelinckx, directeur van het stadslabo Jes. Dat houdt zich onder meer bezig met opleidings- en tewerkstellingstrajecten voor jongeren en coördineert ook het straathoekwerk in Anderlecht en Molenbeek, twee van de meest verpauperde Brusselse gemeenten. “Criminaliteit, allerlei verslavingen, dakloosheid, noem maar op. In vergelijking daarmee is de jeugdwerkloosheid haast een luxeprobleem, maar tegelijk vormt een aanpak van die jeugdwerkloosheid ook de sleutel voor de oplossing van tal van andere samenlevingsproblemen hier. Als we werkloze jongeren confronteren met de uitzichtloosheid van hun toestand en hen aanporren daar iets aan te doen, krijgen we vaak hetzelfde liedje te horen: er is geen werk en we worden gediscrimineerd. Nu, dat klopt doorgaans niet. Er is wél werk, maar de jongeren wentelen zich al te graag in hun slachtofferrol. Hoe verklaar je anders dat er de voorbije jaren duizenden Polen en Brazilianen werden ingevoerd om in de bouw te werken?"

"Ik zal niet ontkennen dat er ook soms sprake is van discriminatie, maar in mijn ogen zijn er andere factoren die een veel grotere rol spelen in dit verhaal. Zoals bijvoorbeeld de belabberde scholingsgraad van de meeste werklozen en het feit dat zomaar eventjes 90 procent onder hen eentalig Frans is. We willen de werkloze jongeren in de eerste plaats doen inzien dat het niet allemaal de schuld van de maatschappij is, en dat zn hun toekomst in eigen handen moeten nemen. Dat vraagt zin voor nuancering en dat vraagt enkele overtuigende succesverhalen, die aantonen dat het ook anders kan. Daar komt nog bovenop dat heel wat jongeren hier een stevige boterham verdien in het grijze of illegale circuit. Zoiets vergiftigt niet zelden de sfeer in een volledige buurt of gemeente, want de groepsdruk speelt hier enorm.”

Onderbemande politie

“We zitten echt op een bom”,  bevestigt ook Alain Ysebaert van politievakbond VSOA. “De boel staat hier op ontploffen. Het tekort aan politiepersoneel in Brussel is catastrofaal. We hebben 800 operationele medewerkers tekort in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om echt in de probleemwijken aanwezig te kunnen zijn. Onze mensen kunnen dikwijls geen versterking oproepen. De rekrutering voor 2010 en 2011 is serieus teruggeschroefd, mensen die op pensioen gaan worden niet vervangen. De criminaliteit wordt steeds driester. Neem nu de zone West in Molenbeek. Daar hebben we drie patrouillewagens voor 350.000 inwoners. Er zijn steeds meer wijken waar de politie niet meer kan komen, echte no-go-areas. De bevoegde voogdijminister zegt dat er geen geld is. De criminelen worden niet bestraft, erger nog, ze worden meteen weer losgelaten omdat de politie ze alleen maar enkele uren administratief kan vasthouden.”

De Brusselse jeugdproblematiek is dus een draak met vele koppen, maar volgens Patrick Manghelinckx blijven politici en beleidsverantwoordelijken nog altijd te veel aan de zijlijn staan. “De sluitende aanpak van gewezen Vlaams minister van Werk Frank Vandenbroucke, waarbij werkloze jongeren veel nauwer worden opgevolgd en desnoods verplicht een opleiding moeten volgen,  heeft in steden als Antwerpen en Gent wel degelijk behoorlijke resultaten afgeworpen. Waarom nemen we dat in Brussel niet over? Een aantal van die jongeren heeft echt een schop onder de kont nodig, maar die visie botst blijkbaar met het maatschappelijk model dat heel wat Brusselse politici voorstaan. Ik mis in Brussel de stok achter de deur: niet bereid om zelf aan je toekomst te werken? Jammer, maar dan schrappen we ook de werkloosheidsuitkering. We hebben nood aan een verhaal van kansen en plichten.”

Erbarmelijke talenkennis

Een zo mogelijk nog groter pijnpunt is de erbarmelijke talenkennis van de jonge werklozen. Of, vrij vertaald, het feit dat ze zowat evenveel Nederlands spreken als de gemiddelde Kazach, en dus haast automatisch uit de boot vallen voor banen in de Noordrand of op de luchthaven. “Op dat vlak is er werk aan de winkel voor de ouders én het onderwijs. Bij het onderwijs zie ik veel goede wil, ten bewijze daarvan het almaar groeiende succes van het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad. Helaas blijven ook hier de politici alweer in gebreke. In eerste instantie omdat er nog altijd te weinig middelen worden vrijgemaakt voor een kwalitatief onderwijsaanbod en voor opleidingstrajecten op maat van de Brusselse arbeidsmarkt”, geeft Manghelinckx aan. “Ten tweede omdat de kwaliteit van het Franstalig onderwijs ronduit bedroevend blijft. Wie daar uitstroomt, is haast nooit voldoende gewapend voor de lokale arbeidsmarkt. Dat probleem is al herhaaldelijk aangekaart bij de Franse gemeenschap, verantwoordelijk voor het Franstalig onderwijs in het hoofdstedelijk gewest, maar er verandert bitter weinig.” Wat niet betekent dat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel zich op de borst moet kloppen: de massale instroom van anderstaligen heeft het niveau onvermijdelijk naar beneden gehaald en ook het Nederlands van wie zes jaar school gelopen heeft op een zogenaamd Nederlandstalige school blijft doorgaans ronduit belabberd.

En Brussel zou natuurlijk Brussel niet zijn mochten er ook niet tal van andere overwegingen meespelen. De politieke correctheid tegenover sommige bevolkingsgroepen is er daar één van, communautaire overwegingen een andere. “We moeten eindelijk eens onder ogen durven zien dat huwelijksmigratie een nefast effect heeft op onze pogingen om meer jongeren aan het werk te krijgen. Het integratieproces moet zo immers telkens opnieuw van nul af beginnen, zelfs bij jongeren die in theorie al deel uitmaken van de derde generatie. En sommige Franstalige politici zien het succes van het Nederlandstalige onderwijs ook met lede ogen aan: de ‘flamandisation de Bruxelles par l’enseignement’ is in hun ogen blijkbaar een groter gevaar dan de verloren generatie die in Brussel stilaan een feit is.”

“Beschikbare capaciteit in onze scholen? Geen flauw idee!”

In 2000 telden de 19 Brusselse gemeenten samen 959.000 inwoners. In 2007 waren dat er al 70.000 meer en in 2020 zou Brussel op 1,2 miljoen inwoners afklokken. Naast de huidige verloren generatie dreigt deze demografische evolutie dus een tweede bom onder de toekomst van de hoofdstad te leggen. En de eerste sector die structureel in de klappen dreigt te delen is, juist, het onderwijs. Vandaag staat het water een aantal kleuterscholen in Anderlecht en Molenbeek aan de lippen, en het plaatstekort zal vanaf nu elk jaar systematisch nijpender worden. Vooruitziende politici zouden natuurlijk maatregelen kunnen nemen om de totale dijkbreuk te voorkomen, maar helaas, niets is in Brussel zo eenvoudig als het lijkt. Je houdt het niet voor mogelijk, maar de Franse gemeenschap beschikt nergens over een soort kadaster waarin het aantal beschikbare plaatsen in het Franstalig kleuter- en lager onderwijs in de hoofdstad wordt bijgehouden. U leest het goed: anno 2010 kan de Franse gemeenschap zelfs nog geen begin maken met een beleid om de bevolkingsboom te snel af te zijn, bij gebrek aan gegevens.

Tekst Filip Michiels - Foto Griet Dekoninck

Verschenen in Vacature Magazine van 12 december 2009