Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

“Velen hopen stiekem dat ik me te pletter rijd” (deel 2)

Schuimbekkend

De productiecapaciteit in Zonhoven ligt tussen 70.000 en 100.000 producten per jaar. “Dat hebben we ook nodig om economisch rendabel te zijn”, zegt Fleurinck. “Eens we meer vraag krijgen, kunnen we een tweede digitale fabriek opzetten in een ander gebied waar we veel klanten zitten hebben. Het potentieel van deze markt is gigantisch: zelfs indien wij onze omzet jaarlijks zouden verdubbelen, dan duurt het nog een eeuw alvorens wij 1 procent van de wereldmarkt kunnen bedienen. Als er morgen iemand bij mij komt aankloppen die een digitale fabriek in Zuid-Afrika wil opzetten: hij is welkom, ik zal hem met alle plezier op weg zetten.”

“Finaal is de keuze eenvoudig: ofwel verliezen we hier almaar meer banen aan de Aziaten, ofwel zetten we in op de transformatie van onze bestaande industrie. (lachend) Ik heb hier de voorbije jaren toch al enkele mensen schuimbekkend mijn kantoor zien verlaten. Als ze eerlijk zijn met zichzelf weten ze nochtans dat er geen andere weg is, maar ik heb intussen geleerd dat je er met een revolutionaire technologie alleen niet komt. Je moet aanvaarden dat bepaalde ontwikkelingen hun momentum moeten krijgen, dat het tijd kost om ze maatschappelijk aanvaard te krijgen. De tijd is er nog niet rijp voor om dit wereldwijd door te voeren. Ik zou perfect nu al heel goedkope tandprothesen kunnen produceren in India, maar waarom zou ik in een dergelijk land komen aanzetten met een technologie die de mens als productiefactor grotendeels uitschakelt? Zodra de Indiërs of Chinezen merken dat de ecologische impact van hun huidige analoge productietechnieken te groot wordt en ze hun CO2-uitstoot niet meer de baas kunnen, kloppen ze wel aan.”

Hoewel zijn nieuwe, digitale productiemodel niet enkel vanuit economisch maar wellicht nog meer vanuit ecologisch oogpunt bijzonder vooruitstrevend is, blijkt Fleurinck allesbehalve het prototype van de groene jongen. “Ik geloof ook niet echt in wat men vandaag gemakshalve als de ‘groene economie’ omschrijft. Hoe economisch is immers een model dat voorlopig enkel bij gratie van subsidies kan overleven? Iedereen is groen als hij op een mooie zondag met vrouw en kinderen in het bos wandelt, maar de overgrote meerderheid van de mensen kleurt op maandag prompt opnieuw blauw wanneer ze opnieuw aan het werk gaan. Ik vind het uitermate belangrijk dat ik mensen een nieuw perspectief kan bieden met het model dat we hier aan het uittekenen zijn. Dat is wat ikzelf graag als de ‘blauwe economie’ omschrijf: we transformeren bestaande businessmodellen die gedoemd zijn om te verdwijnen, naar een nieuw model gebaseerd op duurzame processen.”

“Met de blauwe economie kan je ook geld verdienen. Ik zal je de technische uitleg besparen, maar we werken hier nu bijvoorbeeld ook aan toepassingen die het mogelijk maken om watermolecules zo te ordenen dat je niet langer detergenten nodig hebt om bijvoorbeeld je kledij te wassen. Nu, het zal je niet verbazen dat Procter & Gamble dat niet zo graag ziet gebeuren. Ik ben geen geitenwollensokkentype. Ik ben een zakenman, maar ik stel graag dingen in vraag. Als ik mijn gezicht vertoon op typische zakenrecepties – wat ik haast nooit meer doe – dan vindt iedereen me maar een lastige jongen. Ik ben te bedreigend voor hen, en eigenlijk hoopt een flink aantal onder hen dat ik me morgen te pletter rijd.”

Doemdenken

Eens rebel, altijd rebel. Toen Mario nog op school zat, vond zijn moeder hem al een ‘speciale’. In haar ogen stelde hij constant vreemde vragen. Genre: waarom werp je dat nu in de vuilnisbak, kunnen we daar niets anders mee doen? Ook op school ontpopte de jonge Fleurinck zich tot een ietwat apart geval, een perfecte illustratie van waar het watervalmodel in ons onderwijs toe leiden kan. “Ik wilde mijn zin doen, dingen  veranderen. In de wieg gelegd voor het ondernemerschap dus. Na mijn behoorlijk desastreuze middelbare schoolcarrière heb ik de goede raad van mijn vader opgevolgd – die nota bene zelf carrière had gemaakt in een multinational – en ben ik hier en daar wat colleges gaan meepikken op universiteiten te lande: economie, recht en internationale handel. Ik heb me nooit ingeschreven aan een van die universiteiten, maar pikte uit de colleges uit wat me boeide. Omdat lucht- en ruimtevaart mijn echte passie waren – hoe verklaar je dat een vogel zich zonder kerosine door de lucht beweegt, dat soort vragen – trok ik ook een tijdje naar de technische universiteit van Delft (waar de opleiding lucht- en ruimtevaarttechniek wordt aangeboden, nvdr).”

Met de steun van vaderlief belandde Fleurick enkele jaren later bij Boeing in Seattle, waar hij samen met techneuten van Stanford en MIT voor het eerst begon te experimenteren met de mogelijkheden van materiaal- en aangroeitechnologie. “Ik had natuurlijk geen echt academische achtergrond, maar dat soort mensen heeft binnen het halfuur door waar je voor staat. Ze dagen je uit, en als je de juiste antwoorden geeft, ben je één van hen.”

Na zijn doortocht bij Boeing trok Fleurinck naar Airbus en Asco, waarna hij in de start-up TCR, die luchthavendiensten en –apparatuur produceerde, stapte. Toen hij en zijn zakenpartner TCR enkele jaren later verkochten, hoefde hij in principe nooit meer te werken. “Al die jaren bleven het concept en de technologie voor een digitale fabriek op de achtergrond in mijn hoofd spelen. Ik schreef mijn businessmodel InnoCrowd al in 1997. Toen ging ik er vanuit dat de wereld tegen 2009 technologisch klaar zou zijn om die digitale droom te realiseren. Ik zat er niet zo ver naast, achteraf bekeken.”

“Het klinkt wellicht wat vreemd, maar voor mij zijn de tijden nooit beter geweest dan vandaag. We staan aan de vooravond van een van de grootste economische revoluties ooit. Niemand die hier nu bij mij aan de slag is, heeft ooit ‘digital manufacturer’ of iets dergelijks gestudeerd. Kan ook moeilijk, want zo’n studierichting bestaat niet. Wij transformeren analoge medewerkers en tillen hen met een opleiding naar een hoger niveau. Daarom ook weiger ik resoluut mee te gaan in het pessimisme en het doemdenken van vele Belgische ondernemers en politici. We leven hier in een heel open samenleving, met een hoge mate van solidariteit en een groot normen- en waardenbesef. Tegelijk wonen we hier in West-Europa in een regio die misschien wel de meest innovatiegerichte ter wereld is. De toegevoegde waarde en productiviteit per werknemer ligt zowat nergens ter wereld zo hoog als hier, terwijl de spaarquota blijven toenemen.” “Wie doet ons dat na? Hoeveel van die pessimistische ondernemers hebben ooit hun eigen bedrijf en de houdbaarheid daarvan al eens kritisch tegen het licht gehouden? Vele zogenaamde ondernemers hier die zo graag aan de klaagmuur staan, zijn al lang geen ondernemers meer. Wanneer je in serie producten aflevert die ze in China of Vietnam tegen een tiende van de prijs maken, dan ben je hoogstens een onderhoudstechnieker. Zij moeten vooral eens goed nadenken: in welke business zitten ze nu, vaak al decennialang, en wat kunnen ze met hun expertise en apparatuur doen als ze zichzelf trachten heruit te vinden? Ik heb een goede vriend die drukker is. Mooi bedrijf, winstgevend, geen vuiltje aan de lucht. Ik heb met hem een stevige babbel gehad en hem enkele vragen voor de voeten geworpen, waarna hij een paar nachten lang geen oog meer dicht heeft gedaan. Daarna heeft hij me opgebeld, met de vraag wat we met zijn infrastructuur konden aanvangen om toekomstgerichte producten te gaan maken. Wel, binnenkort printen we in zijn fabriek zonnecellen op nanoschaal. Dat zit perfect in het DNA van het bedrijf, maar niemand had hem daar tot nog toe op gewezen.”

Terug naar deel 1 van dit artikel