“Mijn loopbaan komt nu op de tweede plaats”

Hij kreeg 14.000 volt door zijn lijf, zweefde een tijdlang tussen leven en dood en is nu op zoek naar een andere, fysiek minder belastende job. Ex-voedselinspecteur Tim Raemdonck beseft het als geen ander: hij mag blij zijn dat hij nog leeft. Al popelt hij ook om terug te werken. “Ik heb bijna twee jaar stil gezeten, ik wil me heel graag terug nuttig maken.”

We schrijven 4 september 2009 wanneer Tim Raemdonck als voedselinspecteur een controle uitvoert in Wondelgem. Hij is op dat moment 22 jaar en werkt sinds een jaar bij een internationaal bedrijf dat kwaliteits- en veiligheidscontroles uitvoert in uiteenlopende sectoren. “Ik moest een hoogspanningskabine gaan controleren waar er een probleem was met knaagdieren. Achteraf bekeken was er een rampzalige samenloop van omstandigheden: het was een regenachtige dag, mijn kleren waren nat, ik was niet genoeg beschermd en de hoogspanningsinstallatie was kapot. Ik kreeg 14.000 volt door mijn lijf, het was alsof vijf mannen tegelijk mij de lucht in gooiden. Ik was meteen buiten westen. Ik herinner me dat ik nog heel even bij bewustzijn geweest ben in de ambulance, maar daarna lag ik dagenlang buiten bewustzijn op intensive care in het UZ Gent. In de eerste dagen heb ik gevochten voor mijn leven. En ook de weken daarna kwam ik nauwelijks bij bewustzijn door de zware pijnstillers. Het was sowieso een wonder dat ik nog leefde. Ik heb veel pech gehad die dag, maar ook het geluk dat het ongeval vlakbij het UZ Gent gebeurde. Ik kon heel vlug naar het brandwondencentrum gebracht worden, wat mijn redding geweest is.”

Toen hij bij bewustzijn kwam, wist hij niet wat er gebeurd was. De verplegers vertelden hem niets, omdat ze vreesden dat de psychologische klap te groot zou zijn. “Ik zag alleen dat mijn ouders en mijn vriendin mij alleen mochten bezoeken met een hygiënische netje op en nadat ze hun handen gewassen hadden. Ze mochten me maar maximum één uur bezoeken. Ik voelde me gezond, ook al lag ik ingepakt en mocht ik mijn benen niet bewegen. Op een dag kon ik mijn gsm nemen en heb ik een foto genomen van mijn hoofd. Ik schrok me rot: ik zag een Frankensteinmonster, met nietjes, bouten en draden. Ik was volledig kaalgeschoren, mijn hoofdhuid was zwartgeblakerd. De 14.000 volt was binnengekomen via mijn hoofd en terug naar buiten gegaan via mijn beide scheenbenen. Er zat een gat in mijn schedel ter grootte van een halve euro, en een nog groter gat in mijn linkeronderbeen. Daar had ik vierdegraads brandwonden: het bot van mijn been was gewoon mee verbrand. Ze hebben ook een stuk van mijn schedel moeten wegnemen. Toen ik die foto genomen had, hebben ze me verteld wat er gebeurd is en heb ik psychologische bijstand gekregen. Over het brandwondencentrum heb ik geen klachten: ze hebben wonderbaarlijk werk verricht. Ze hebben van een lappenpop terug een mens gemaakt.”

Zware littekens

Zo’n twee jaar later heeft Tim Raemdonck een twaalftal operaties ondergaan. In de eerste twee weken na het ongeval alleen al waren het er zes, zegt hij. “Maar daar moesten ze mee stoppen, omdat mijn lichaam de narcose niet meer aan kon. Dat stapelt zich op in je lichaam.” Hij draagt voor de rest van zijn leven de gevolgen van het ongeval. “Ik heb plaatsen op mijn lichaam waar ik niets meer voel en plaatsen waar ik hypersensitief ben. Ik neem daar een zevental pillen per dag voor, wellicht voor de rest van mijn leven. Ik heb ook katarakt gekregen, een oogkwaal die wel meer voorkomt bij mensen die geëlektrocuteerd werden. Het is afwachten hoe dat evolueert. Ik heb zware littekens op mijn hoofd en op mijn benen, en ik kan ook vroegtijdige botontkalking krijgen. Ik laat regelmatig de calciumwaarden in mijn bloed meten om dat in de gaten te houden. Ik kijk ook met een bang hart uit naar de wintermaanden. Als het koud is, krimpt mijn huid, waar ik zware hoofdpijn van krijg. Ik heb sowieso fysieke beperkingen. Ik mountainbikete vroeger in competitieverband, dat is nu uitgesloten. Ik ga wel nog altijd mountainbiken en ook zwemmen, om mezelf in conditie te houden. Ik kan ook niet meer naar feestjes. Ik kan heel even aanwezig zijn, maar drie of vier uur aan een stuk rechtstaan, dat gaat niet. Ik heb er mee moeten leven dat ik veel dingen niet meer kan die ik vroeger wel kon. Al ben ik nog altijd bezig met dat verwerkingsproces. Met de hulp van een psycholoog.”

Jongensdroom

Door zijn fysieke beperkingen kan hij zijn job niet meer uitvoeren. In juli nam hij om medische redenen ontslag bij zijn werkgever. “Ik heb nog even gepolst of ze me een job konden geven die fysiek minder belastend is, maar uiteindelijk was het vertrouwen met mijn werkgever ook een beetje zoek. Ik wil hen de schuld niet in de schoenen schuiven, maar bij het ongeval was niet alles in orde op vlak van veiligheid. Ik heb ook fouten gemaakt. Een pijnlijke samenloop van omstandigheden, zoals ik al zei. Maar het zou me moeilijk gevallen hebben daar terug aan de slag te gaan. Ik kan in elk geval niet meer hetzelfde werk doen als voorheen. Bij de controles die ik uitvoerde, moest ik heel veel stappen, soms tientallen kilometers per dag, maar dat kan niet meer. Ik had een droomjob. Ik deed inspecties bij bedrijven en gaf hen advies over wat er op hygiënisch vlak beter kan. Ik had een eigen klantenportefeuille en een eigen regio.  Ik ging langs bij mensen en deed ook administratief werk. Daar hield ik van. Ik ben sociaal en ik vind het ook belangrijk om dat te kunnen zijn in mijn werk. Ik wist sowieso op mijn veertiende al wat ik zou gaan doen: voedselinspecteur. Ik heb in het middelbaar biotechniek gestudeerd en daarna een bachelor agro- en biotechnologie gedaan. Nu moet ik mijn droomjob een beetje laten schieten, al hoop ik dat ik toch nog in dezelfde richting verder kan. Assistent kwaliteitsmanager of laborant, bijvoorbeeld. Toen ik studeerde, ben ik tijdens mijn stage bezig geweest met microbiologie. Dat kan ook. Ik hoop dat ik nog altijd iets actiefs kan doen. Ik steek nog altijd de handen graag uit de mouwen.”

Vier gesprekken bij één bedrijf

Tim Raemdonck is pas sinds half augustus op zoek naar werk, maar hij is ongeduldig, geeft hij toe. “Ik heb op dit moment een werkloosheidsuitkering, met daarbovenop 25 procent invaliditeitsuitkering. Dat geeft sommige mensen de indruk dat ik profiteer, en dat vind ik verschrikkelijk. Ik heb twee jaar noodgedwongen stilgezeten, ik wil terug aan de slag. Me terug nuttig maken. Ik heb sowieso een tijdje moeten wachten om een nieuwe start te maken. Ik moest aftasten wat ik nog kan en wat niet. Ik ben gaan fitnessen, onder begeleiding. Nu heb ik min of meer een beeld van wat ik fysiek en mentaal kan. Ik ben heel enthousiast, misschien overenthousiast, maar makkelijk is het niet. Of ik het hele verhaal uit de doeken doe bij een sollicitatiegesprek? Nee, maar ik krijg natuurlijk wel de vraag waarom ik opgestapt ben bij mijn vorige werkgever. Ik weid er nooit over uit, maar leg wel uit dat ik fysiek beperkter ben dan vroeger. Ik ben bij één bedrijf in Aalst vier keer op gesprek geweest en bij de laatste twee kandidaten geraakt, om uiteindelijk te horen te krijgen dat ze te veel twijfels hadden bij mijn fysieke beperkingen. Ze wisten niet of ik het wel zou aankunnen, zeiden ze. Terwijl ik de jobs waarvoor ik solliciteer perfect kan uitvoeren. Het voordeel is dat de voedingssector altijd mensen blijft zoeken, ook in crisistijden. De veiligheidsnormen worden ook strenger. Mensen zijn ook mondiger als het over voedselveiligheid gaat. In de farmaceutica is de vraag naar werknemers het grootst, merk ik, maar op dat vlak heb ik mijn ervaring niet mee. Ik heb me nu bij verschillende interimkantoren ingeschreven en ben op dit moment bezig met vier sollicitaties. Bij het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid, onder meer. Een laborantenfunctie, gecombineerd met administratief werk. Ideaal. Door bureauwerk kan ik ook nog recupereren.”

Hij heeft veel leren relativeren, zegt hij. Ook zijn carrière. Vroeger zou hij alles aan de kant geschoven hebben voor zijn werk, nu niet meer. “Ik sta anders in het leven. Ik ben nog altijd heel flexibel, en ik heb ook geen enkel probleem met avond- en weekendwerk, maar mijn loopbaan komt nu op de tweede plaats. Ik denk nu eerst aan mijn gezin en mijn familie. Ik doe ook dingen die ik anders misschien niet zou gedaan hebben. Ik heb er altijd van gedroomd om eens naar Nieuw-Zeeland te gaan en ik ben nu aan het sparen om er samen met enkele vrienden naar toe te trekken. Ik moet dat soort dingen nu doen, besef ik. Later wil ik met andere dingen bezig zijn. Een gezin stichten en een huis hebben. Ik heb zelfs laten controleren of ik nog vruchtbaar ben. Gelukkig wel, zo bleek. Maar eerst wil ik een job hebben.”

Terug naar het hoofdartikel "Als het noodlot toeslaat"