Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

“Ik zat met het zaad van een échte carrière”

Elk week geeft columniste An Olaerts haar ongecensureerde kijk op de arbeidsmarkt en de wereld ver daarbuiten.

Niemand weet wie Asta Nielsen is. Dat is normaal. De meeste mensen zijn gewoon niet oud genoeg om haar te kennen. En de rest van de mensen heeft wel wat beters te onthouden. Asta Nielsen is een Deense actrice die anno 1900 de ster was van de Duitse, stomme cinema. In de camera loensen was de specialiteit. Tot de luidspreker werd uitgevonden. Toen was het afgelopen met Asta Nielsen. Ze had geen lelijke stem, maar niemand wilde haar horen. Daarna deed ze alleen nog mee in een gedicht van Paul van Ostaijen. Dáár had hij Asta Nielsen gevonden.

Hij moet het dezer dagen in ieder interview uitleggen, wat Asta wil zeggen en waarom hij zijn muziekgroep zo heeft genoemd. Dat krijg je als je op de rand van een doorbraak staat. Het eerste plaatje van Asta is klaar. Eindelijk. Het heeft zo lang geduurd dat ik er al heel lang niet meer in geloofde. In het hele Asta niet. Want laat ons wel wezen, Asta gaat al meer dan tien jaar mee. Ik ken Asta al van toen Asta nog geen groep was, maar een jongen op een kamer in Leuven. Ik ging iedere donderdag bij hem op bezoek. Met mijn gitaar. Want ik geef toe, ik heb ook met muzikale plannen gezeten. Ik had zelfs een geheim orgeltje. Dat wist voor de veiligheid bijna niemand. Behalve Asta.

Als ik bij hem op bezoek ging, moest ik bellen. Kort, lang of langer, ik weet het niet meer precies. Daarna kriepte Asta het raam van zijn kamer open en gooide een bolletje sokken naar beneden. Daar zat de sleutel van de voordeur in. Zonder asem kwam ik boven, met de sokken, de sleutel en mijn gitaar. Ik geloof wel dat ik iets te drinken van hem kreeg, bier uit een flesje van op de vensterbank of  zo. Vervolgens zongen we liedjes voor elkaar. In de rechterhoek van de studentenkamer stond het bed van Asta. Maar de mogelijkheden daarvan hebben wij nooit overwogen. Asta had weliswaar wonderbaarlijk blauwe ogen en een stem die je van hem niet zou verwachten, maar daar ging het niet om. Het ging om de muziek. En om de muziek alleen.

Asta zei dat hij een singer-songwriter was en dat hij alles op alles wilde zetten. Hij zou een duurdere gitaar kopen, een bandopnemer met vier sporen en een fatsoenlijke microfoon. De liedjes van Asta moesten de kamer uit en de wereld in. Zo ging het iedere donderdag, tot we allebei ons diploma hadden, terug thuis gingen wonen en werk zochten. Ik ging op een krantenredactie werken. Asta  kon het allemaal niet veel schelen. Hij ging voor de muziek, bleef voor de muziek gaan. Hij dramde maar door over de muziek. We zaten op zijn kamer, ik rookte zelfgerolde sigaretten en kreeg langzaam koppijn van zijn voorspellingen. Ik geloofde er niets van. Ik vond dat hij overdreef.

Na een lange werkdag stond mijn  hoofd ook niet naar liedjesmelodietjes. Ik zat met het zaad van een échte carrière, iets met computers, bureaustoelen en een koffiemachine. Precies zoals het hoorde. Zonder muziek. Trouwens, ik had geen tijd meer voor Asta en zijn dromen. Bovendien kwamen ze  helemaal niet uit, die dromen. Maar nu heeft Asta dus een debuut klaar: ‘Hasseltse straten’. En dat het klinkt! En dat het formidabel is! En dat sommige dromen hard werken zijn! De grootste troost voor moeë mensen, zei Paul van Ostaijen, over Asta Nielsen.